Posts mit dem Label landschaft werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label landschaft werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

04.01.2017

“Le Rêve de la Malinche”



Antonio “El Corcito” Ruiz, “Le Rêve de la Malinche” (1939, oil on masonite, Mexico, Galería de Arte Mexicano (courtesy Galería de Arte Mexicano, © photo INBA/Museo Nacional de Arte)

hyperallergic


27.08.2015

Willem van Lit – Landschappen

Terwijl ik zit te schrijven, kijk ik naar een prent uit 1815 van een zicht op Oranjestad (Aruba). Ik heb de indruk dat de tekenaar – ene zekere R.B. Lloyd – veel meer dingen heeft willen vastleggen dan in werkelijkheid vanaf de positie waar hij zich bevond, te zien waren. Toch staat in het bijschrift dat hij diverse details heeft weggelaten. Hij zou alleen de stenen huizen met vaste daken getekend hebben en niet de lemen en strooien woningen die er ongetwijfeld ook stonden.



De tekening geeft het zicht op Oranjestad in zeven lagen weer, waarbij de afbeelding van scheepjes voor dieptewerking moet zorgen. Op de voorgrond laat hij de zee zien, daarna het rif en het water daarachter; vervolgens komt het strand met daarachter drie rijen huizen en dan rechts op de tekening zie je nog drie forse heuvels, waarvan ik me afvraag of die daar wel echt liggen. Nu is het zo dat bij oude prenten het nuttige dikwijls met het aangename werd verenigd. De zeeman die langs de kust voer, moest een betrouwbaar overzicht hebben van de situatie en de reiziger wilde een mooi plaatje. Ondanks dat er wordt gezegd dat de tekenaar veel heeft weggelaten, probeert hij naar mijn idee toch door te dringen tot het wezen van Oranjestad. Hij zoekt de dingen áchter de realiteit die zich het eerst voordoet, alsof hij een verborgen echtheid wil laten zien.
Gert Oostindie schreef Het paradijs overzee, een boek met op de omslag een afbeelding van Saba. Hijzelf zegt over de titel dat die “… treffend geïllustreerd (lijkt) met de dromerige afbeelding van Saba die op de omslag prijkt; een beeld van idyllische schoonheid dat echter allerminst overeenkwam met de Caribische werkelijkheid”. Het is Saba in een pastelkleurige zee en met de eeuwige sluierwolk rond haar top Mount Scenery.
Plaatjes van landschappen zijn vaak prenten van de geest die dóór wil dringen tot meer dan het eerste gezicht. Het Caribische gebied lijkt dat zelfs meer te hebben dan veel andere streken hier ter wereld. In deze zeetuin van ruim vijfhonderd eilanden en brokken rots speelt men u fluitend naar de doorgang tot de fantasie. Vroeger zou hier ergens de koning van goud hebben gewoond: El Dorado. Enkelen werden hier stinkend rijk van het avontuur; anderen – de meesten overigens – crepeerden in ellende: dat is dé verbeelding van de speelsheid van het lot in schoonheid opgebaard langs wilde kusten die uit weefsel van dromen lijken te zijn gemaakt; ze nemen u graag in hun sluimering op. Wij maken er foto’s van als hulpstukjes voor het uitgestelde leven: om er later weer eens…, alsof we dán misschien wél de werkelijke waarde van het momenteel geschat vermogen van schoonheid kunnen doorgronden.

Ik denk aan de onwezenlijk heldere kleuren bij de zoutpannen op Bonaire, de twinkelende serie baaien en baaitjes van Curaçao, het glanzende vergezicht over zee vanaf de westelijke heuvelrug op de Great Bay met Philipsburg op St. Maarten, de sluier rond Mount Scenery op Saba, de gouden kam van het zandstrand op Aruba en de allenig verstilde innigheid van Oranjebaai op St. Eustatius. Oostindie heeft het over zinsbegoocheling. Hij vraagt zich af hoe het komt dat Nederland in al zijn veronderstelde koopmansnuchterheid er nooit in is geslaagd zich los te maken van deze Caribische erfenis, die zakelijk gezien veeleer een ergernis is geweest. Het koloniale systeem van plantages en slaven heeft voorheen altijd meer problemen meegebracht dan profijt en dat is na die tijd – toen het hele systeem in elkaar was gezakt – nooit beter geworden: schade, schande, schuld en schulden. Spanje bijvoorbeeld heeft om onduidelijke redenen wél gevochten voor het behoud van Cuba, hun “real maravilloso, een fascinerende mengeling van bizarre realiteiten, een onmogelijke droomwereld waar wij geen vat op krijgen” (Oostindie, pag. 17). Wij willen er steeds van af, maar we slaagden daar om een of andere reden niet in en we bleven in die verwevenheid van zinsverrukking en latent misprijzen begoochelend vast zitten aan de klippige kusten van deze eilanden. Het is hetzelfde als met de plaatjes: de tekenaars pogen telkens weer verwoed door te dringen tot de ware kern en het lukt maar niet. Ook nu nog spat er voortdurend weer een vonkje op ons over van “orguyo di nos tur” (trots van ons allen), zoals het letterlijk staat in de volksliederen van Aruba en Curaçao.

Baranka. Klip of rots. Het klinkt geringschattend, zoals het dikwijls door ontgoochelde Nederlanders werd en wordt geuit. In de volksliederen van alle drie de Papiamentstalige eilanden wordt dit woord gebruikt, maar dan als understatement voor ‘parel’, zeg maar: het glanzende landschap van ons wezen in de majesteit van de zee. Het is niet de essentie van de dingen die hier echt gebeuren natuurlijk… en dat blijft.

Ondoorgrondelijk.

(weekboekaflevering 155 van 7 mei 2006 uit: Atlantisch Rendez-vous, verhalen uit de Kraalzee,2010, pag. 41).

07.07.2015

"Half the story has never been told" Kulturgeschichtliche Aspekte der Sklaverei in Jamaika

von Christof Schmidt

"But if I don't get my desire, then I'll set the plantations on fire"
Gregory Isaacs: Slave Master

"Rationalisierungen hat es (...) auf den verschiedenen Lebensgebieten in höchst verschiedener Art in allen Kulturkreisen gegeben. Charakteristisch für deren kulturgeschichtlichen Unterschied ist erst: welche Sphären und in welcher Richtung sie rationalisiert wurden"
Max Weber: Vorbemerkung zu den "Gesammelten Aufsätzen zur Religionssoziologie"

In der wirkungsmächtigen Tradition des bürgerlichen Humanismus wird die Plantagensklaverei in der Karibik oftmals nicht als historischer Prozeß gedacht, sondern vielmehr als ein Zustand, der diese Gesellschaften gewaltsam vor dem Eindringen der Geschichte abgeschirmt hat. Mit diesem eurozentrischen Begriff der Moderne können die historischen Dynamiken und Determinanten der Sklavereigesellschaften ebenso wenig begriffen werden wie die Prozesse, die in diesen Gesellschaften nach der Sklaverei stattfanden. Das Bild von der Sklaverei als irrationaler Gegenwelt zu dem (bürgerlichen) Konzept der Freiheit war vielmehr die ideologische Grundlage für die Sicherung der Kolonialherrschaft über die Sklaverei hinaus und legitimierte die Expansion des britischen Empires im 19. Jahrhundert im Namen der Freiheit.

Die Sklaverei erlebte ihren Aufschwung in Jamaika im 18. Jahrhundert mit der Ausbreitung des Plantagensystems. Mit dem Beginn des exportorientierten Zuckeranbaus auf großflächigen Plantagen erhöhte sich die Einfuhr afrikanischer Sklaven drastisch[1]. Die Entwicklung dieses Plantagensystems läßt sich grob in zwei Phasen einteilen: Die Aufbau- und Wachstumsphase, in Jamaika ca. zwischen 1730 und 1780, und die Konsolidierungsphase, die bis zur Emanzipation 1833 andauerte. In der ersten Phase waren die Lebensumstände der Sklaven überwiegend katastrophal. Nach dieser Aufbauphase und mit dem Erreichen der Produktionskraft nahm der Anteil der Kreolen an der Sklavenbevölkerung langsam zu und die Kluft zwischen Mortalität und Fertilität und zwischen der Anzahl männlicher und weiblicher Sklaven wurde langsam geringer, was mit den steigenden Sklavenpreisen am Ende des 18. Jahrhunderts und schließlich der Abolition des Sklavenhandels durch die Briten (1807) zunehmend im Interesse der Plantagenbesitzer lag, die in der Regel nicht in Jamaika lebten, sondern als ›absentee landowners‹ mit der ›Westindian Interest‹ eine einflußreiche Lobby in Großbritannien bildeten. Zurück blieben die schlecht bezahlten und mit der Betriebsführung beauftragten weißen Angestellten, die für ihre Brutalität und Inkompetenz von den Abolitionisten, aber auch von vielen Plantagenbesitzer kritisiert wurden, die mit dem Verbot des transatlantischen Sklavenhandels und dem Widerstand der Sklaven, den sie angesichts der Sklavenrevolution in St.-Domingue/Haiti mehr denn je fürchteten, die Zukunft und Rentabilität ihrer Besitzungen in Gefahr sahen. Die sich verändernden Faktoren verlangten nach politischen Maßnahmen, die in die Formierung lokaler Staatlichkeit und verschiedener moderner Institutionen mündeten, ebenso wie nach natürlichem Bevölkerungswachstum, einer geregelten Betriebsführung, technischen Verbesserungen und der Ausbildung von Sklaven für qualifizierte Arbeiten.

Eine enorme Flexibilität des Plantagensystems zeigte sich jedoch vor allem in der Frage der Lebensmittelversorgung. Bereits in den 1720ern verfügte die Mehrheit der Sklaven über eigene Hausgärten (kitchen garden) und Versorgungsfelder (provision ground), die sie über Generationen in Besitz behielten, da sie vererbbar waren, obwohl Sklaven offiziell gar kein Eigentum haben konnten. Die Bereitstellung von Boden für die Sklaven, die 1792 in den ›Consolidated Slave Acts of Jamaica‹ schließlich gesetzlich vorgeschrieben wurde, hatte Vorteile für Sklaven und ihre Herren: Die Sklaven konnten sich ihre Nahrungsversorgung sichern und teilweise sogar Überschüsse produzieren, die Herren hatten dagegen ein kosten- und planungsintensives Problem weniger und konnten mit der Bereitstellung von Boden zudem Fluchten vorbeugen. Normalerweise, d.h. außerhalb der Erntezeit, standen den Sklaven der Sonntag und z.T. der Samstagnachmittag zur freien Verfügung. Zu Beginn des 19. Jahrhunderts wurden den Sklaven alternative Samstage zugestanden, sog. ›Negro days‹, an denen die Sklaven sich um die Bewirtschaftung ihrer Felder kümmern konnten, die, am Rande der Plantage gelegen, zumeist nicht besonders fruchtbar und schwerer zu kultivieren waren. Trotzdem gelang es den Sklaven, vor allem durch die Arbeitsteilung innerhalb von Sklavenfamilien und -haushalten sogar Überschüsse zu erwirtschaften, wobei diese ›domestic groups‹ oftmals nicht an reale Verwandtschaftsverhältnisse gebunden waren und mehrere Haushalte umfassen konnten. 1832 machte der Lebensmittelanbau der Sklaven auf Jamaika, der zunehmend auch die Grundlage für die Ernährung der Freien vor allem in den Städten geworden war, 27% der gesamten landwirtschaftlichen Produktion aus. Einige Sklaven konnten auch Kleinvieh und sogar Rinder in Gemeinschaftsbesitz halten. Es muß jedoch auch erwähnt werden, daß nicht alle Sklaven an dieser internen Ökonomie partizipierten und auch die Größe der Felder z.T. stark variierte.

11.04.2015

Otobong Nkanga: Shaping Memory



Otobong Nkanga
Shaping Memory, 2012-2014
Lambda print
Image : 120 x 90 cm (136 x 105 cm encadré)
Edition de 5 ex + 2 AP