Posts mit dem Label carl haarnack werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label carl haarnack werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

21.05.2016

Missions-Reise nach Suriname. Riemer (1801)


Tags
, , , ,
Missions-Reise nach Suriname und Barbice zu einer am Surinamflusse im dritte Grad der Linie wohenden Freinegernation, nebst einigen Bemerkungen über die Missionsanstalten der Brüderunität zu Paranaribo. Johann Andreas Riemer.  Zittau: 1801. 
Johann Andreas Riemer (1750-1786) werd geboren in het plaatsje Wespen, vlak onder Maagdenburg (Duitsland). In 1779 vertrok hij als missionaris van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) via Braunschweig, Hannover en Amsterdam naar Suriname. Eerst woonde hij bij de van de plantages weggelopen slaven, de marrons, in Bambey. Daar bestudeerde hij de taal van deze Saramaccaners. Riemer werkte hier aan zijn Saramaccaans woordenboek en zijn beschrijving van de grammatica van deze taal. Ook hield hij gedurende zijn verblijf in Suriname een dagboek bij. Hij schreef o.a. over de flora en fauna van Suriname maar ook over het leven van de slavenbevolking. Dat vinden wij natuurlijk veel interessanter. Wij weten eigenlijk nog maar weinig van het dagelijks leven in de slavenmaatschappij die Suriname lange tijd was. Maar dankzij reisverhalen van ooggetuigen, zoals deze van Riemer, krijgen we toch een klein inkijkje.
Riemer3
Courage! Masra, Courage! (Meester, wees dapper!). Illustratie uit Missions-Reise nach Surinam (1801)
Riemer beschrijft bijvoorbeeld een groep slaven die net uit Guinea was aangekomen in Paramaribo. De groep werd langzaam door de straten van Paramaribo geleid. Het was alsof het, zo schrijft Riemer, een groep verlaten schapen was; schuchter, bang en meelijwekkend, in afwachting van hun lot. Riemer was in het gezelschap van een aantal EBG missionarissen die een slaaf wilde kopen. Nadat zijn oog op een slaaf is gevallen wordt deze door een arts bekeken en goedgekeurd. Voor fl. 450,- wordt tot koop overgegaan. Riemer is zo geroerd door de blik vol verlangen van de Afrikaan (‘neger’) dat hij het schouwspel niet langer kan aanzien. Daaruit spreekt een zekere empathie uit die Riemer had voor de slaven. Hun lot is volgens hem treurig. De slaven, volgens Riemer door bedrog of valsheid van hun eigen verwanten in slavernij terechtgekomen, zweven tussen hoop en angst. Riemer geeft voorbeelden van verhalen van Afrikanen die man, vrouw, ouders en kinderen verraden en zelfs voor een kleine prijs verkopen zoals een rol tabak of een fles brandewijn. Maar Riemer haast zich om te melden dat slaven graag door de missionarissen gekocht worden omdat deze milder zijn en bescherming bieden. Het merendeel van de kopers van slaven is namelijk ronduit barbaars.
landingsplaats bij Fort Zeelandia Paramaribo k
Landingsplaats bij Fort Zeelandia (Paramaribo)
Riemer vertelt ons ook één en ander over de relaties tussen witte Europeaanse mannen en Afrikaanse vrouwen. Zo bezocht hij de scheepskapitein Kanz. Deze heeft in  Suriname een mulattin vrouw waar hij vier kinderen bij heeft. Zijn kinderen zijn gedoopt, gaan in Europese kleding door het leven en krijgen les van een dominee van de Evangelische kerk. De kapitein vertelt dat hij in Europa ook nog vrouw en kinderen heeft. Dat is, zo geeft hij aan, heel normaal. Ook zijn collega’s doen het net zo omdat zij soms jarenlang gescheiden van hun vrouwen moeten leven. Het is voor hem nobeler om zo te leven dan om hun vrouwen in Europa te bedriegen door vreemd te gaan of jonge meisjes te onteren. Wij weten nu inmiddels wel hoe Europese mannen zich in sexueel opzicht te buiten gingen aan Afrikaanse vouwen of hoe zij in een zg. ‘Surinaams huwelijk’ samenleefden. Maar in de 18e eeuw was het zeker niet gebruikelijk om daar zo open over te schrijven.
In juni 1780 verliet Riemer Suriname weer en keerde terug naar Duitsland. Zijn dagboekaantekeningen vormden de basis voor een boek dat pas vijftien jaar na zijn dood in 1801 verscheen. Riemer werd slechts 36 jaar oud. Zijn boek is uitermate zeldzaam maar boordevol informatie over het leven van alledag in Suriname rond 1780. Eigenlijk zou iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Suriname het moeten lezen. Voor het feit dat u er af en toe misschien een Duits woordenboek bij moet pakken, wordt u rijkelijk beloond.
Carl Haarnack
Zie ook:
Neger-Englische Gramatik
Vier Maanden in Suriname
Natalie Zemon Davis over taal en Riemer

titelblad riemer  k
Titelpagina Mission-Reise nach Suriname

09.04.2016

Bananen in Suriname

door Carl Haarnack
Deze ansichtkaarten werden gemaakt door de fotograaf Eugen Klein. Hij werd geboren in Mannheim (Duitsland) in 1869. In de jaren ’90 van de 19e eeuw vestigde hij zich als fotograaf in Suriname. Aan de Domineestraat in Paramaribo opende hij zijn studio en winkel. Gedurende zo’n 30 jaar was hij een van de productiefste en bekendste fotografen van Suriname. Naast foto’s gaf hij ook honderden prentbriefkaarten uit. Hij overleed in Paramaribo in 1927. Zijn weduwe, Louise Schrader, heeft samen met haar kinderen de zaak tot de Tweede Wereldoorlog voortgezet.


Klein koos de onderwerpen voor zijn ansichtkaarten zorgvuldig uit. Behalve de vele stadsgezichten van Paramaribo lieten zijn ansichtkaarten ook vaak exotische vruchten zien. Deze kaarten waren natuurlijk vooral bestemd voor diegenen die familie of vrienden in Europa een indruk wilden geven van de vele vruchten die daar vrijwel onbekend waren. De banaan is een van de oudste geteelde gewassen ter wereld. De oorsprong van de banaan ligt in Zuid-oost Azië. Portugese handelaren zorgden er voor dat de bananen vanuit Afrika mee werden genomen naar het Caraïbisch gebied. Maria Sibylla Merian, die in 1699 vanuit Nederland in Suriname arriveerde, tekende de bananenplant in haar Metamorphosis insectorum Surinamensium (Verandering der Surinaamse Insecten, Amsterdam 1705). Dankzij haar werk kreeg men in het Europa voor het eerst exotische vruchten als cashew, marcusa, pepers en dus ook de banaan te zien.
Suriname lijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met de banaan. Worden gerechten als heri heri nu met trots opgediend als een nationale Surinaamse schotel, de geschiedenis van de banaan in Suriname is minder heroïsch. De banaan diende tenslotte vooral als goedkoop voedsel voor de slaven. Van Hoëvell, een voorvechter van de afschaffing van de slavernij, schreef in Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (1854): “De neger, aan wien niet veel keuze gelaten is omtrent hetgeen hij als spijs zal gebruiken, vindt zijn hoofdvoedsel in bananen, een aan eiwit en phosphaten hoogst armoedig voedsel. Het hem daarbij toegekende dierlijk voedsel, dat dan nog uit gezouten visch bestaat, is verreweg te gering, om het evenwigt van de verbruikt wordende stof te herstellen.” Ook de slavenkinderen leven volgens Van Hoëvell voornamelijk op bananen (-meel). Ook de ‘stadsdoctor en chirurgijn’ van Paramaribo, Kuhn, had al dertig jaar daarvoor opgemerkt dat het voedsel van ‘de negers’ bestaat uit taaie en zwaar te verteren meelachtige vruchten of wortels.


Op deze prachtige ingekleurde ansichten van Klein zien we twee meisjes die trossen bananen vasthouden. Het zijn hier duidelijk twee uit een serie. Eén meisje komt op beide afbeeldingen voor; ze heeft dezelfde kleding aan. Het andere meisje heeft tussen haar tanden alanya tiki geklemd. Deze kaarten werden vóór 1905 uitgegeven. Helaas kunnen we deze meisjes niet meer vragen hoe zij hun tijd beleefden. Maar zou het niet aardig zijn als nakomelingen van deze Surinaamse schonen hun oma’s zouden herkennen?

[Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Obsession]

Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

09 Saturday Apr 2016
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Bibliotheca Surinamica, Dutch books
≈ Comments Off on Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. W.R. van Hoëvell. Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854.
Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

Litho uit Slaven en Vrijen (1854)

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is één van de belangrijkste boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophouden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Plantage directeur met Creolenmama en slavenkinderen