Posts mit dem Label albert eckhout werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label albert eckhout werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

29.01.2018

Nederland was voor even de grootste slavenhandelaar ter wereld


De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode uit de geschiedenis. Minder bekend is dat Nederland toen ook een grote ronselaar van werkkrachten voor Braziliaanse plantages was. Sterker nog: een tijdlang was het ’s werelds grootste handelaar in slaafgemaakten.


Karwan Fatah-Black


'View of Olinda' door de Haarlemse schilder Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1662.

De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode van Nederland. Maar wist je dat de Republiek der Verenigde Nederlanden De Republiek der Verenigde Nederlanden was tussen 1588 en 1795 een statenbond met trekken van een defensieverbond en een douane-unie. Ze besloeg grotendeels het grondgebied van het huidige Nederland. Wikipedia Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in grofweg diezelfde periode verantwoordelijk was voor 5 procent van alle handel in slaafgemaakten naar de Amerika’s?

Sterker nog: wist je dat Nederland tussen 1650 en 1675 de grootste handelaar in slaafgemaakten tussen West-Afrika en Zuid-Amerikaanse plantages was?





Tegenwoordig herinneren we ons in Nederland de zeventiende eeuw maar zelden als een periode van koloniale expansie. De aandacht gaat liever uit naar schilders, bestuurders en enkele zeehelden.

Als we het wel over de trans-Atlantische slavernij hebben, vertellen we onszelf graag dat Nederland hooguit de grootste van de kleintjes was, in een misdaad waarin iedereen deelde. De Britten, Fransen, Spanjaarden en niet te vergeten de tussenhandelaren en koninkrijken op de West-Afrikaanse kust speelden een veel grotere rol.

Dat verhaal is misschien geruststellend. Er is niets uniek gewelddadigs of racistisch aan wat onze voorgangers overzee uitspookten, denk je dan.

Internationaal denken historici daar toch een beetje anders over. De Nederlanders van de Gouden Eeuw waren niet alleen gewiekste tussenhandelaren, maar ze waren ook ontzagwekkend efficiënt als het ging om het organiseren van geweld overzee en het ronselen van (al dan niet vrije) werkkrachten. Historici spreken daarom zowel van een ‘Dutch primacy in world trade’ als van een ‘Dutch moment’ in de geschiedenis van het Atlantisch gebied. En dat zijn geen complimenten.

De verovering van overzeese gebieden in het Atlantisch gebied was een fundamenteel onderdeel van de internationale politiek van de Republiek. Het ‘Dutch moment’ was er een van handel, geweld en van slavernij. En doordat de West-Indische Compagnie (WIC) zich inliet met het verschepen van slaafgemaakten van West-Afrika naar plantages in ‘Brasiel,’ heeft Nederland een grote rol gespeeld in de vorming van wat nu Brazilië heet.




Braziliaans landschap met een arbeidershuis. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.


Wat Nederland in Brazilië deed

Het is misschien wel de onbekendste kolonie van Nederland: Brazilië. Nederland veroverde er de eerste plantagegebieden tijdens de slotakte van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Na een eerste aanval in 1624 drongen tussen 1630 en 1654 de troepen van de WIC diep door in de Portugese overzeese delen van het Habsburgse rijk. Dit rijk bestond uit zowel Spanje als Portugal, die destijds samen de Iberische Unie vormden. Portugese forten op de Afrikaanse kust en plantagegebieden in Brazilië werden door Nederlanders veroverd.

En daar werd zeker niet alleen gevochten en geplunderd. De forten in Afrika werden door de WIC gebruikt om mensen in te kopen om deze vervolgens op plantages in Brazilië te werk te stellen voor onder meer suikerproductie.

De Nederlandse activiteiten in Brazilië waren niet altijd zo onbekend. Sterker nog, in die tijd waren ze het gesprek van de dag. ‘Brazilië’ was zelfs ‘een van de meestbesproken nieuwsonderwerpen van de Nederlandse Gouden Eeuw.’

Brazilië sprak destijds erg tot de verbeelding van de zeventiende-eeuwse Nederlanders. Lang voor de eerste aanval waren boeken beschikbaar geweest die repten over het land met exotische dieren en zo mogelijk nog exotischere mensen, en nu was het in handen van de heldhaftige republiek, zo dacht men.




Braziliaanse granen, vruchten, groenten en pinda’s. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 17e eeuw.


De eerste ronde: Nederland verplaatste zijn oorlog met Spanje naar de Amerika’s

De eerste aanval op Brazilië in 1624 was onderdeel van de Nederlandse oorlogsstrategie tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het plan was niet mals geweest. De WIC stelde ‘dat men de koning van Spanje […] van zijn jaarlijkse inkomsten behoorde af te snijden.’ Daarnaast was het plan om het strijdtoneel tussen de lage landen en Spanje te verplaatsen naar het wereldtoneel.

Het was op hun beurt de Spanjaarden niet ontgaan dat de opstandige Nederlandse provincies het op hun overzeese rijk hadden voorzien. De aanval van de Nederlanders in de Braziliaanse Allerheiligenbaai in 1624 provoceerde dan ook een grootscheepse Spaanse reddingsactie. Spanje stuurde 56 schepen en ruim twaalfduizend manschappen de oceaan over. Geen enkele trans-Atlantische troepenverplaatsing was groter geweest dan wat er op gang kwam om Brazilië voor de Habsburgers te behouden. Het is dan ook niet helemaal verwonderlijk dat Nederland snel de eerste veroveringen kwijtraakte.

Dat we dit uit ons collectieve geheugen hebben gewist, komt misschien wel door de nederlaag die snel op het eerste succes volgde. Maar dan nog is het niet terecht dat ‘Brazilië’ een verzwegen geschiedenis is geworden.
De tweede ronde: Nederland ging zich met handel in slaafgemaakten bezighouden

De tweede ronde van Nederlandse veroveringen in Brazilië begon in 1630 en was succesvoller. Het grotere plan van de WIC was om zowel plantagegebieden alsook forten in Afrika te veroveren. De bedoeling: greep krijgen op de handel in slaafgemaakten en de suikerproductie.




De suikerfabriek en de plantage van Engenho Real. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.



Dat de WIC zich begon in te laten met slavernij is eigenlijk verbazingwekkend. Het was alsof in een volledig op groene energie gebaseerde economie een groep ondernemers plotseling met het voorstel komt om een kolencentrale te openen. Ga maar na: in de steden van de Republiek was al in de middeleeuwen de slavernij afgeschaft. Een stad als Amsterdam was er bijvoorbeeld bijzonder trots op dat er binnen haar grenzen geen slavernij was.

En in de Lage Landen beschouwde men het eigen grondgebied in die tijd niet alleen als slaafvrije zone, men zag zichzelf zelfs als antislavernij: een slaaf die bijvoorbeeld naar Antwerpen of Amsterdam vluchtte, mocht zich beschermd weten tegen uitlevering. Iedereen was binnen die muren vrij.
Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen

Slavernij was, kortom, een achterhaalde en barbaarse activiteit, vonden veel mensen in Nederland. Het houden van slaven en het tot slaaf maken van krijgsgevangen werd destijds meer geassocieerd met de Osmaanse koninkrijken, met name op de kust van Algerije en Marokko waar Europese zeelieden werden gegijzeld.

Dat Spanje en Portugal zich inlieten met het tot slaaf maken van de inheemse bevolking van Amerika werd gezien als een katholieke dwaling, en niet als een activiteit waarmee de Republiek zich wilde inlaten.

Toch ging de WIC er nu zelf toe over deals te sluiten met koningen en tussenhandelaren in West-Afrika om mensen te leveren. De dienaren van de WIC sloten deze gevangenen op in de Nederlandse forten om ze vervolgens op zeilschepen naar Brazilië te vervoeren.

Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen.

Het vervoer van de tot slaaf gemaakte Afrikanen ging onder erbarmelijke omstandigheden. Vastgeketend en opeengepakt zat men enkele maanden gevangen op weg naar een onbekende bestemming. Velen overleefden door uitputting en ziekten de reis niet. De bemanning paste wrede onderdrukkingsmethodes toe om de controle over de gevangenen te houden.




Links: een Afrikaanse man. Rechts: een Afrikaanse vrouw met kind. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Hoe slavernij toch werd goedgepraat

Hoewel er altijd tegenstanders van de slavernij bleven bestaan, kozen de meeste bestuurders ervoor om de slavernij overzee te vergoelijken. Voorstanders gebruikten meestal twee argumenten.

Allereerst was slavernij volgens hen te verkiezen boven het doden van vijanden. Zo konden in een rechtvaardige oorlog rechtmatig slaven worden gemaakt. Dit argument verdween al snel naar de achtergrond, omdat dat niet was wat de WIC in Angola en Brazilië deed.

Het tweede argument werd dat Afrikanen de nazaten waren van Noahs vervloekte zoon Cham, wiens nazaten volgens de vloek gedoemd waren om ‘slaven van slaven’ te zijn. Deze lezing van het verhaal gaat er van uit dat Cham en zijn nakomelingen een donkere huidskleur hadden.

Het was een theologische innovatie die voorafgaand aan de bemoeienissen in de Atlantische wereld niet had bestaan, maar die nu als schaamlap voor een nog altijd verwerpelijk geachte activiteit werd gehangen.




Een Braziliaans landschap. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650.


Zo werd de WIC verantwoordelijk voor de helft van de slaventransporten

Brazilië bleef uiteindelijk niet lang in Nederlandse handen. De Portugezen vochten terug en heroverden de plantages en steden een voor een. Met de verovering van de stad Recife door de Portugezen eindigde in 1654 de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië. De kolonie ging verloren. Dat betekende echter niet het einde van de Nederlandse invloed.
Wat de Nederlanders hadden geleerd in Brazilië pasten ze nu toe in de rest van de Atlantische wereld

Sterker nog: na de definitieve Nederlandse nederlaag in 1654 transformeerde het land van oorlogsmachine tot een succesvol tussenhandelaar in slaafgemaakten. De eerdere schroom was volledig verdwenen.

Wat ze hadden geleerd in Brazilië werd nu toegepast in de rest van de Atlantische wereld. Zo werden Nederlandse slavenschepen tussen 1650 en 1675 verantwoordelijk voor maar liefst de helft van alle slaventransporten over de Atlantische oceaan.

Deze transporten gingen niet langer naar Brazilië, maar in plaats daarvan naar Curaçao en vervolgens verder naar de Spaanse koloniën in Zuid- en Midden-Amerika. Ook leverde men aan de nieuwe suikerplantages op het Engelse Barbados. Nederlandse ondernemers en bestuurders maakten in een cruciale fase van de geschiedenis het Britse en Franse rijk verslaafd aan suiker, plantages en slavenarbeid.


Aantal getransporteerde slaafgemaakten Tussen 1650 en 1675 over de Atlantische Oceaan N




Van Brazilië naar Suriname

Het verlies van Brazilië was in eerste instantie een traumatische gebeurtenis voor Nederland. Het maakte pijnlijk duidelijk hoe verdeeld de provincies in de Republiek der Verenigde Nederlanden onderling eigenlijk waren. De Zeeuwen wilden graag doorvechten, maar het berekenende Amsterdam kreeg haar zin. Het verlies werd genomen en de militaire versterking voor de door Portugezen belegerde WIC-troepen in Recife kwam er niet.

In Amsterdam wilde men zo snel mogelijk de schande van de nederlaag vergeten. Men ging zich bezighouden met een (niet lang daarna eveneens mislukte) kolonie in de Delaware en tussenhandel in de Atlantische wereld.

De Zeeuwen zinden nog wel op een revanche. Pleidooien voor een herovering waren tevergeefs, dus begon men te zoeken naar een ‘Tweede Brazilië.’

Eerst dachten Zeeuwse bestuurders dit op Tobago gevonden te hebben, maar in 1667 herkende men een Engelse kolonie aan de Surinamerivier als kanshebber. Toen de Zeeuwen van Holland geen steun kregen voor hun nieuwe koloniale plannen, veroverden de Zeeuwen op eigen houtje Suriname op de Engelsen.

Suriname werd daadwerkelijk een tweede Brazilië. Vluchtelingen uit Brazilië vonden er een veilig heenkomen om nieuwe plantages op te zetten. De handel in slaafgemaakten werd verder gereguleerd en algauw produceerde de kolonie miljoenen ponden suiker per jaar. De slavernij en suikerproductie werden op Braziliaanse leest geschoeid. Men kopieerde wat men in Brazilië had geleerd.




Links: een Tupiaanse vrouw met een plantage op de achtergrond. Rechts: een Mestiço man (een kind van een Europeaan en een inheemse). Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Waarom we deze geschiedenis niet mogen vergeten

De herinnering aan het Nederlandse slavernijverleden wordt gedragen door Afro-Nederlandse nazaten van slaafgemaakten uit Suriname, Curaçao en de kleinere eilanden. Brazilië is in die herinnering een verborgen verleden. Er herinnert in Nederland maar weinig nog aan de periode die aan de Surinaamse slavernij voorafging.

We hebben de Atlantische geschiedenis van Nederland nodig om ons beeld van de Gouden Eeuw compleet te maken. Het was niet alleen de glorietijd van dynamiek, immigratie, wetenschap, kunst en ondernemerschap. Men vormde zich toen ook een beeld van de wereld buiten Europa, en men leerde het geweld, uitbuiting en toenemende ongelijkheid te vergoelijken. Slavernijgeschiedenis en koloniale geschiedenis vormen geen aparte afdeling van ons verleden, maar zijn er onlosmakelijk onderdeel van.

De Braziliaanse episode verdient het om aan de vergetelheid te worden ontrukt. Brazilië heeft immers een nawerking gehad die niet te onderschatten is.

Nog belangrijker dan dat is de culturele erfenis. Er ontstond een typisch Europees exotisme waarin Braziliaanse natuur en kunstschatten een belangrijke rol spelen, en de associaties van wit met ‘vrij’ en zwart met ‘onvrij’ stammen uit deze tijd. Deze associaties waren in die tijd nog niet zo kwaadaardig als ze tijdens de Verlichting zouden worden, maar we moeten de oorsprong ervan wel naar deze geschiedenis herleiden.

Dit verhaal is geschreven voor de Maand van de Verzwegen Geschiedenis van De Correspondent en The Black Archives. Ga naar de website van The Black Archives.



Met dank aan Correspondentlid en geschiedenisdocent Marijn Luijten voor het nalopen van de geschiedenisboeken.

29.03.2016

Seventeenth-Century Dutch


http://www.hnanews.org/archive/2009/04/brienen.html
Rebecca Parker Brienen, Visions of Savage Paradise: Albert Eckhout, Court Painter in Colonial Dutch Brazil. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2006. 288 pp, 17 color, 72 b&w illus. ISBN 978-90-5356-947-4 and 978-90-5356-947-2.

Julie Berger Hochstrasser, Still Life and Trade in the Dutch Golden Age. New Haven and London: Yale University Press, 2007. 320 pp, 69 color, 97 b&w illus. ISBN 978-0-300-10038-9.

Rebecca Parker Brienen's Visions of Savage Paradise: Albert Eckhout, Court Painter in Colonial Dutch Braziland Julie Berger Hochstrasser's Still Life and Trade in the Dutch Golden Age are, in some ways, two sides of the same coin: they examine effects – the visual documentation – of exotic travel and exploration by the Dutch in the seventeenth century. Hochstrasser examines the impact of the Dutch East India Company (VOC from the Dutch initials) trading with India, Indonesia and China, and the Dutch West India Company (WIC) in the Americas, largely in terms of items that were brought back to Europe (sugar, tea, tobacco, etc.) and their subsequent appearance in paintings. Brienen concentrates on the artist Albert Eckhout in Brazil and the role of the West India Company there. (Indeed, Hochstrasser also includes a discussion on Eckhout within the more lengthy discussion of the Dutch Brazilian colony.)

We get a glimpse of the exotic from the very beginning of Brienen's Introduction, in which she proposes that we imagine Eckhout's arrival with the artist Frans Post and the colony's new governor, Johan Maurits in Recife, Brazil, in 1637, and those who may have come to greet the ship: merchants, employees of the WIC, "Portuguese planters, members of the Jewish Community, African slaves, free people of mixed ethnic background and representatives of local indigenous groups" – with squawking flocks of green parrots flying overhead and in view of passion flowers and papayas. The color, sounds and wonders of this world even today, more than 450 years later, are still exotic. Although Brienen's focus is Eckhout, she provides a larger context for this western artist's life and predecessors in Brazil and fields the issue of his "ethnographic art."

Brienen's book should also be considered with the 2004 exhibition catalogue, Albert Eckhout, A Dutch Artist in Brazil (ed. Quentin Buvelot), for the exhibition at the Mauritshuis, The Hague, which covers much the same material and acknowledges Brienen's previous work. The larger format of that catalogue and its many larger and detailed illustrations make it more accessible – but it cannot replace Brienen's book. They cover much the same material but do not entirely agree (the artist's birth year, in fact, is a contentious point – Brienen thinks c. 1607, not c. 1610), and the focus in the exhibition (despite its title) is really on the patron and the WIC.

Brienen discusses possible explanations for Eckhout's extraordinary paintings and the possibility of a pictorial cycle – including eight "ethnographic life-size paintings for a 'princely chamber' for Vrijburg Palace." Later, these and other works (26 in all) would be a gift of the Count Johan Maurits to his cousin Frederick III of Denmark for his kunstkamer (and they remain in Copenhagen today). Other works also went to Louis XIV of France and the Elector of Brandenburg. The wonder of the Brazilian world – its people, flora, vegetation – created a universal desire and one that Maurits could barter for money and title.

Africans and multi-ethnic Brasilianen, Tapuyas and Tupinamba peoples and those called Mulattos and Mameluca of the New World are the subject of Eckhout's stunning life-size paintings. To what degree should we hold Eckhout accountable for a realistic portrait of them? And are these men and women slaves or free? Are they even "noble free" people? The role of African slaves in Brazil and labor for the WIC is integral to her study – as it is critical, with a different slant, for Hochstrasser. But as Brienen points out – and Hochstrasser stresses – this Dutch colony could not have successfully existed without slavery. Over 60,000 African slaves were reportedly laboring in the Dutch-occupied Pernambuco (Brazil) by mid-century. The Dutch Court and the WIC did much to cement relations with the Congo and Angola to assure West African slave trade. From 1634 onwards, the WIC was actively involved in the importation of slaves into the Americas.

This information is also critical to Hochstrasser's theme from the beginning. As commodities (lavishly illustrated) are her central concentration (with chapters on the VOC and the WIC) her subheadings are: cheese, herring, beer (local); grain, lemons (also oranges – via Europe); pepper, porcelain, tea (via VOC); and salt, tobacco, sugar (via WIC). We should not be surprised to see that the subheading slaves as a commodity (via WIC), was a necessary one. In each case, Hochstrasser uses Dutch (and Flemish) still-life painting to show how and when the commodities appeared through trade. In the midst of Chinese porcelain and Turkish carpets, the use of black Africans in painting is likened to the display of a commodity as part of "riches from abroad." She unequivocally states that everyone who even invested in the WIC was involved in the slave trade. One cannot separate one aspect of it from another. The slave trade is not just apparent in the presence of Africans in paintings, but in the presence of other commodities that were only available as a result of slave labor.

Hochstrasser investigates the commodities in depth – as they are seen, as they were traded, where they came from, their mention in diaries, diets, documents, poems, prints, and their relation to Spanish, Portuguese, and English traders' ships. Not only will one not look at still-life the same way – one will not even look at salt the same way! And certainly not sugar (and the spun-sugar sweets in still-life painting), since often it was the sugar production that was the reason for the grueling life of plantation slave labor in Brazil. Although the Dutch did not begin the slave trade, by the 1630s they were well into it. The wealth of the Golden Age, all set before us in pronkstilleven, could not have been available without it.

With Hochstrasser's unraveling of the still lifes and their sources and Brienen's analysis of the role of Eckhout and the WIC in Brazil, we can no longer look at these works and only write about composition. Their work challenges us to change ours.

Frima Fox Hofrichter
Pratt Institute