HET ONTSTAAN VAN OE PATRONEN OP OE DOEKEN
Vanaf het ontstaan van de angisa zijn er zeer veel verschilIende doeken in de handel gebracht. Over de eerste typen doeken die gedragen zijn, bestaan verschilIende theorieen. Voigens Herskovits en Herskovits worden de eerste doeken gemaakt van witte katoen en geborduurd in kleur, terwijl Simons over de eerste doeken in 'Oe hoofddoek van de Surinaamse vrouw' zegt: "Hoewel men geen bepaalde stof had besteid toen de eerste doeken naar Suriname kwamen, was de belangstelling aanmerkelijk groter dan gedacht was. Vele mensen moesten daarom teleur worden gesteid. Aangezien zij het geduld niet konden opbrengen te wachten op de volgende zending hebben velen oude 'sits' kapot gesneden om daar hoofddoeken van te maken." (Simons z.j.:3) Sitsen stoffen werden reeds in 1748 genoemd als kleding van slaven. "In 1748 klaagde reeds de Gouverneur Mauricius over de ijdelheid der slavinnen, die gevoed werd door de 'kostbare pracht van de beste chitsen, ( ... )'." (van Lelyveld 1919:259) Zie afbeelding 22.
In de collectie van het Surinaams Museum zijn twee tapuskin pangi (afkomstig uit de verzameling van Simons) die volgens hem uit sits gesneden zijn. Hetgaat hier om T 379/1 en T 379/2 waarbij van de eerste gezegd kan worden dat het om een kwart palempore (beddesprei) gaat van echte sits uit ca. 1780. Het hoofdmotief op deze doek is een bloeiende boom. In het algemeen staan sitsen stoffen bekend om bloemfiguren die aan ranken gezet zijn. T 379/2 is daarentegen een namaaksits uit waarschijnlijk de tweede helft van de 198 eeuw; deze is machinaal gedrukt. Volgens Simons komen later naast de sitsen doeken, veel doeken uit Madras (India) naar Suriname. "Deze doeken uit Madras waren alle afzonderlijk geweven hetgeen onder meer te zien was aan de weefgaatjes; het waren dan ook vrij dure doeken. Naderhand is men deze doeken gaan namaken, gaan overdrukken. Het is echter mogelijk de namaakdoeken te onderscheiden van de werkelijk geweven doeken; in plaats van de gaatjes van het weefgestoelte zijn de namaakdoeken namelijk doorgeknipt!" (Simons z.j. :34) In de collectie Simons van het Surinaams Museum zijn twee hoofddoeken aanwezig die volgens Si mons echte madrasdoeken zijn, namelijk T 397/3 en T 397/4. Daarentegen zou T 379/5 namaakmadras zijn. Het overdrukken van madrasdoeken lijkt niet zo waarschijnlijk. T 379/5 is in ieder geval een doek met een ingeweven ruitpatroon, evemils T :?79/3 en T 379/4, welke doeken inderdaad weefgaatjes vertonen maar die evenals T 379/5 ook gek'nipt moesten worden, aangezien er in beide een keurig fijn rOlzoompje met de hand is aangebracht. T 3"79/5 is evenwel nog niet afgewerkt en onderscheidt zich verder van de beide andere doordat de kwaliteit van oe doek veel dunner iso Waarschijnlijk zijn de doeken die door Simons als echte madras benoemd worden van veel vroegere datum en mogelijk als doek apart geweven.
In de documentatie van de collecie hoofddoeken van het Tropenmuseum wordt een volgende indeling gemaakt.
1. Bordiri angisa
2. Geborduurde doeken met een bedrukte rand
3. Bedrukte doeken,
a. machinaal bedrukt
b. met stempels bedrukt
c. imitatiebatik
d. bedrukte doeken in imitatie kruissteekjes
e. met randversiering (Ianki)
4. Geruite doeken (madrasi)
Er wordt dus niet over sits gesproken. Voigens deze informatie zijn de oudste doeken in kruissteekjes op wit geborduurd, middenin kunhen niet alleen figuurtjes en versieringen, maar ook spreuken en initialen aangebracht worden. In de collectie van het Surinaams Museum bevindt zich een wit linnen hoofddoek waarop spreuken geborduurd zijn in kruissteektechniek. Behalve de spreuken zijn er kleine figuurtjes eveneens in kruissteek aangebracht, die zeer waarschijnlijk een symboliek in zich hebben en evenals de spreuken betrekking heb ben op de liefde en God. Oezelfde figuurtjes komen terug op de merklappen T 430, T 431 en T 432, evenzo op rok T 230 (zie afbeelding 6). Oe doeken T 158 a en T 379/13 en 14 zijn bedrukt met dezelfde figuurtjes. Oe spreuken komen overeen met die welke Lammens noemt voor de neusdoeken (zie pag. 57).
Het lijkt zeer goed mogelijk dat na de bordiri angisa, de angisa met een bedrukte rand ontstaan is, waarvan soms het middenveld geborduurd wordt. T 116 uit de collectie van het Surinaams Museum heeft een rand die bedrukt is in rood; het middenveld heeft borduurwerk in kruissteektechniek. Er zijn spreuken aangebracht die weerbetrekking hebben op de liefde en God, daarnaast is het 'sabi diri'-motief eveneens in kruissteekjes diverse malen aangebracht. (Zie afbeelding 23) Oit motief is eveneens bekend van bedrukte doeken (bijvoorbeeld T 317/22) en merklappen. Andere doeken zijn gedeeltelijk bedrukt en gedeeltelijk geborduurd, bijvoorbeeld T 379/11 (witte ondergrond bedrukt met een groot ruitpatroon, waartussen spreuken geborduurd zijn).
Bii'-_ bedrukte doeken kunnen we liever eerst spreken van handbedrukte doeken. Oe handdruk is een stempeldruk. Bijvoorbeeld op de doeken T 379/16 en T 317/22 (sabi diri) is er in elke rand tweemaal een aansluiting te zien van de stempels die naast elkaar zijn gezet. Het middenveld is bedrukt met een blok waarop twee maal vijf figuurtjes aangebracht zijn, die in rijen naast elkaar worden gedrukt (zie afbee'lding 24). Sommige handbedrukte doeken zijn later machinaal herdrukt en worden de laatste jaren met behulp van zeefdruk herdrukt. T 281, een doek uit 1930 is eveneens met de hand bedrukt, waaruit blijkt dat deze techniek zeker tot 1930 gehanteerd werd, terwijl het machinale drukken reeds lang in de vorige eeuw werd toegepast. Oe relatief kleine oplage is hiervoor waarschijnlijk een reden geweest.
Van waar deze doeken werden ge'lmporteerd is niet bekend. Het is wel bekend dat in de loop der tijden doeken werden ge'importeerd uit Engeland, Zwitserland, Nederland, India (Madras) en Japan.
Oe handbedrukte doeken zijn zeer opmerkelijk. Oe soms wat grove handdruk geeft een zeer eigen stijl aan de doek. Naast deze bijzondere stijl, zijn de kleuren opvallend. Zo is het merendeel der handbedrukte doeken in rood, geel of donkerblauw (blueback) op wit gedrukt. Meestal is de doek bedrukt in een kleur. Oe kleuren rood, geel en blauw komen geheel overeen met de kleuren van de lapjes katoen die in de vorige eeuw door de bosnegers werden gebruikt. "Het kleurenpatroon op de meeste 1ge eeuwse textiel was gebaseerd op de triade rood, wit (of geel) en zwart (of donkerblauw, wat de Marrons classificeren als zwart)." (Healy 1986:27) Deze kleurkeuze wordt door Healy in verband gebracht met de kleurkeuze in West-Afrika.
Oe machinaal bedrukte doeken zijn legio. Behalve de imitatiebatik (Yampanesi) die ook graag voor een heri stel gebruikt wordt, droeg men ook wel echte batik, die waarschijnlijk niet veel voorkwam. T 517 en T 518 van het Surinaams Museum zijn echte batiks (zie afbeelding 25).
Spreken we over batik, dan is het Afrika-dessin hierin .eveneens belangrijk. Een voorbeeld van Afrikaanse batik is 'Spitfire' (zie afbeelding 26).
Oe bedrukte doeken in imitatiekruissteekjes zoals ue reeds eerder genoemde T 158a is niet de enige imitatiedruk, daarnaast bestaat ook de imitatie-openzoom (zie afbeelding 27). naast de echte openzoom (zie afbeelding 28).
Oe hoofddoeken met een lanki-versiering worden als een. aparte groep beschouwd, omdat ze met behulp van een andere verftechniek. gemaakt zijn. Ze zijn deels geverfd in een reservedruk. Een voorbeeld hiervan is de 'sunki-Ianki' (zie afbeelding 29).
In de 1ge eeuw zijn op veel afbeeldingen geruite doeken te zien, die madrasdoeken kunnen zijn. Spalburg beschrijft in 'Bruine Mina' een erfenis van onder andere doeken: "Behalve eenige huishoudelijke artikelen vermaakte ze mij nog een cederen kist vol lijfskleeren, w.O. dure brokoboon pangies, vele madrasdoeken, sitse omslagdoeken ( ... )." (Spalburg 1913:28) Van Lelyveld zegt over de madrasdoeken het volgende: "Zeer veel in zwang waren vroeger de Madrasdoeken met bonte Schotse patronen en die zeer op waarde worden gehouden." (van Lelyveld 1919:262) Wanneer dit in 1913 en1919 geschreven wordt, dan mag aangenomen worden dat de madrasdoeken inderdaad tot de oudere doeken behoren.
Volgens Simons waren de oudste hoofddoeken van sitsen stof. Oe sitsen doek in zijn verzameling is echter een omslagdoek. In andere literatuur wordt sits niet genoemd als te zijn gebruikt voor hoofddoeken. In bovenstaande erfenis komt de sitsen doek ook voor als omslagdoek. Evenwel is het heel goed mogelijk dat Simons deze informatie heeft opgetekend uit orale bronen. Er zal nog meer speurwerk vericht moeten worden om met zekerheid te kunnen zeggen welke de vroegste angisa zijn gewest.




Keine Kommentare:
Kommentar veröffentlichen