Op deze pagina willen we u graag een beeld geven van het voedsel dat in de 17e-, 18e- en 19e eeuw in Suriname genuttigd werd. Wat aten plantage-directeuren zoal? En wat voor voedsel schotelden ze hun slaven voor? Aan de hand van contemporaine authentieke teksten proberen we daar iets over te weten te komen.
STEDMAN, JOHN GABRIEL. Reize naar Suriname en door de binnenste gedeelten van Guiana. Opnieuw uitgegeven naar de oorspronkelijke editie Amsterdam, 1799-1800.
De eerste editie van dit belangrijke historisch document werd in Londen in 1796 gepubliceerd. Stedman was officier in de Schotse Brigade. Zijn moeder was Nederlands, zijn vader Schots. Stedman nam deel aan de strijd tegen de van de plantages weggevluchte slaven. Tussen 1772 en 1777 leefde hij in de kolonie Suriname. Na zijn terugkeer in Engeland schreef hij op basis van zijn nauwkeurige dagboek aantekeningen dit boek dat een storm van protest deed opwaaien in Europa. Vooral door zijn beschrijving van de brute behandeling van slaven en de morele pervesies van de slaafhouders. Dit boek werd in vele talen vertaald en geld als een van de betrouwbaarste beschrijvingen van het leven in het 18e eeuwse leven in Suriname. Het contrast tussen het voedsel van de slaven en de slavenhouders is enorm. Stedman schrijft over de culinaire- en andere geneugten van de planters:
“Indien de Planter, op deezen dag, zyne Plantagie niet verlaat, ontbyt hy ten tien uuren; en om deeze maaltyd te nemen, zit hy aan eene tafel, in eene groote zaal geplaatst, en waar op hammen, gerookte tongen, gevogelte, of gekookte duiven, plantains, zoete cassave, brood, boter, kaas, enz. gevonden worden. Zyn drank is in dit oogenblik of zwaar bier, of Madéra-, Champagne- of Moeselwyn. Zyn opzichter houdt hem gezelschap, zig echter op hem eenen bekwamen afstand plaatsende, en beiden worden zy bediend door de schoonste en wel gemaaktste slaven. – Zie daar, hetgeen deeze heren ontbyten noemen. Wanneer deze maaltijd geëindigd is, neemt de Planter een boek; hy speelt op het schaakspel, of op de billard, of op enig speeltuig; tot dat de hitte van den dag hem noodzaakt, om in zyne hangmat te gaan leggen., om daar zyn middagslaap te nemen, welken hy evenmin kan nalaten, als een Spanjaard zyne siesta of uur van rust. Hij wendt en keert zig in dit zoort van bed, tot dat hy in een diepen slaap gevallen is, en gedurende zynen slaap houden zig twee van zyne Negers bezig om tot zyne verkoeling met een waaijer te waaijen.

Tegen drie uuren word hy van zelf wakker: na zig gewasschen en geparfumeerd te hebben, gaat hy wederom aan tafel zitten, om met zynen Opzichter het middagmaal te houden; en zy worden, even als by het ontbyt, door dezelfde slaven bediend. Niets van al het geen het jaargetyde kan opleveren van gewoon vleesch, gevogelte, wildt, visschen, groenten en vruchten, ontbreekt op deeze maaltyd: de uitgelezendste wynen worden er in overvloed geschonken; en eindigt met eene groote kop zeer sterke koffy, en eenige glazen liqueur. Ten zes uuren koomt de Opzichter wederom als des morgens, door beulen en gevangen gevolgd wordende. De strafoefeningen beginnen wederom geduurende eenigen tyd, en na dat de eigenaar zyne beveelen voor het werk van den volgenden dag gegeven heeft, zendt hy de vergadering weg, en brengt zynen avond door met ligte punch, of sangary te drinken, op de kaart te spelen, of te rooken. Myn heer begint gewoonlijk de aannadering van den slaap tegen tien of elf uuren te gevoelen; dan doet hy zich door zyne kamerdienaars ontkleeden; hy gaat vervolgens in zyne hangmat leggen, alwaar hy met de eene of andere van zyne beminden, want hy heeft altyd zyne stoet van vrouwlieden, den nacht doorbrengt. Den volgenden dag, verschynt hy op nieuw onder zyne gaandery, op hetzelfde uur als daags te vooren; hy vindt aldaar wederom zyne pyp en koffy, en met het opkomen van de zon hervat hy zyne genietingen en uitspanningen. Hy is een Vorst in ‘t klein, zoo verachtelyk, zoo eigenzinnig, zoo willekeurig heerschende, als er een is.”
De hier afgebeelde granman Quacy (Kwasi of Quassie) was behalve plantage-houder ook een alom gerespecteerde ‘kruiden dokter’. Een Zweed die in de 18e eeuw Suriname bezocht nam een kruid dat Quacy gebruikte voor zijn geneeskrachtige werking mee naar Zweden. Daar gaf hij het kruid aan de beroemde Linaeneus die het vervolgens vernoemde naar de ontdekker (ook nu nog bekend als kwasi bita). De Gouverneur en plantage houders consulteerden Quacy regelmatig als het ging om de gewapende strijd tegen de weggevluchte slaven (marrons) en zwarte magie.








