11.10.2010

KOTOMISI 2


Ameksani
KOTOMISI

Vandaag de dag noemen wij iedere vrouw die in koto verschijnt een kotomisi. Vroeger werd je pas kotomisi genoemd als je de klederdracht in de meest verzorgde vorm droeg. Zij was het die in de min of meer goeden doen,zich puik wist te kleden, aan haar kleding en opschik veel zorg bestede en zelfs schoenen droeg. Werd echter bij overgens gelijke kleding de voorkeur gegeven om op blote voeten te lopen,dan sprak men van een koto-soema.

Het aankleden van een kotomisi is een kunst die niet te onderschatten is. Vroeger had men onder de koto en jaki heel wat ondergoed te weten een lefi (onderlijfje) een flanelle hemt met in figuurtjes uitgeknipte mouwen, een katoenen hemd vaak op de hand geborduurd, een broek van vierlinnen, daar overheen 1 tot 2 pangi's en daar nog overheen 1 tot 2 onderrokken. De onderrok wordt vlak onder de borsten vastgebonden met een tot driehoek gevouwen hoofddoek of een band. Over dit alles komt de koto.

Een nette koto rijkt tot op de grond. Een werk koto tot de helft van het kuitbeen. Om de goed lengte te bepalen wordt de rokband tussen de tanden genomen. De rok is zeer wijd, kan 2 tot 3 banen van de stofbreedte zijn. De koto en het jaki moeten zeer veel stijfsel hebben, dit voorkomt het smoezelig worden terwijl de plooien dan ook goed vallen. De koto moet aan de bovenkant gerimpeld worden en op maat met een rokband vastworden gezet, aan de voorkant blijft een opening. De rok heeft geen zoom maar een tegenzoom(stootkant) van ongeveer 30 cm.


DE BETEKENIS VAN DE KOTO

De koto misi is in staat om met haar klederdracht een geheime taal te spreken. De hoofddoek die zij opzet die bij haar klederdracht hoort kan haar gemoedstoestand uitdrukken.

Aan de jaki kunnen 2 linten zitten die vroeger gebruikt werden, maar later een andere betekenis kregen, doordat zij een taal gingen spreken. De jaki linten worden als een harmonica gevouwen. Worden zij tot de helft gevouwen dan is de dame voorzien van een man. Is de lind gevouwen dan niet en dan weer gevouwen dan is de dame wel in bezit van een man maar hij is ver weg.

Over de schouder word een tapuskin pangi gedragen. Draagt de koto miti deze over de rechterschouder dan wil de dame uitbeelden dat zij haar hart nog niet verpand heeft. Over de linker schouder heeft ze haar ware al gevonden. De pangi kan ook 'halfstok' gedragen worden,over de schouder en dan met een knoop in de zij. Dit is een teken van rouw. Over bijde schouders en dan met de rechte zijde tegen elkaar is in diepe rouw.

Aan de dracht van de kotomisi kon men zien waar ze naar toeging naar de markt, kerk of naar een feest. Er zijn nog enkele zeer oude koto's met zeer toepasselijke namen. Wil de koto misi iets zeggen dan doet ze 1 van deze oude koto's aan.



BIJZONDERE KOTO'S EN KOTOMISI'S

AFUSKIN*
Die afuskin betseht aus einer jacke und einem kopftuch in derselben Farbe. Der Rock hat eine andere Farbe und kann gestreift sein. Dieangisa, die dazu getragen wird kann zum Beispiel die kron-tere sein.

AMEKSANI*
Die Ameksani trägt eine Person, die auf einem Fest die Funktion eines Zeremonienmeisters einnimmt. Die verschiedenen Elemente haben  mehr Ähnlichkeit mit denen der westafrikanischen Mode des 17. und 18. Jahrhunderts als mit denen des Kotomisi. Die Ameksani trägt drei Röcke übereinander, wobei der unterste länger ist als der mittlere, und dieser wieder länger als der oberste. Der mittlere Rock hat oft ein längsgestreiftes Muster. Die Jacke passt farblich zu den Röcken. Das Angisa ist aus drei oder mehreren Tüchern gefaltet. Das ganze wird ergänzt durch zwei Tücher, die man jeweils in einer Hand trägt um beim Tanz damit zu schwenken. Dabei hat man verschiedene Schmuckstücke um Hals, Armen und Knöcheln. De ameksani was reeds als zodanig bekend aan het eind van de vorige eeuw. Es ist möglich, dass die amelsani bei der Marktfrauen ursprünglich eine besondere Funktion einenommen hat.
A MEK SANI
Dit is een koto voor speciale gelegenheden. Deze dame draagt minstens 3 koto's in verschillende kleuren en tevens 3 hoofdoeken ook van verschillende kleuren inelkaar gebonden. Deze zijn zo gebonden dat de punten omhoog staan. Als jaki draagt ze een lange jaki oftewijl een krutu sidon jaki. In iedere hand heeft ze een hoofddoek waarmee ze zwaaid tijden het dansen. Om haar hals,benen en armen draagt ae kraalsnoeren.

BAKAGRON MAMA
De rok,jaki en het hemd waren van een zware blaublack oftewel denim deze stof hete toen blackamama. De bakagron mama draagt op haar hoofd een udu baki (een houten kom) met daarin hetgeen dat zij geoogst heeft. In haar handen heeft ze een houwer en een akatiki. Haar hoofddoek is een kleine  taiede. Om haar middel heeft zij een angisa gebonden.
BAKRAGON - MAMA*
Die Basis für diese Kleidung ist die ursprüngliche Tracht der Sklavinnen. Diese trugen Maka-Röcke aus groben blauen Leinen. Rock, Jacke und Unterhemd waren aus einem schweren schwarz-blauen Stoff, den man blaka-maka nannte. Die Bakagron Mama trägt oft ein Säugling mit einem Pangisa auf den Rücken gebunden.


BOSKOPUMAN
Koto, jaki en hoofddoek zijn elk van een andere kleur en ook de stof had vaak niet hetzelfde patroon.
Er was vroeger nog geen radio dus de boskopuman had de taak zodra er nieuws was deze te verspreiden. Zij had geen tijd om zich hiervoor speciaal te kleden. vandaar de verschillende kleren en patronen,wat bij de hand was werd aangetrokken. Zij riep dan 'wroko e bari un arki' en dan volgde de boodschap.

DUMAMA*
De dumama doet door haar wijze van kleden afstand van het wereldse, ze kleedt zich meestal in rouwkleueren. Dit roont aan dat ze zich met geestelijke zaken bezighoud. De enige versierung is soms borduurwerk ub rood of zwart, kleding die voornamelijk bij respektievelijk Kerst en Pasen gedragen wordt. Zij heft zuiver een sociale functie in de maatschappij.
Ook nu nog zien we dat vrouwen van boven 50 of 60 jaar zich meestal in rouwkleding vertonen, zwart-wit og blauw-wit geruite jurken met idem hooftdoecken en zj krijgen tegenwoordig de benaming 'bigisma'. Zij vervullen eveneens een sociale functie in de samenleving, bijvorbeeld bij rouw-, trouw- en doopplechtigheden.


FRIYARIMISI*
De fryiarmisi, ook wel prodomisi, is zeer geftig gekleed en kiest haar kleding naar gelang haar leeftijd.
"Volgens Surinaamse gewoonte wordt nij bigyari feest gevierd. De jarige kleedt zich om het feest te beginnen in een heel deftige koto met proisede of pawtere. Zij draagt een eri stel, dat is koto, yaki en hoofdoeck van dezelfte stof. Er wordt ook vaak kant gebruikt voor deze gelegenheid. Als witte kant gebruikt is, wordt de onderrock in de kleur die past voor de leeftijd eronder gedragen. Bepaalde kleuren voor bepaalde leeftijden.
Enkele voorbeelden:
30 jaar - groen
40 jaar - rose
50 jaar - geel

60 jaar - lila
70 jaar - bruin met creme of bordeaux met creme
80 jaar - blauw, grijs of blue black (Henar 1987: 40)
Waneer de jarige zo deftig gekleed is, hoort bij het geheel een parasol.

KRIORO MAMA
Krioro mama is een persoonlijkheid. Zij paste op de kinderen, geeft raad waar nodig is. Zij draagt op haar koto een donkere rok als schort, ter bescherming van haar koto als zij bezig is met de kinderen. Zij draagt een krutu-sidon jaki en heeft altijd een bigi pangi over haar schouders. Haar hoofddoek is een kleine opolanki angisa.
KREOROMAMA*
Die Kreoromama (auch Creolenmama) ist während der Sklavenzeit entstanden. Ihr wurden die Kleinkinder navertraut, damit die Sklavinnen so schnell wie möglich wieder ihre Arbeit aufnehmen konnten. Nach Henar: "Zij draagt op haar koto een donkere rok als schort, ter bescherming van haar koto als zij met de kinderen bezig is. Zij draagt een krutu-sidon yaki en heeft altijd een bigi pangi over de schouders. Haar hoefdoeck een kleine opalinka angisa (Henar 1987: 47)
Die krutu-sidon Jacke ist länger als das normale Yaki


KOSJOE
De kleding van de kosjoe bestaat uit hoofddoeken die puntig zijn gevouwen en doormiddel van een band op hun plaats worden gehouden. Onder de hoofdoeken draagt ze een pangi. Als blouse worden hoofdoeken diagonaal gebonden over de schouders en driehoek rond haar middel. Op haar hoofd heeft zij ook een driekantige doek gebonden. In haar handen heeft zij hoofddoeken om mee te zwaaien. Deze dracht is speciaal voor feestelijkheden.

ROUWKOTO
Bij diepe rouw draagt de kotomisi donker blauw of helemaal wit. Het donker blauw is sarpusistof of grien blaka. De pangi word over bijde schouders gehangen en gesloten aan de voorkant. De anigsa wordt zonder spelden gevouwen en helemaal over het hoofd gedragen net boven de ogen. Bij zeer diepe rouw draagt men boven op ne angisa een tompi os een tetjari. Een tompi is een driekante doek die onder de kin wordt vastgebonden. Een tetjari is een vierkante doek die boven op het hoofd wordt gedrapeerd. Bij rauw worden meestal geen sieraden gedragen.
ROUWKOTO*
Tot op heden kan de traditioneie rouwdracht op veel begrafenissen waargenomen worden, hetgeen wil zeggen dat de rouwkleding als culturele traditie het best bewaard gebleven iso De rouwkleding is niet van oorsprong de rouwkleding van de slaven geweest, zij is evenals de kotomisi-dracht langzamerhand ontstaan. In de beginperiode van de slavernij wordt er voor zover bekend in de literatuur geen aandacht besteed aan de rouwkleding van slaven. Biom zegt over de rouw van slaven het volgende: "Het is bij hen ook eene gewoonte om rouw te draagen; vooral de hairen van hun hoofd aftescheeren, en eenen witten doek om 't hoofd te binden. Verder naar hunne gewoonelijke kleeding, zwart en Salempoeris te draagen." (Biom 1787:344)

Aan het begin van de 19" eeuw geeft Lammens ook de kleuren zwart en blauw aan als rouwkleuren. Evenwel blijkt dat 'door de rouw, die men draagt en den slaven te dragen geeft' (Lammens 1982:66) de kleding en de kleurkeuze afkomstig is van de blanken.

Duyvetter zegt over rouwkleding in de 18" en 19" eeuw in Nederland het volgende: "Indigo kwam bij zo goed als alle streekgebonden kledingtradities in de 18" en vroeg 19" eeuw voor. Het had meestal te maken met het aanduiden van diverse gradaties van rouw. Zwart tot diep blauw kenmerkte de zware rouW. Lichtere tinten blauw werden gebruikt naarmate de rouw qua intensiteit afnam. ( ... ) Het 'verlichten' van de rouw geschiedde behalve door steeds minder zwart, blauwen paars in de dessins toe te passen, door successievelijk meer rood en geel toe te laten." (Duyvetter 1985:45) Ongeveer dezelfde kleurovergang is te zien tijdens de rouwperiode in Suriname zoals die vroeger en vaak nu nog gectragen wordt. Henar zegt daarover het volgende: "De volgorde van de rouwkleding, als men een jaar rouwde, was als volgt: witte of zwarte domru anu met tompi of tetyari voor de begrafenis. Een tompi is een driekante doek die om het hoofd gebonden wordt. Een tetyari is een vierkante doek bovenop de hoofddoek. De domru anu is een pangi die over beide schouders gedragen wordt en van voren dichtgehouden wordt. De tompi en de tetyari worden na de begrafenis weggehaald, soms ook na acht dagen. De domru anu werd drie tot zes weken gedragen. Voordat men weer rood kon aantrekken, had men eerst een periode de navolgende kleuren aangehad, alsook de volgende stoffen: pepre nanga sowtu (grijzige kotostof), lont'-ede, adru met fini ploi, strek' ede blaw, pers (blueblack), strek' ede, modo blaw, lila, rose, bruin, dan pas rood." (Henar 1987:53-4)

In 1835 zegt Teenstra over de domru anu "( ... ) ook mogen zij de handen niet onder den omslagdoek wegsteken, maar daaronder verbergen." (1835:153) Deze gewoonte bestaat nu nog.

De witte hoofddoek heeft volgens Teenstra ingestoken punten, eveneens een gewoonte die tot op heden in ere wordt gehouden, dit heeft natuurlijk direct te maken met de betekenissen van de verschiliende bindwijzen, de ingestoken punten geven blijk van ingetogenheid (geen enkele vorm van prodo, boosheid of liefde). Hoewel de witte rouwdrachtvan oorsprong een Afrikaans gebruik kan zijn, de bosnegers dragen eveneens wit als rouwkleur, krijgen we uit Lammens de indruk dat de witte rouwdracht afkomstig is van de Moravische Broedergemeente. "De Moravische Broeders beg rayen alle hunne ledematen, vrij of slaaf zijnde met veel plechtigheid: - er word voor de begrafenis een lijkdienst gedaan: - mans en vrouwen, die het lijk volgen (bij andere begrafenissen ziet men geen vrouwen) zijn alle in het wit gekleed, het hoofd der vrouwen met een witten doek omwonden ( ... )."
Over de begrafenissen heeft Lammens de volgende mening: "( ... ) ik heb begrafenissen gezien, waar meer dan vierhondert menschen tegenwoordig waren, de negers zeer veel op uiterlijke ceremonien en pragt gesteid, mag deze statelijke en deftige begrafenissen wel veel toedragen, tot de begeerte om lidmaat van dit kerkgenootschap te worden." (1982: 67)

Lammens beschouwt de zucht naar pracht en praal als vele anderen. Er wordt niet gedacht aan gevoelens en gedachten van de slaaf,. die bij het verkrijgen van zo'n begrafenis toch nog een menswaardige behandeling krijgt, weliswaar pas na de dood.

Hoewel bepaalde facetten in de rouw misschien een westerse invloed hebben is toch veel van de Afrikaanse culturele traditie behouden gebleven. In de kleding is dit in ieder geval de wijze waarop de hoofddoek gevouwen wordt; de rest van de kleding heeft net als de koto Afrikaanse en westerse elementen. Oe wijze waarop er gerouwd wordt is geheel niet-westers. Hierbij kunnen we denken aan bijvoorbeeld ded'oso en anansitori, de spinverhaien. Een gewoonte die evenmin westers was en daarom verboden werd, beschrijft Rikken. "Enige droegen grote hoofddoeken of ook wel tapoeskinpanjies, bij wijze van vlaggenin de stoet. (Oit werd bij Publicatie van het jaar 1817 Gouv. Blad no 13 verboden, evenals het dansen en begraven bij nacht.)" (1954:171) Zo worden bepaalde Afrikaanse culturele tradities soms bij wet afgeschaft, zoals het met ontbloot bovenlichaam verschijnen. In andere gevallen wordt door de wet een gebruik in andere banen geleid, zoals bij bovenstaande wet het geval was, want tot .op heden is het een gewoonte om rond de kist te dansen. Oe ded'oso die de geh eie nacht duurt bestaat eveneens nog steeds.

In 1787 zegt Biom over de diepe betekenis van de rouw het volgende: "Zij komen dit ook zo heilig na, dat zij voor geen waerelds goed daar na laatig in zouden zijn. Oit zoude bij hen ook voor eene onuitwisbare schande gerekend worden." (Biom 1787:344) Oit is dan waarschijnlijk mede de reden voor het voortbestaan van de Afrikaanse culturele traditie die in ere wordt gehouden tijdens de rouw.



TROWMISI
Het huwelijk is van oorsprong niet een traditioneel gebruik geweest bij de sklavenbevolking. Onder invloed van de zending is men er meer toe overgegaan. De trowkoto is meestal een witte koto, soms met wit borduurwek of open naaiwerk (op 'som) in wit uitgevoerd. Op een trouwpartij in 1937 droeg men de volgende kleding: "De bruid was geheel in het wit gekleed, de bruidegom droeg een streeepjesbroek, gele wandelschoenen, witte handschoenen, een hoogen hoed en een wandelstock (le Leeuw 1937: 53)



WROKO KOTO
Bestaat uit een blauw gestreept of geruite stof. Vroeger werdt een streep hiervoor gebruikt die men nassief strepi noemt. Of ook wel nyun son kir'mi of de anitri strepi en ook wel anitri prati. De wojo oema had een zak aan de rok voor het geld dat zij verdiende. Op haar hoofd had zij de feda. Aan haar voeten droeg zij snesi klompu later werden dit de tip tip (houten slippers met een rubbere bovenstuk van een fietsband) Bij het uitgaan droeg ze pantoffels.

WOWOYO - EDEMAN*
Onder de marktvrouwen bestaat sinds lang de wowoyo-edeman die in vroeger tijden onder andere voorop ging bij een optocht, bijvoorbeeld bij het aanbieden van een petitie of het brengen van een ovatie aan de gouverneur op koninginnedag. Zij was in dat geval zeer waarschijnlijk de persoon die de petitie overhandigde. Voigens mondelinge informatie droeg de vroegere wowoyo-edeman de maka rok met odo en motieven waarover reeds gesproken is in het hoofdstuk 'Oe pronkzucht in de kolonie', de rok die door Rikken 'haute nouveaute' genoemd wordt. (Zie afbeeldrng 6) Oe pop in het Tropenmuseum, waarover reeds"'gesproken is, droeg bij deze rok, een gestreept yaki en een angisa gevouwen uit drie hoofddoeken. De wowoyo-edeman heeft onder de marktvrouwen min of meer de functie van 'ameksani', die aan het eind van de vorige eeuw reeds bekend was. Zi kreeg toen eveneens de naam "vischwijf". Het is daarom mogelijk dat de pop in het Tropenmuseum gekleed is als een wowoyo-edeman.

WROKOKOTO*
"Wrokokoto bestaat uit een blauw gestreepte of geruite stof. Vroeger werd een streep hiervoor gebruikt, die de Nassief strepi genoemd werd, de njun son kir' mi, de anitri strepi of anitri prati. De lengte van de rok is tot de helft van de benen." (Henar 1987 :39)







Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen