11.10.2010

P.J. BENOIT, VOYAGE A SURINAM, 1839

e missie, een huishoudster van een blanke met haar kind, met een slavin die haar parasol draagt en een slavin die de kerkboekjes en het sleutelmandje draagt. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 25.

 Een jonge slavin met een boeket, een missie of huishoudster in vol ornaat en een oude missie
 De slavin in het midden draagt een rok met verschillende omslagdoeken. Het was de gewoonte om het bovenlichaam onbedekt te laten. De missie, huishoudster van een blanke, heeft een hogere status, hoewel zij zelf ook slavin is. Uitdagend toont ze haar rijkere kleding. De oude missie rechts heeft haar beste tijd gehad en gaat eenvoudiger gekleed. Benoit is een van eerste tekenaars die het onderscheid tussen de posities van de slaven onderling zichtbaar maakt.Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 26.




Een bosnegervrouw draagt gewoonlijk alleen een pangi, paantje en soms een schouderdoek of jakje. Deze vrouw is in groot toilet, bijvoorbeeld om bezoekers te ontvangen. Ze is gekleed in een geplooide rok, een jak en omslagdoek en hoofddoek en versierd met armbanden, kettingen en oorringen.
Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 97.
De kleding van negerinnen in Suriname bestond uit een wijde rok, een jak en een omslagdoek. De mannen droegen, wanneer zij uitgingen, een pak en hoed. Chiquer dan het dragen van een hoofddoek was het dragen van een strohoed op de hoofddoek. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 10.

Drie koopvrouwen met een blad met artikelen op hun hoofd. De vrouwen dragen een wijde rok en kleurige omslagdoeken. De rechter verkoopster is een karboegerin, dochter van een mulat en een neger-ouder. De verschillende benamingen voor de gradaties in huidskleur geven aan hoe belangrijk kleur was in de Surinaamse maatschappij. Op de achtergrond gebakverkoopstertjes.
Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 18.

 Nadat de Oranjetuin, het latere Kerkplein, in 1800 gesloten werd voor begrafenissen, begroef men de doden in de Nieuwe Oranjetuin aan de rand van de stad. De rouwkleuren zijn zwart en wit. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 17.
In de Gravenstraat ligt het militair en burgerhospitaal, dat gebouwd werd door gouverneur Crommelin in 1758 of 1760. Dit houten gebouw is breed en ruim. Het bezit mooie en geriefelijke kamers voor de patiënten. Het heeft een goede apotheek en word geleid door bekwame artsen en chirurgen. De zieken die naar het hospitaal worden gebracht worden door negers gedragen in een soort kist afgeschermd met zeildoek (draagkoets), aldus Benoit. Op de voorgrond negerinnen en creoolse slaven in vol ornaat. Aan het feit dat zij op blote voeten lopen is te zien dat zij slaven zijn; het was slaven verboden om schoenen te dragen. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 15.

Op kleine schaal houdt men in Suriname koeien voor de melkproductie. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 66.

Met taki-taki bedoelt Benoit roddel en geklets. De officiële taal in Suriname is het Nederlands. De meest gesproken taal is het Sranantongo, vroeger het Negerengels genoemd. Veel Sranan woorden zijn afkomstig uit het Engels. Klank, woordvorming en zinsbouw gaan terug op Afrikaanse talen. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 35.

Deze negerinnen zitten en staan uitgebreid te kletsen, terwijl een van de vrouwen haar kind zoogt. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 88.

Prachtig gekleed zijn deze slavinnen op weg naar een du, een dansspel, dat een of enkele malen per jaar plaatsvond. Voor zo'n feest doste men zich zo mooi en zo rijk mogelijk uit.
Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 40.

Vier vrouwen met koopwaar op hun hoofd: vis, melk, groente, enzovoort. De vrouwen op de voorgrond dragen een eenvoudige pangi als rok. Het was de gewoonte om het bovenlichaam onbedekt te laten. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 22.

De slavin die tot de Calvinistische gemeente behoort, links, draagt een stijf geplooide rok, een jak met lange mouwen en een omslagdoek. De slavin van de Moravische broedergemeente Hernhutters) naast haar draagt een wijde rok en een lijfje dat op de rug laag is uitgesneden, de joodse slavin draagt een wijd jak en de Lutherse (rechts) draagt een grote omslagdoek. In het midden een jonge christelijke creoolse slavin zoals zij eruit ziet op Palmzondag. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 20.

In de vette-warier, "bazaar', links, vindt men allerlei soorten koopwaar. Op dezelfde plank ziet men Hollandse kaas, een stuk mousseline, een ham uit Bayonne en een pot haarcreme, een pruik en kinderspeelgoed, volgens Benoit. Twee Arowakse vrouwen bekijken een sieraad. In het kleermakersateliers ernaast zitten twee slaven te naaien terwijl een neger zich de maat laat nemen voor een pak. De man blijft in de deuropening staan zodat voorbijgangers kunnen zien dat hij zich de luxe van een pak kan veroorloven. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 32.





Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen