Posts mit dem Label winti werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label winti werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

18.01.2016

Bakabusi Nengre / Banya




Met Bakabusi Nengre werden gemeenschappen aangeduid van ontsnapte slaven en hun afstammelingen in Suriname; later werden deze aangeduid met de term Marrons.

Hieronder de geschiedenis van een zo een nederzetting.
Banya
In het plaatsje Rac a rac, gelegen aan de Surinamerivier ongeveer 40 km van Paramaribo, werd de 'banya' gedanst, een typisch Afrikaanse dans. Er werd gezongen en de drums waren van veraf te horen. Met de slagen van de drums werden bepaalde boodschappen uitgewisseld. Tijdens een 'winti-prei', een rituele dans ter ere van de goden, werden verschillende 'winti's' opgeroepen, zoals de 'kromanti's', apuku's, busi ingi's en Papa Gadu'. De negers raakten in extase en spraken af tussen drie en vier uur te vluchten. Volgens de archieven vond dit voorval plaats in 1882 maar de familie, de creoolse nakomelingen van deze groep, denkt dat het veel later is gebeurd.


Twee families[
De twee families vluchtten het bos in en vestigden zich in het plaatsje Roorak, aan de rivier de Suriname, dicht bij het bauxietstadje Paranam. Kort na de afschaffing van de slavernij (1863), woonden daar nog zo'n tweehonderd weggelopen slaven, in de volksmond 'bakabusi-negre' (negers die achter het bos wonen) genoemd. De twee belangrijkste families waren toen Landfeld en Babel. De plantage-eigenaren probeerden 'hun bezit' terug te krijgen en vielen het kamp aan. Het kamp stond onder leiding van de broers Broos (41) en Kaliko (28).
Ma Uwa en Ma Ambe
De eerste vrouwen van het 'kamp Broos en Kaliko' waren Ma Uwa en haar dochter Ma Ambe, respectievelijk de moeder en de zuster van Broos en Kaliko. Zij waren nog meisjes toen zij in Suriname arriveerden. Hoe de meisjes in handen van de slavenhandelaren terechtkwamen is niet bekend, maar over de reis naar Suriname wist Ma Uwa dat zij geboeid lag op het onderdek van het slavenschip, waar zich nog twee of drie broers en een zus bevonden. In Suriname werden zij aan verschillende plantage-eigenaren verkocht.
Obia's
Destijds had deze Afro-Surinaamse familie, en Ma Uwa en Ma Amba een behoorlijke kennis van geneeskrachtige kruiden, natuurvolk als zij waren. Zij maakten obia's, magische middelen, van lowisa-wiwiri, lowisa-bladeren. Met deze obia's waren de slaven in staat de manschappen van de Nederlanders al op behoorlijke afstand te horen aankomen. Ma Uwa maakte een amulet voor de slaven en als zij die droegen waren zij 'immuun voor de kogels van de blanken'. Tot nu toe gebruiken de bosnegers een dergelijke amulet van ijzer om hun arm.
Na de slavernij
Ma Uma haalde de afschaffing van de slavernij niet. Volgens de verhalen van de bosnegers is zij na haar dood teruggevlogen naar Afrika. Haar dochter Ma Amba, heeft tot enkele jaren na de slavernij nog geleefd. Haar zus kon niet mee terug gaan omdat ze volgens de vertellingen zout had gegeten. Daardoor kon ze niet opstijgen.
Uit deze verhalen blijkt dat al tijdens de slavenperiode sprake was van een behoorlijke sociale structuur onder de negers. Via mondelinge overlevering hebben de nazaten de geschiedenis van de familie tot op de dag van vandaag levend gehouden. Er bestaat ook een stamboom van de familie Landveld. De historie van deze familie kan als model dienen voor alle creoolse families in Suriname.
Literatuur
Wim Hoogbergen, Het kamp van Broos en Kaliko: de geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie. Amsterdam: Prometheus, 1996.

14.08.2015

Obeah

Pierre Jacques Benoit, Voyage a Surinam . . . cent dessins pris sur nature par l'auteur (Bruxelles, 1839), plate xvii, fig.36. (Copy in the John Carter Brown Library at Brown University)
Using her spiritual powers, a healer is helping to cure a child who is not present. After engaging in certain ritualistic behaviors, she gives the mother, who stands before her, a herbal decoction, made in the pot in front of her; the mother is told to drink the decoction several times and then is given some herbs which she is to give her child. These healers, "who are regarded as oracles by the Negroes," are usually older black women who are called “Mama Snekie, Mother of Serpents, or Water Mama.” The author observed one of these women at work, and describes (p. 26) the scene he witnessed, including the furnishings of her house. Although his description is relatively brief and sparse in ethnographic detail, it nonetheless represents a rather unique first-hand account of an African-type spiritual practitioner (what might have been called an obeah practitioner in the British Caribbean) at an early date. Benoit (1782-1854), a Belgian artist, visited Suriname around 1831 and apparently stayed for several months. The 100 lithographs in his book (hand colored in the John Carter Brown copy), accompanied by textual descriptions of varying detail, are derived from drawings he made during his visit, which included time in Paramaribo, the capital, as well as trips into the interior visiting Maroons and Amerindians. Forty of his lithographs, with our translations from the French text, are shown on this website.


Obeah (auch Obi) ist eine auf den Westindischen Inseln gebräuchliche Bezeichnung für Praktiken und Lebensvorgängen, die nach naturreligiösen Vorstellungen zugeordnet werden. Die Vokabel "Obeah" entstammt vermutlich dem Igbo (Nigeria) und wird vor allem benutzt in Bezug auf volkstümliche Zauberbräuche und -riten, sowie allgemein zur Beschreibung von in der westindischen Inselwelt üblichen religiösen Praktiken afrikanischer Herkunft.
Die Inhalte und Praktiken des Obeah-Glaubens wurden von den in den Jahrhunderten der Sklaverei in die Kolonien auf den Westindischen Inseln verschleppten Schwarzafrikanern mitgebracht und an ihre Nachkommen tradiert. Die Herkunft und Überlieferungsweise von Obeah ist damit denen anderer Vorstellungen der ostamerikanischen Inselwelt wie Voodoo, Hoodoo oder Palo identisch.
Mithin ist Obeah in nahezu allen karibischen Staaten, sowie in einigen Gebieten Mittel und des nördlichen Südamerikas verbreitet. Anzutreffen ist die Praxis des Obeah unter anderem in Jamaika, den Jungferninseln, Trinidad, Tobago, Guyana, Belize, den Bahamas, St. Vincent und Barbados.
Obeah existiert in diversen Ausprägungen die meist synkretistischer Natur sind: Einige vermengen afrikanisches Brauchtum und schwarzafrikanische Kulthandlungen mit christlichen Glaubenselementen, andere vermischen Obeah mit hinduistischen Elementen.
Als Obeah-Männer werden die religiösen Adepten beziehungsweise Führer des Obeahs bezeichnet.