Posts mit dem Label vaudeville werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label vaudeville werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

24.03.2017

Nola Hatterman





© 2009 dbnl / Rosemarie Buikema en Maaike Meijer
Print Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980(2003)–Rosemarie Buikema,

17 april 1953. Nola Hatterman vertrekt naar Suriname en ontwikkelt zich tot leermeesteres van een generatie Surinaams-Nederlandse beeldende kunstenaars.
15 Een artistiek bemiddelaar tussen Nederland en Suriname


Nola Hatterman was in 1953 54 jaar oud en een bekend en politiek geëngageerd Nederlands schilderes. Haar huis, Falckstraat 9 in Amsterdam, was het bruisende centrum van de Surinaamse cultureel-nationalistische beweging Wie Eegie Sanie (Ons Eigen Ding). De geboren en getogen Nederlandse Hatterman voelde zich sterk verbonden met zwarte mensen en hun cultuur. Zij was een actief lid van de in 1919 opgerichte Vereniging Ons Suriname, nam Surinamers veelvuldig als model voor haar schilderijen en kreeg begin jaren vijftig een steeds groter verlangen zich in Suriname te vestigen. Zij voelde zich in Europa artistiek ontworteld. ‘Ik moest naar Suriname’ zei ze later in een interview, ‘ik kon in mijn gevoel niet verder als ik niet naar Suriname zou gaan.’



Aanvankelijk leek het erop of zij door de Sticusa - een Stichting die de ontwikkeling van de Surinaamse en Antilliaanse cultuur wilde bevorderen - als tekenlerares naar Suriname zou worden uitgezonden, maar Sticusa trok zich terug vanwege Hattermans vermeende communisme. Hatterman ging echter toch. Haar dertigjarig verblijf in Suriname werd een groot succes. Zij werd er inderdaad de ‘ambassadrice’ van progressief Nederland in de gekleurde wereld. Zij stichtte er een professionele school voor Beeldende Kunsten die enkele generaties Surinaamse beeldend kunstenaars opleidde. Haar school fungeerde als een unieke ‘contactzone’ tussen Nederlandse en Surinaamse kunst. Veel van Hattermans leerlingen emigreerden in de jaren zestig tot tachtig naar Nederland, om zich in Europa verder te scholen en er zich als kunstenaar te vestigen. Hatterman was hun trait d'union, de luchtbrug die Surinaamse kunstenaars naar Nederland en Europa bracht.

Hatterman was gekant tegen het antropologisch of volkenkundig perspectief waarbinnen ‘zwarte’ kunst in haar tijd vaak werd geplaatst. Zij zag kunst als middel tot zelfherkenning, tot expressie van zwarte trots en antikoloniale bewustwording. Met die opvattingen en met haar eigen kunstwerken heeft Hatterman de Surinaams-Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw diepgaand beïnvloed. Zij stimuleerde de ‘négritude’ in de beeldende kunst en heeft als geen ander het culturele isolement van Suriname opengebroken én de Nederlandse cultuur getransnationaliseerd. Na haar dood in 1984 is het contact tussen de Surinaamse en Nederlandse kunstwereld voortgezet door haar leerlingen. De Galerie Nola Hatterman (in Nederland) en het Nola Hatterman Instituut (in Suriname) zetten heden ten dage de door haar ingezette professionaliteit en internationalisering voort.

Wie was deze kleurrijke Nederlandse kunstenares? Hoe kwam zij tot haar radicale ideeën? Hoe kwam haar fascinatie met de gekleurde wereld tot stand en wat bracht haar er in 1953 toe naar Suriname te emigreren en er voorgoed te blijven werken?


‘En je kiest als je schildert uiteraard de modellen die je mooi vindt’

Nola (Hendrika Petronella) Hatterman werd op 12 augustus 1899 in Amsterdam geboren. Van kinds af aan kwam zij in aanraking met Indische mensen, doordat haar vader als boekhouder werkte bij een Indische firma. Als jong meisje zat ze op de lagere school met haar vingers op het topje van haar neus te drukken zodat die plat zou worden. Met haar andere vingers krulde zij haar lippen. Zo bleef ze elke morgen ‘een uur of wat’ zitten in de hoop dat zij haar gezicht zo zou kunnen modelleren dat zij op de Indische kinderen uit haar klas zou gaan lijken, die zij mooi vond en aan wie zij zich vaak zat te ‘vergapen’. Op het gymnasium kwam zij in aanraking met hét zuivere schoonheidsideaal, het Griekse, dat zij als prototype echter ‘beslist niet mooi’ vond. Toen ze vervolgens kennismaakte met de Egyptische cultuur met name met de Nefertete dynastie, ontdekte ze in de Egyptische afbeeldingen de ‘negroïde trekken’ die ze prachtig vond (Niemel en Van Broekhoven 1982).

Aanvankelijk leek Hatterman te kiezen voor een carrière als actrice. Zij speelde enkele jaren bij het Rotterdams Toneel en de Koninklijke Vereniging. Ook acteerde ze in een aantal films, waaronder Majoor Frans, naar de roman van Truitje Bosboom-Toussaint, die op 25 augustus 1916 in première ging. Met Johan Kaart en Lily Bouwmeester speelde zij in Helleveeg (1920) en in Oranje Hein (1925) van Alex Benno. Maar in 1925 koos zij definitief voor het tekenen en schilderen (Ottes 1999). Ze kreeg enkele jaren privé-les van Charles Haak, die verbonden was aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie. Via hem kwam Hatterman in contact met Surinamers die er als schildersmodel wat geld bij probeerden te verdienen. Een van die modellen was prins Kaya, eigenlijk Frans Vroom geheten, met wie ze hecht bevriend raakte. In 1927 verhuisde hij van Paramaribo

[p. 259]

naar Amsterdam en woonde een tijd op de benedenverdieping bij Hatterman in de Falckstraat. Prins Kaya behoorde tot het groepje Surinaamse mannen dat Rudie Kagie beschrijft in zijn boek De eerste neger(1989), zie ook hoofdstuk 5. Ze kwamen als verstekeling met de oceaanstomer Cottica of Peter Stuyvesant en vonden na een aanloopperiode vaak werk in de muziek of iets anders ‘artistieks’.
Zelf was de prins aanvankelijk constructiewerker in de plaatijzerfabriek van Verschuren. Mede als gevolg van zijn vriendschap met Nola Hatterman [...] voelde hij zich al snel in het kunstenaarsmilieu meer op zijn gemak dan in de metaal. Hij was vuurvreter, equilibrist, portier, schildersmodel, figurant bij de film, figurant bij de Sleeswijkrevue, figurant bij het grote toneel. (Kagie 1989)

Een ander schildersmodel voor Hatterman was Jimmy van der Lak, wiens artiestennaam Jimmy Lucky luidde. In 1925 arriveerde hij, 21 jaar oud, per oceaanstomer in Rotterdam. Hij ontpopte zich als bokser die ‘ontzettend vlug op de benen’ was en uitkwam in het weltergewicht maar ‘zo nodig ook doorging voor het middengewicht.’ Na een ongelukkige partij, waarbij hij ‘een geweldig pak slaag’ kreeg, beëindigde hij zijn bokscarrière en ging als kelner werken in The Kit Cat Club:
Ik was een trekpleister van jewelste, de enige zwarte kelner in Nederland. Als ik op straat m'n gezicht liet zien, hielden de mensen me aan. Bussen stopten. De baas wou niet dat ik vrij nam omdat de gasten dan voor niks kwamen. Ik was een attractie. (Kagie 1989)