HET ONTSTAAN VAN DE ANGISA
Hoewel von Sack al in 1810 spreekt over het versieren van het hoofd met een tulband of mousselinen hoofddoek, komt de term angisa pas in 1840 voor in de beschrijving van kleding. Dat de term angisa eerder bekend is, blijkt uit het woordenboek van Schumann: "hangisa (angisa) Schnupftuch, Handtuch" (1778:69) (Vert. zakdoek, handdoek). Onder de Saramakkaners is het woord hangisa eveneens bekend: "( ... ) as weil as kerchiefs (Iensu, hang isa) ( .. .)" (Price 1984:129); op Cura<;ao is een bekende hoofddoek 'Iensoe di Madras'. In de geplande, evenwel gesaboteerde, vredesovereenkomst met de Saramakkaners in 1749 waren onder andere opgenomen 'one hundred handkerchiefs'. (Price 1984:130)
Lammens gaat rond 1816 in op de gewoonte om neusdoeken van spreuken te voorzien die zinnebeeidige betekenissen vervullen. Oe meeste van deze spreuken, soms 10, 12 of maar 2, hebben betrekking op de liefde en GOd, zoals bijvoorbeeld 'Iobi switi', 'Iobi no prati', 'de liefde is blind' en God zij onze getuige'. Of deze neusdoeken de grootte hebben gehad van een hoofddoek is niet bekend, wel werden ze bij begrafenissen om hel hoofd gewonden. In het Surinaams Museum bevinden zich enkele hoofddoeken waarop dit type spreuken in kruissteek geborduurd zijn (bijvoorbeeld op T 186, een wit linnen hoofddoek waarop diverse spreuken langs de rand, en figuurtjes in het middenveld geborduurd zijn). Teenstra legt in zijn beschrijving van de hoofddoek een verband met wat hij bijgeloof noemt. "Een doek, gelijk van welke kleur, met eene lange achteruitstekende punt is ongemeurdheid, willende daarmede zeggen: je ku nt mij de m. . likken; de doek, aan de linkerzijde geknoopt wil door eenen soldaat gevrijd worden; en zoo heb ben zij eene menigte andere doekseinen, waarvan mij eensdeels het fijne niet bekend is, en die ik anderdeels uit achting voor het schoone geslacht niet open baren zal, alt hans niet de maanseinen; - aber dan ist das nicht Caucher nich!" (Teenstra 1835:154)
Teenstra noemt hier voor het eerst de befaamde bindwijzen van hoofdoeken, die boodschappen aan insiders geven; de hoofddoek als communicatiemiddel. Oe vraag rijst waarom in de 18e eeuw niet over deze verschilIende bindwijzen geschreven wordt. Voigens Herskoyits en Herskovits die in Ghana zowel als in Suriname onderzoek verrichtten, blijkt dat de traditie van het benamen van bindwijzen van hoofddoeken voornamelijk voorkomt in Ashanti (Ghana) en in beperkte mate in Dahomey en West-Nigeria. Dit is een interessant gegeven, te meer daar Healy (1986) in 'Van Afrika tot Suriname' op twee kaarten aangeeft dat in de periode 1650-1700 de meeste Surinaamse slaven afkomstig zijn uit het gebied van de Ewe, Fon en Yoruba (Nigeria, Dahomey). Het blijkt dat tussen 1730-1780 het grootste percentage Surinaamse slaven afkomstig is van de Akan, het gebied van de Ashanti (Ghana). Dit wil zeggen dat de slaven die in de loop van de 18e eeuw naar Suriname komen een meer ontwikkelde traditie heb ben in het binden van hoofddoeken. Dat betekent eveneens dat binnen Suriname de ontwikkeling hiervan later op gang zal komen. Bovendien beschikken de slaven bij aankomst niet over de textiel die men hiervoor pleegt te gebruiken. Logisch is het dan dat deze traditie weer tot volledige bloei kan komen, wanneer de misi en de sisi hun meest geliefde slavinnen omringen met pracht en praal, waarbij kleding en sieraden, de uiterlijke verschijning de belangrijkste zijn. Dit verhoogt hun status in de kolonie.
Het aantal 'vrijen', waaronder veel mulattinnen, is in de eerste helft van de 1ge eeuw eveneens veel groter dan in de eeuw~arvoor. Deze 'vrijen', konden zich eerder de aankoop van meer kleding veroorloven dan de slaven. Een invloed die zeker niet vergeten mag worden is die van de handel, die natuurlijk zeer gebaat is bij de bloei van de hoofddoekendracht, waarbij het bezit van een uitgebreide collectie hoofddoeken een zekere status verleent aan de bezitster. In Ghana heeft zich eenzelfde trend ontwikkeld. "Behalve een gebruikswaarde heeft de Afrikadruk ook een bezitswaarde. Vrouwen in Ghana plegen een collectie van de meest gewilde dessins aan te leggen. ( ... ) In verschillende Afrikaanse staten worden pogingen gedaan deze producten in eigen hand te brengen." (Schweizer 1986:85) De handelaar zal in samenwerking met de fabrikant zijn uiterste best doen om zoveel mogelijk doeken op de markt te brengen. Het is dan ook niet toevallig dat deze ontwikkeling tot bloei komt in de 1ge eeuw, de eeuw van de industrialisatie. .
Hoewel vanuit Afrika eveneens de traditie is meegekomen waarbij stofpatronen benoemd worden, is dit in de 1ge eeuwse literatuur niet beschreven. Aangezien de meeste werken beschrijvingen zijn van het uiterlijk, waarbij de verschiliende bindwijzen zeer opvallend zijn, is het mogelijk dat schrijvers niet op de hoogte waren van deze inside-informatie. Dat dit niet alleen in Suriname zo is, bevestigt Schweizer. "Met hun in Europa vervaardigde kledingstof beschikken de Afrikanen over een aanvullende manier om met elkaar te communiceren, die voor de westerling een vrijwel gesloten boek blijft." (1986:85) Deze wijze van communiceren deed men echter reeds lang via patronen binnen de eigen weeftraditie.
Keine Kommentare:
Kommentar veröffentlichen