Na de eeuwwisseling (1800) wordt de hoofddoek als onderdeel van de kleding voor het eerst door Von Sack (1810) genoemd. Voigens zijn besehrijving zijn de dames in de stad dol op de versehijning van hun goed geklede slavinnen op de speeiale danspartijen (Baljaar) rond Kerst. Ze kleden zieh dan in het algemeen met mousselinen of fijne ealieo stoffen, het hoofd versierd met een tulband of mousselinen hoofddoek. De sieraden zijn gouden kettingen aan hals en armen.
Dat de dames in Paramaribo erg gesteid zijn op de praehtig uitgedoste slavinnen (welke hun het meest trouw zijn), blijkt uit meerdere bronnen. Dat dit eveneens geldt voor de kleurling-misi vertelt Lammens (die de periode 1816-1822 besehrijft): "De bijzitten der blanke mans of de missis, stellen een groten roem en hovaardij in, hunne vrouwelijke bedienden, met goud en kralen zeer op te sieren, zodat het in het overdrevene gaat, hetgeen, daar die meijsjes veelal welgemaakt zijn, niet ongevallig staat." (Lammens 1982 :81) De persoon die ondermeer hieraan een hele roman gewijd heeft, welke helaas nooit in zijn geheel is versehenen (de hoofdstukken zijn afzonderlijk gepublieeerd als feuilleton in 'De Surinamer' van 1907 en later in het tijdsehrift 'Opbouw', jaargang 1954) is pater H. Rikken. Deze roman 'Ma Kankantrie' speelt zieh af rond 1800 en vertelt ons op een zeer beeldende wijze over slavinnen, sisi, misi, du-partijen en winti, waaruit de lezer tenslotte lering moet trekken.
Uit de roman blijkt onder andere dat de du-verenigingen erg veel heb ben bijgedragen tot het praehtig uitdossen van de slavinnen. Hierbij speelden sommige misi en sisi een zeer grote rol. "De besehermvrouwen van deze Doe's behoorden niet altijd tot de 'Vrijlieden', dat wil zeggen, tot haar, die vrijgegeven 'gemanumitteerd' waren. Ook vele dames uit de meer aanzienlijke stand stelden zieh aan het hoofd van deze verenigingen, daardoor wordt en de grote naijver van deze Doe's onderling en de grote pracht, die bij de uitvoeringen ten toon gespreid werd, beter verklaarbaar. De buitensporige weelde in het houden van slaven, waardoorhet getal slaven 10, 20, ja tot 30 liep, werkte het ontstaan van deze verenigingen maehtig in de hand." (Rikken 1954 :33) De wedijver waaruit de pronkzueht ontstaat blijkt ook uit de volgende woorden: '''Ja', beaamde Lodrika, een sierlijk geklede slavin van 20 jaren, terwijl zij bevallig naderbij kwam. 'Sisi gaat tonen, wat malzij K'Z!Pr(: Misgeene moet en zal de eerste Doe-partij van de stad blijven'." (Rikken 1954 :30) Dat niet alleen de pronkzucht van de slavinnen door de du-partijen wordt aangewakkerd, bevestigt Rikken eveneens, want jaloezie en onderlinge vijandigheid gedijen in deze atmosfeer zeer goed. "Van speIende scherts kwam het weldra over en weer tot uitvallen en verwijtingen z6 scherp en bitter, dat deze Doe's op straffe verboden werden." (Rikken 1954:33) (Zie G.ß. 1828 no. 17 art.20; zie afbeelding 5.)
"Oe hartstocht waarmede men echter aan deze vereniging vasthield, leidde er wederom toe haar onder algemene naam van 'ßaljaarpartijen' vrijheid van handelen te geven, mits zij zich van een schriftelijk verlof der bevoegde autoriteiten voorzagen." (Rikken 1954:33) (Zie G.ß. 1828 no. 17 art. 18, zie afbeelding 5.) Rikken geeft in zijn roman diverse uitgebrei.de beschrijvingen van kleding en sieraden die in de 1ge eeuw gedragen werden. Zoals:"Afrankeer Lodrika was als de heidin van het feest het prachtigst uitgedost. ßehalve onder- en bovenpaantjes en een hemd met kant aan de hals afgezet, droeg zij nog een viertal witte rokken, waarvan de bovenste een brede kanten zo.om had. Daarover droeg zij een wijde rok van kamerdoek met grote ingewerkte bloemen, die on der de armen opgebonden, daarna met een blauw zijden doek boven de heupen, vastgemaakt werd en waarvan de punten van achter afhingen. Verder had zij aan een: 'giepsie bakka jakkie,' een van voren en van achteren diep uitgesneden jakje met wijde mouwen met een paar geplooide linten op de rug en nog twee andere op dezelfde hoogte aan de binnenzijde, ten einde het jakje op de rug te kunnen doen aansluiten.
De brede 'taihede', eveneens van kamerdoek, die door middel van papier een grotere afmeting dan het hoofd verkreeg, was met gekleurde lintjes en strikjes versierd en werd van voren door een grote gouden broche vastgehouden. Aan de hals droeg zij een dubbel snoer bloedkoralen, dat haIverwege het bovenlijf afhing en in een gouden slootje eindigde. In de oren hingen sjato-rienga, gouden oorhangers met bl:wwe steentjes. Aan de polsen, de enkels en onder de knieen droeg zij peeri, amberkleurige glasparelen in rijen van vier en vijf. Een keurig wit zakje met agrement afgezet, en met pailetten en zilverkleurig papier versierd, waarin geld en odeur bewaard werd, droeg zij op de linker-heup. Eindelijk had zij nog een neteldoekse, tappoeskien-panjie, onder een andere van hemelsblauwe zijde, losjes over de linkerschouder geslagen, terwijl zij een met kant omzoomde. battisten zakdoek in de hand hield." (Rikken 1954:44)
Diverse namen van rokken, jakjes, sieraden enz. leert Rikken de lezer kennen, zoals bijvoorbeeld een 'papajatoetoe' (een jakje uitgesneden aan de hals, met nauwe mouwen), een 'kleetiejakkie' (tot a1m de hals gesloten), een 'bomstike jakki' (een klein jakje met nauwe mouwen), 'kriere tere' (korte rokken met een smalle stootkant), 'haute nouveaute' (donkerblauwe linnen - makka - rokken met sierlijke bewerkte opschriften van rood en wit katoenen draad) en diverse andere benamingen. Deze haute nouveaute is een rok die in 'Ma Kankantrie' door enkele toeschouwers en leden van een koor op een wintibijeenkomst wordt gedragen. Eenzelfde type rok is aanwezig in de collectie van het Surinaams Museum onder nummer T 230 (zie afbeelding 6).

Voigens mondeling verkregen informatie is dit een rok die door een wowoyo-edeman op speciale gelegen heden gedragen werd, bijvoorbe~ld bij een ontvangst van marktvrouwen door de gouverneur op het paleis ter gelegenheid van onder andere koninginnedag. In het Tropenmuseum te Amsterdam bevindt zich in de collectie een pop die een zelfde rok draagt. Deze pop draagt bij de rok een gestreept jakje en een angisa gebonden uit drie hoofddoeken.
In de krant 'Het Nieuws' van 2 november 1943 wordt over een zelfde rok gesproken, die ter gelegenheid van het bezoek van Prinses Juliana gedragen werd. "Een merkwaardige rok, gedragen pij een nationale gelegenheid in de vorige eeuw, getuigde van de merkwaardige toewijding en ijver die een vroeger geslaeht zoo kran(i)g wist te voeden. De rok was nl. in kruissteek gemerkt met emblemen en odo's (Negerengelsehe spreekwoorden), een werk, dat vaardigheid en tijd vorderde,. en hier plotseling bepaalde figuren na jaren deed herleven met heel hun omgeving - o.a. de oude Mevrouw C. Sehipperr-Zaalberg, die even vermaard was om dit soort geduldwerk." Alhoewel Rikken over heel wat juiste informatie besehikt, iso het toeh moeilijk om met zekerheid een datering te geven van de door hem besehreven kleedgewoonten. De kleding zoals hij die besehrijft komt sterk overeen met besehrijvingen uit het eind van de 1ge eeuw, de periode waarin Rikken zelf leefde terwijl het verhaal zieh aan het begin van die eeuw afspeelt. Wat wel een goede datering geeft van kleding aan het begin van de 1ge eeuw zijn de diorama's van Gerrit Schouten. In de diverse diorama's die rond 1820 zeer kunstig gemaakt zijn, geeft hij een goed beeld van de kleding die in die 'periode gedragen werd op een danspartij. Dit zouden de du-partijen kunnen zijn waarover Rikken schrijft. Diorama A 6371-c uit de,collectie van het Tropenmuseum (zie afbeelding 7) geeft de kleding van de·danseressen het beste weer. Behalve de drie danseressen zijn aanwezig: 3 muzikanten, 6 toeschouwers en 1 danser. Een van de toeschouwers is gekleed in de 18e eeuwse Europese kleding waarbij eigenlijk een steek hoort die door een zelfde persoon in diorama A 6371-b wel gedragen wordt. Deze figuur in rood kostuum zou de koningfiguur kunnen zijn die Rikken noemt in het hoofdstuk over de du-partij: "Zoals bij alles wat van de blanken door de mindere bevolking wordt nagebootst brak er een schaterlach on der allen uit, toen zij de 'koning' en de 'fiscaal' in hun postsierlijke dracht en met steken op, blootsvoets voor hen heen zagen wandelen. " (Rikken 1954:53) In de du-partij van Rikken danst slechts bij' uitzondering een van de heren; in de partij van Schouten is het waarschijnlijk de apintidrummer op de voorgrond die is opgestaan om te dansen (vergelijk zijn kleding met die van de andere drummer). "Oe 'heren' was echter meer de rol van figuranten dan van acteurs toebedeeld, zodat zij er dan ook spoedig een eind aan maakten." (Rikken 1954:53)
De kleding van de danseressen bestaat uit een rok met daar overheen een pangi, twee van de drie dames dragen een hoofddoek, de derde is blootshoofds. (Oit is ook vaak het geval in andere Panorama's). Laatsgenoemde dame draagt in tegenstelling tot de andere twee geen sjaal. Ook door de sieraden onderseheiden de twee danseressen zieh weer van de derde, zij dragen namelijk meer goud. Interessant zijn ook de stofpatronen. Oe hoofddoeken hebben ruitpatronen. Oe sjaal is in het ene geval rood met een straoimotief, in het andere is het een rode doek met witte en blauwe strepen die tezamen een groot ruitpatroon vormen. Oe rokken en pangi hebben alle versehillende motieven, waarbij tak- en slangvormige motieven veelvuldig voorkomen. Dit slangvormig motief is eveneens aanwezig in de koto en hoofddoek van de koto-misi op afbeelding 8. Rikken zegt hierover: "Twee Karboegerinnen traden nu op, waarvan de ene in sneeki-seesi, rode katoenen kleding met witte strepen als slangetjes en de andere in aboma-seesie, grate bloemen en strepen op een witte ondergrond, gekleed waren." (Rikken 1954:350) Oe danstent is versierd met een hoofddoek, evenwel niet zo uitbundig als Rikken de versiering besehrijft.
Voor wat de informatie over kleding in de eerste helft van de 1ge eeuw betreft zijn naast diorama's de prenten erg belangrijk. In 'Reis door Suriname' van Senoit staan diverse afbeeldingen van slaven, slavinnen en misi van rond 1830. Het betreft kleding van arm tot rijk, van donkergekleurd, gekleurd, liehtgekleurd en blanken tot en met kleding behorend bij de versehillende religieuze gemeenten. Een aantal ervan zijn reeds genoemd. J,H.N. die in 1840 in een beschrijving van de kleding van de mulattinnen het verschil in status eveneens aangeeft zegt het volgende; "Oe kleeding van dergelijke meisjes bestaat in een lange wijde rok, die tot op de enkels hangt, welke met koralen omwonden zijn; zij gaan altoos blootsvoets. Andere miessies, die het wat ruimer hebben, kleeden zieh geheel en al gelijk de Hollandsehe vrouwen, dat op hun bruin of zwart vel zonderling afsteekt Oe eerstgemelde, namelijk de mindere klassen, dragen nog eene soort van ruim jakje en verscheidene losse doeken, waarvan een om het hoofd, angiessa genaamd, die tot niets dient Oe slavinnen, vooral de jongere van jaren, gaan enkel 'met een pandje, dat is, een stuk bont gestreept lijnwa,ad, in den vorm van een rok, onder de borst om het midden geslagen." (J.H.N. 1840:81) Oe kleding van de misi op z'n Europees is geheel wit met strahoed, eigenlijk een vroege vorm van de kreitimisi die rand 1900 op het toneel verschijnt.
Het ruime jak dat J.H.N. beschrijft, is door Benoit afgebeeld zie afbeelding 9 en wordt gedragen door een Joodse slavin, op afbeelding 10 draagt de creoolse op de rug gezien ook zo'n jak. De bindwijze van haar hoofdoeckt is eveneens opvallend. Oe misi op dezelfde afbeelding draagt een hoed evenals de oude misi op afbeelding 4, zij draagt de hoed duidelijk boven op de hoofddoek. Dit is rond 1900 nog steeds de gewoonte van een misi op jaren die zich deftig wil kleden. Anderen daarentegen dragen een nauwsluitend jakje (zie afbeelding 9).
Velen echter hebben het bovenlichaam niet bedekt. In bijvoorbeld de 'Dou' (zie afbeelding 11) hebben alle slavinnen een ontbloot bovenlicham wat wil zeggen dat men rond 1830 naar eigen keuze in in een atmosfeer die eel men zelf creeert het liefst op deze wijze gekleed gaat.
Opvallend is verder dat de rokken erg sierlijk zijn in vergelijking met de koto uit latere tijden, waarbij de koto-bere gedragen wordt, die in de platen van Benoit noch niet voorkomt. De pangi is een veel voorkomend kledingstuk, die op verschillende wijzen gedragen wordt, als enige bedekking, maar ok veel als doek over de rok. Verder is er een tap'kot'angisa, een kledingstuk dat veelvuldig voorkomt. Tenslotte worden de sjaal en de tapuskin pangi veel gedragen, waarbij een verwijzing naar de Afrikaanse traditie zoals Bosman die reeds noemde, zeker op z'n plaats is.
De op vele wijzen gevouwen angisa komt practisch op elke plaat voor, waarbij ook hier weer de Afrikaanse traditie een rol speelt (zie 'Ontstaan van de angisa', pag. 57). De kinderen zijn bij het uitgaan als de ouderen gekleed, kotomisi op miniformaat. Tot de afschaffing van de slavernij wordt er niet meer met zoveel woorden gerept over de pronkzucht. Dominee van Schaick, die met behulp van zijn gedichten de Surinaamse misi wil onderwijzen, kan nog als enige genoemd worden. (Zie afbeelding 12. )
Dat de pronkzucht in de kolonie ten koste gaat van de gezondheid en het welzijn van een zeer grate groep slaven en slavinnen lezen we eigenlijk nooit. Pas aan hel eind van de slavernij wordl in verband daarmee iets over kleding geschreven.

Abbildungen von Pierre Jacques Benoit






Keine Kommentare:
Kommentar veröffentlichen