Posts mit dem Label suriname werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label suriname werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

29.01.2018

Nederland was voor even de grootste slavenhandelaar ter wereld


De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode uit de geschiedenis. Minder bekend is dat Nederland toen ook een grote ronselaar van werkkrachten voor Braziliaanse plantages was. Sterker nog: een tijdlang was het ’s werelds grootste handelaar in slaafgemaakten.


Karwan Fatah-Black


'View of Olinda' door de Haarlemse schilder Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1662.

De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode van Nederland. Maar wist je dat de Republiek der Verenigde Nederlanden De Republiek der Verenigde Nederlanden was tussen 1588 en 1795 een statenbond met trekken van een defensieverbond en een douane-unie. Ze besloeg grotendeels het grondgebied van het huidige Nederland. Wikipedia Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in grofweg diezelfde periode verantwoordelijk was voor 5 procent van alle handel in slaafgemaakten naar de Amerika’s?

Sterker nog: wist je dat Nederland tussen 1650 en 1675 de grootste handelaar in slaafgemaakten tussen West-Afrika en Zuid-Amerikaanse plantages was?





Tegenwoordig herinneren we ons in Nederland de zeventiende eeuw maar zelden als een periode van koloniale expansie. De aandacht gaat liever uit naar schilders, bestuurders en enkele zeehelden.

Als we het wel over de trans-Atlantische slavernij hebben, vertellen we onszelf graag dat Nederland hooguit de grootste van de kleintjes was, in een misdaad waarin iedereen deelde. De Britten, Fransen, Spanjaarden en niet te vergeten de tussenhandelaren en koninkrijken op de West-Afrikaanse kust speelden een veel grotere rol.

Dat verhaal is misschien geruststellend. Er is niets uniek gewelddadigs of racistisch aan wat onze voorgangers overzee uitspookten, denk je dan.

Internationaal denken historici daar toch een beetje anders over. De Nederlanders van de Gouden Eeuw waren niet alleen gewiekste tussenhandelaren, maar ze waren ook ontzagwekkend efficiënt als het ging om het organiseren van geweld overzee en het ronselen van (al dan niet vrije) werkkrachten. Historici spreken daarom zowel van een ‘Dutch primacy in world trade’ als van een ‘Dutch moment’ in de geschiedenis van het Atlantisch gebied. En dat zijn geen complimenten.

De verovering van overzeese gebieden in het Atlantisch gebied was een fundamenteel onderdeel van de internationale politiek van de Republiek. Het ‘Dutch moment’ was er een van handel, geweld en van slavernij. En doordat de West-Indische Compagnie (WIC) zich inliet met het verschepen van slaafgemaakten van West-Afrika naar plantages in ‘Brasiel,’ heeft Nederland een grote rol gespeeld in de vorming van wat nu Brazilië heet.




Braziliaans landschap met een arbeidershuis. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.


Wat Nederland in Brazilië deed

Het is misschien wel de onbekendste kolonie van Nederland: Brazilië. Nederland veroverde er de eerste plantagegebieden tijdens de slotakte van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Na een eerste aanval in 1624 drongen tussen 1630 en 1654 de troepen van de WIC diep door in de Portugese overzeese delen van het Habsburgse rijk. Dit rijk bestond uit zowel Spanje als Portugal, die destijds samen de Iberische Unie vormden. Portugese forten op de Afrikaanse kust en plantagegebieden in Brazilië werden door Nederlanders veroverd.

En daar werd zeker niet alleen gevochten en geplunderd. De forten in Afrika werden door de WIC gebruikt om mensen in te kopen om deze vervolgens op plantages in Brazilië te werk te stellen voor onder meer suikerproductie.

De Nederlandse activiteiten in Brazilië waren niet altijd zo onbekend. Sterker nog, in die tijd waren ze het gesprek van de dag. ‘Brazilië’ was zelfs ‘een van de meestbesproken nieuwsonderwerpen van de Nederlandse Gouden Eeuw.’

Brazilië sprak destijds erg tot de verbeelding van de zeventiende-eeuwse Nederlanders. Lang voor de eerste aanval waren boeken beschikbaar geweest die repten over het land met exotische dieren en zo mogelijk nog exotischere mensen, en nu was het in handen van de heldhaftige republiek, zo dacht men.




Braziliaanse granen, vruchten, groenten en pinda’s. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 17e eeuw.


De eerste ronde: Nederland verplaatste zijn oorlog met Spanje naar de Amerika’s

De eerste aanval op Brazilië in 1624 was onderdeel van de Nederlandse oorlogsstrategie tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het plan was niet mals geweest. De WIC stelde ‘dat men de koning van Spanje […] van zijn jaarlijkse inkomsten behoorde af te snijden.’ Daarnaast was het plan om het strijdtoneel tussen de lage landen en Spanje te verplaatsen naar het wereldtoneel.

Het was op hun beurt de Spanjaarden niet ontgaan dat de opstandige Nederlandse provincies het op hun overzeese rijk hadden voorzien. De aanval van de Nederlanders in de Braziliaanse Allerheiligenbaai in 1624 provoceerde dan ook een grootscheepse Spaanse reddingsactie. Spanje stuurde 56 schepen en ruim twaalfduizend manschappen de oceaan over. Geen enkele trans-Atlantische troepenverplaatsing was groter geweest dan wat er op gang kwam om Brazilië voor de Habsburgers te behouden. Het is dan ook niet helemaal verwonderlijk dat Nederland snel de eerste veroveringen kwijtraakte.

Dat we dit uit ons collectieve geheugen hebben gewist, komt misschien wel door de nederlaag die snel op het eerste succes volgde. Maar dan nog is het niet terecht dat ‘Brazilië’ een verzwegen geschiedenis is geworden.
De tweede ronde: Nederland ging zich met handel in slaafgemaakten bezighouden

De tweede ronde van Nederlandse veroveringen in Brazilië begon in 1630 en was succesvoller. Het grotere plan van de WIC was om zowel plantagegebieden alsook forten in Afrika te veroveren. De bedoeling: greep krijgen op de handel in slaafgemaakten en de suikerproductie.




De suikerfabriek en de plantage van Engenho Real. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.



Dat de WIC zich begon in te laten met slavernij is eigenlijk verbazingwekkend. Het was alsof in een volledig op groene energie gebaseerde economie een groep ondernemers plotseling met het voorstel komt om een kolencentrale te openen. Ga maar na: in de steden van de Republiek was al in de middeleeuwen de slavernij afgeschaft. Een stad als Amsterdam was er bijvoorbeeld bijzonder trots op dat er binnen haar grenzen geen slavernij was.

En in de Lage Landen beschouwde men het eigen grondgebied in die tijd niet alleen als slaafvrije zone, men zag zichzelf zelfs als antislavernij: een slaaf die bijvoorbeeld naar Antwerpen of Amsterdam vluchtte, mocht zich beschermd weten tegen uitlevering. Iedereen was binnen die muren vrij.
Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen

Slavernij was, kortom, een achterhaalde en barbaarse activiteit, vonden veel mensen in Nederland. Het houden van slaven en het tot slaaf maken van krijgsgevangen werd destijds meer geassocieerd met de Osmaanse koninkrijken, met name op de kust van Algerije en Marokko waar Europese zeelieden werden gegijzeld.

Dat Spanje en Portugal zich inlieten met het tot slaaf maken van de inheemse bevolking van Amerika werd gezien als een katholieke dwaling, en niet als een activiteit waarmee de Republiek zich wilde inlaten.

Toch ging de WIC er nu zelf toe over deals te sluiten met koningen en tussenhandelaren in West-Afrika om mensen te leveren. De dienaren van de WIC sloten deze gevangenen op in de Nederlandse forten om ze vervolgens op zeilschepen naar Brazilië te vervoeren.

Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen.

Het vervoer van de tot slaaf gemaakte Afrikanen ging onder erbarmelijke omstandigheden. Vastgeketend en opeengepakt zat men enkele maanden gevangen op weg naar een onbekende bestemming. Velen overleefden door uitputting en ziekten de reis niet. De bemanning paste wrede onderdrukkingsmethodes toe om de controle over de gevangenen te houden.




Links: een Afrikaanse man. Rechts: een Afrikaanse vrouw met kind. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Hoe slavernij toch werd goedgepraat

Hoewel er altijd tegenstanders van de slavernij bleven bestaan, kozen de meeste bestuurders ervoor om de slavernij overzee te vergoelijken. Voorstanders gebruikten meestal twee argumenten.

Allereerst was slavernij volgens hen te verkiezen boven het doden van vijanden. Zo konden in een rechtvaardige oorlog rechtmatig slaven worden gemaakt. Dit argument verdween al snel naar de achtergrond, omdat dat niet was wat de WIC in Angola en Brazilië deed.

Het tweede argument werd dat Afrikanen de nazaten waren van Noahs vervloekte zoon Cham, wiens nazaten volgens de vloek gedoemd waren om ‘slaven van slaven’ te zijn. Deze lezing van het verhaal gaat er van uit dat Cham en zijn nakomelingen een donkere huidskleur hadden.

Het was een theologische innovatie die voorafgaand aan de bemoeienissen in de Atlantische wereld niet had bestaan, maar die nu als schaamlap voor een nog altijd verwerpelijk geachte activiteit werd gehangen.




Een Braziliaans landschap. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650.


Zo werd de WIC verantwoordelijk voor de helft van de slaventransporten

Brazilië bleef uiteindelijk niet lang in Nederlandse handen. De Portugezen vochten terug en heroverden de plantages en steden een voor een. Met de verovering van de stad Recife door de Portugezen eindigde in 1654 de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië. De kolonie ging verloren. Dat betekende echter niet het einde van de Nederlandse invloed.
Wat de Nederlanders hadden geleerd in Brazilië pasten ze nu toe in de rest van de Atlantische wereld

Sterker nog: na de definitieve Nederlandse nederlaag in 1654 transformeerde het land van oorlogsmachine tot een succesvol tussenhandelaar in slaafgemaakten. De eerdere schroom was volledig verdwenen.

Wat ze hadden geleerd in Brazilië werd nu toegepast in de rest van de Atlantische wereld. Zo werden Nederlandse slavenschepen tussen 1650 en 1675 verantwoordelijk voor maar liefst de helft van alle slaventransporten over de Atlantische oceaan.

Deze transporten gingen niet langer naar Brazilië, maar in plaats daarvan naar Curaçao en vervolgens verder naar de Spaanse koloniën in Zuid- en Midden-Amerika. Ook leverde men aan de nieuwe suikerplantages op het Engelse Barbados. Nederlandse ondernemers en bestuurders maakten in een cruciale fase van de geschiedenis het Britse en Franse rijk verslaafd aan suiker, plantages en slavenarbeid.


Aantal getransporteerde slaafgemaakten Tussen 1650 en 1675 over de Atlantische Oceaan N




Van Brazilië naar Suriname

Het verlies van Brazilië was in eerste instantie een traumatische gebeurtenis voor Nederland. Het maakte pijnlijk duidelijk hoe verdeeld de provincies in de Republiek der Verenigde Nederlanden onderling eigenlijk waren. De Zeeuwen wilden graag doorvechten, maar het berekenende Amsterdam kreeg haar zin. Het verlies werd genomen en de militaire versterking voor de door Portugezen belegerde WIC-troepen in Recife kwam er niet.

In Amsterdam wilde men zo snel mogelijk de schande van de nederlaag vergeten. Men ging zich bezighouden met een (niet lang daarna eveneens mislukte) kolonie in de Delaware en tussenhandel in de Atlantische wereld.

De Zeeuwen zinden nog wel op een revanche. Pleidooien voor een herovering waren tevergeefs, dus begon men te zoeken naar een ‘Tweede Brazilië.’

Eerst dachten Zeeuwse bestuurders dit op Tobago gevonden te hebben, maar in 1667 herkende men een Engelse kolonie aan de Surinamerivier als kanshebber. Toen de Zeeuwen van Holland geen steun kregen voor hun nieuwe koloniale plannen, veroverden de Zeeuwen op eigen houtje Suriname op de Engelsen.

Suriname werd daadwerkelijk een tweede Brazilië. Vluchtelingen uit Brazilië vonden er een veilig heenkomen om nieuwe plantages op te zetten. De handel in slaafgemaakten werd verder gereguleerd en algauw produceerde de kolonie miljoenen ponden suiker per jaar. De slavernij en suikerproductie werden op Braziliaanse leest geschoeid. Men kopieerde wat men in Brazilië had geleerd.




Links: een Tupiaanse vrouw met een plantage op de achtergrond. Rechts: een Mestiço man (een kind van een Europeaan en een inheemse). Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Waarom we deze geschiedenis niet mogen vergeten

De herinnering aan het Nederlandse slavernijverleden wordt gedragen door Afro-Nederlandse nazaten van slaafgemaakten uit Suriname, Curaçao en de kleinere eilanden. Brazilië is in die herinnering een verborgen verleden. Er herinnert in Nederland maar weinig nog aan de periode die aan de Surinaamse slavernij voorafging.

We hebben de Atlantische geschiedenis van Nederland nodig om ons beeld van de Gouden Eeuw compleet te maken. Het was niet alleen de glorietijd van dynamiek, immigratie, wetenschap, kunst en ondernemerschap. Men vormde zich toen ook een beeld van de wereld buiten Europa, en men leerde het geweld, uitbuiting en toenemende ongelijkheid te vergoelijken. Slavernijgeschiedenis en koloniale geschiedenis vormen geen aparte afdeling van ons verleden, maar zijn er onlosmakelijk onderdeel van.

De Braziliaanse episode verdient het om aan de vergetelheid te worden ontrukt. Brazilië heeft immers een nawerking gehad die niet te onderschatten is.

Nog belangrijker dan dat is de culturele erfenis. Er ontstond een typisch Europees exotisme waarin Braziliaanse natuur en kunstschatten een belangrijke rol spelen, en de associaties van wit met ‘vrij’ en zwart met ‘onvrij’ stammen uit deze tijd. Deze associaties waren in die tijd nog niet zo kwaadaardig als ze tijdens de Verlichting zouden worden, maar we moeten de oorsprong ervan wel naar deze geschiedenis herleiden.

Dit verhaal is geschreven voor de Maand van de Verzwegen Geschiedenis van De Correspondent en The Black Archives. Ga naar de website van The Black Archives.



Met dank aan Correspondentlid en geschiedenisdocent Marijn Luijten voor het nalopen van de geschiedenisboeken.

26.03.2017

Seksuele mati-cultuur nader belicht tijdens lezing

28/01/2017 13:05 - Audry Wajwakana 

Cultureel antropoloog Gloria Wekker houdt zaterdagavond een lezing over haar onderzoek met als titel: ‘Ik ben een gouden munt. Ik ga door vele handen maar verlies mijn waarde niet’. Foto: dWT Archief 

ACHTERGROND - In veel Afrikaanse landen komen homoseksuele relaties al eeuwenlang voor. In de zestiende eeuw werden die relaties in Afrika door Europese missionarissen en kolonisten ontdekt en door hen - vanwege het christelijke geloof - bestempeld als afwijkend seksueel gedrag. De toen tot slaaf gemaakte Afrikanen hebben ideeën en praktijken over de betekenis van een seksueel wezen meegenomen naar de ‘nieuwe’ wereld. 
Juist in Suriname is dat vergeleken met andere diasporagebieden zoals het Caribisch Gebied en de Amerika's waar het heel helder naar voren is gekomen. Dat bleek uit een onderzoek dat cultureel antropoloog Gloria Wekker in 1990 en 1991 verrichtte onder creoolse vrouwen in Suriname. Die seksuele cultuur staat bekend onder de naam mati. In het kotomuseum 'A Gudu Oso' houdt Wekker zaterdagavond om zeven uur een lezing over dit onderzoek met als titel: 'Ik ben een gouden munt. Ik ga door vele handen maar verlies mijn waarde niet'. 
De Surinaamse mati-cultuur laat zien dat vrouwen romantische en seksuele relaties met vrouwen kunnen onderhouden, zonder het stempel 'lesbisch' te krijgen. 

Theorie 
De cultuur antropologe heeft een theorie geopperd over hoe de seksualiteit van zwarte vrouwen in elkaar zit. "En ik bekijk het vanuit een diasporaperspectief, namelijk vanuit de invalshoek van de Afrikanen die uit West-Afrika naar de Amerika's en het Caribisch Gebied zijn gebracht." Het onderzoek deed zij toen onder vrouwen tussen 23 en 84 jaar. De Surinaamse mati-cultuur laat zien dat vrouwen romantische en seksuele relaties met vrouwen kunnen onderhouden, zonder het stempel 'lesbisch' te krijgen. 
"Na 26 jaar heb ik de indruk dat het mati nog steeds wel bestaat, maar dat er wel veranderingen zijn opgetreden." De kennis over mati is volgens Wekker bij de jonge generatie iets minder."We hebben te maken met globalisering en op het internet vind je veel informatie over wat het betekent om op iemand van hetzelfde geslacht te vallen. Dan gaan ze andere moderne termen aannemen als lesbisch, queer of tomboy, maar belangrijke elementen van mati blijven wel bestaan." 

Overleven 
Met dit onderzoek promoveerde Wekker in 1992 aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, waarvan het proefschrift in 1994 werd heruitgegeven in het Nederlands, onder de titel 'Ik ben een gouden munt. Subjectiviteit en seksualiteit van Creoolse volksklasse vrouwen in Paramaribo'. In 2007 won Wekker met haar volgende publicatie hierover 'The Politics of Passion' de Ruth Benedict Prize van de American Anthropological Association. Ze is bijzonder trots dat ze met dit onderzoek Suriname op de wereldkaart heeft geplaatst. 

De kotomisi als pijnlijk cultureel erfgoed

Katoenen Surinaams-Creoolse hoofddoek op Franse vouwwijze (Bobeti)



De doek is gevouwen volgens de Franse vouwwijze, zoals ze het doen op Sint Maarten. Toen mevrouw van Tilburg, echtgenote van de Gouverneur van Suriname 60 jaar werd, gaf ze een Surinaams verjaardagsfeest, waarop verschillende dames een muts in franse vouwwijze droegen. Angisa's zijn gesteven katoenen bedrukte doeken.Via deze hoofddeksels gaven vrouwen in Suriname 'geheime' (echter bekend aan alle 'insiders') boodschappen aan elkaar door via verschillende manieren van vouwen. Deze doek heet "lobi na basi": liefde heeft geen baas. Angisa's als deze zijn haast altijd machinaal bedrukt. Zogenoemde 'lapjesmannen' vragen bij oudere vrouwen fragmenten van oude hoofddoeken op. Naar die fragmenten worden in Suriname of Japan ontwerpen gemaakt in verschillende kleurstellingen, waaruit de Surinaamse handelaar zijn bestelling kan doen. De angisa behoort tot het traditionele kostuum, de kotomisi van de Creoolse vrouw. Dit kostuum bestaat uit jaki, koto en angisa. De angisa wordt op verschillende wijzen gevouwen, waarbij de vouwwijze een bepaalde betekenis heeft, die bekend is aan 'insiders'. Met de hoofddoeken konden vrouwen hun gemoedstoestand aangeven. Er waren bijvoorbeeld doeken gevouwen als: pauw-tere (pauwestaart), boto-ede (boothoofd), lontoe ede (rond hoofd), deze was/is voor deftige gelegenheden en rouw. Doksi tere (eendestaart), low ede tai, vouwwijze voor rouw. Prois ede, vouwwijze voor bruiloften (prois = vermoedelijk prooi); een enkele keer ook moi moi, op 1 juli, Emancipatiedag. Is de angisa eenmaal gevouwen, dan wordt hij met speldjes vastgezet en zo bewaard als een soort muts. De doeken zijn ook altijd gesteven (met gomma, cassavestijfsel, of kaarsvet, tegenwoordig ook moderne stijfselsoorten). Ook al gaan Creoolse vrouwen veelal Europees gekleed, aan de traditionele hoofbedekking wordt vaak nog vastgehouden. Zo zijn er vrouwen in Europese jurk met hoofddoek, hetgeen palito wordt genoemd. Bij rouw werden de ogen bijna bedekt: diep in de ogen bij vader of moeder; hoger op het hoofd voor andere verwanten. Om de angisa goed te kunnen dragen wordt het haar op een speciale manier opgemaakt. Heeft een oudere vrouw te weinig haar, dan vouwt ze vaak eerst een doek om het hoofd. Hoe minder haar er onder een doek uitkwam, hoe netter de vrouw er uit zag. Heel bijzonder is de feestdracht met een hoofdbedekking van drie tot vier doeken, waardoor zes tot acht punten ontstaan. Bij verjaardagen dienen angisa's als decoratie tegen de muur, in manden (opgemaakt als bloemen, angisa ruiker of Bobeti). Als eerbewijs werden ze ook wel uitgespreid op de grond als loper. Als er een nieuwe doek op de markt komt, wordt voor de naamgeving advies gezocht waarna de doek wordt geopend, d.w.z. gedoopt. Er zijn o.a. de volgende naamgevingen te onderscheiden: a. doeken die teruggaan op een belangrijk feit in het wereldgebeuren b. oranje doeken c. doeken die hun naam danken aan een gebeurtenis in de stad d. spreuken of gezegden e. antwoorddoeken, signaaldoeken Volgens R.D. Simons droegen slavinnen uit Afrika alleen een pangi van blauwe stof die in Haarlem vervaardigd werd. Het bovenlijf was bloot. Derhalve ontwierpen de Hernhutters (volgens het verhaal) een kostuum voor de negervrouwen. Zo ontstond de koto (1959:9-12). Sommige vrouwen verzamelen deze hoofddoeken.

The culture of resistance















24.03.2017

Nola Hatterman





© 2009 dbnl / Rosemarie Buikema en Maaike Meijer
Print Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980(2003)–Rosemarie Buikema,

17 april 1953. Nola Hatterman vertrekt naar Suriname en ontwikkelt zich tot leermeesteres van een generatie Surinaams-Nederlandse beeldende kunstenaars.
15 Een artistiek bemiddelaar tussen Nederland en Suriname


Nola Hatterman was in 1953 54 jaar oud en een bekend en politiek geëngageerd Nederlands schilderes. Haar huis, Falckstraat 9 in Amsterdam, was het bruisende centrum van de Surinaamse cultureel-nationalistische beweging Wie Eegie Sanie (Ons Eigen Ding). De geboren en getogen Nederlandse Hatterman voelde zich sterk verbonden met zwarte mensen en hun cultuur. Zij was een actief lid van de in 1919 opgerichte Vereniging Ons Suriname, nam Surinamers veelvuldig als model voor haar schilderijen en kreeg begin jaren vijftig een steeds groter verlangen zich in Suriname te vestigen. Zij voelde zich in Europa artistiek ontworteld. ‘Ik moest naar Suriname’ zei ze later in een interview, ‘ik kon in mijn gevoel niet verder als ik niet naar Suriname zou gaan.’



Aanvankelijk leek het erop of zij door de Sticusa - een Stichting die de ontwikkeling van de Surinaamse en Antilliaanse cultuur wilde bevorderen - als tekenlerares naar Suriname zou worden uitgezonden, maar Sticusa trok zich terug vanwege Hattermans vermeende communisme. Hatterman ging echter toch. Haar dertigjarig verblijf in Suriname werd een groot succes. Zij werd er inderdaad de ‘ambassadrice’ van progressief Nederland in de gekleurde wereld. Zij stichtte er een professionele school voor Beeldende Kunsten die enkele generaties Surinaamse beeldend kunstenaars opleidde. Haar school fungeerde als een unieke ‘contactzone’ tussen Nederlandse en Surinaamse kunst. Veel van Hattermans leerlingen emigreerden in de jaren zestig tot tachtig naar Nederland, om zich in Europa verder te scholen en er zich als kunstenaar te vestigen. Hatterman was hun trait d'union, de luchtbrug die Surinaamse kunstenaars naar Nederland en Europa bracht.

Hatterman was gekant tegen het antropologisch of volkenkundig perspectief waarbinnen ‘zwarte’ kunst in haar tijd vaak werd geplaatst. Zij zag kunst als middel tot zelfherkenning, tot expressie van zwarte trots en antikoloniale bewustwording. Met die opvattingen en met haar eigen kunstwerken heeft Hatterman de Surinaams-Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw diepgaand beïnvloed. Zij stimuleerde de ‘négritude’ in de beeldende kunst en heeft als geen ander het culturele isolement van Suriname opengebroken én de Nederlandse cultuur getransnationaliseerd. Na haar dood in 1984 is het contact tussen de Surinaamse en Nederlandse kunstwereld voortgezet door haar leerlingen. De Galerie Nola Hatterman (in Nederland) en het Nola Hatterman Instituut (in Suriname) zetten heden ten dage de door haar ingezette professionaliteit en internationalisering voort.

Wie was deze kleurrijke Nederlandse kunstenares? Hoe kwam zij tot haar radicale ideeën? Hoe kwam haar fascinatie met de gekleurde wereld tot stand en wat bracht haar er in 1953 toe naar Suriname te emigreren en er voorgoed te blijven werken?


‘En je kiest als je schildert uiteraard de modellen die je mooi vindt’

Nola (Hendrika Petronella) Hatterman werd op 12 augustus 1899 in Amsterdam geboren. Van kinds af aan kwam zij in aanraking met Indische mensen, doordat haar vader als boekhouder werkte bij een Indische firma. Als jong meisje zat ze op de lagere school met haar vingers op het topje van haar neus te drukken zodat die plat zou worden. Met haar andere vingers krulde zij haar lippen. Zo bleef ze elke morgen ‘een uur of wat’ zitten in de hoop dat zij haar gezicht zo zou kunnen modelleren dat zij op de Indische kinderen uit haar klas zou gaan lijken, die zij mooi vond en aan wie zij zich vaak zat te ‘vergapen’. Op het gymnasium kwam zij in aanraking met hét zuivere schoonheidsideaal, het Griekse, dat zij als prototype echter ‘beslist niet mooi’ vond. Toen ze vervolgens kennismaakte met de Egyptische cultuur met name met de Nefertete dynastie, ontdekte ze in de Egyptische afbeeldingen de ‘negroïde trekken’ die ze prachtig vond (Niemel en Van Broekhoven 1982).

Aanvankelijk leek Hatterman te kiezen voor een carrière als actrice. Zij speelde enkele jaren bij het Rotterdams Toneel en de Koninklijke Vereniging. Ook acteerde ze in een aantal films, waaronder Majoor Frans, naar de roman van Truitje Bosboom-Toussaint, die op 25 augustus 1916 in première ging. Met Johan Kaart en Lily Bouwmeester speelde zij in Helleveeg (1920) en in Oranje Hein (1925) van Alex Benno. Maar in 1925 koos zij definitief voor het tekenen en schilderen (Ottes 1999). Ze kreeg enkele jaren privé-les van Charles Haak, die verbonden was aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie. Via hem kwam Hatterman in contact met Surinamers die er als schildersmodel wat geld bij probeerden te verdienen. Een van die modellen was prins Kaya, eigenlijk Frans Vroom geheten, met wie ze hecht bevriend raakte. In 1927 verhuisde hij van Paramaribo

[p. 259]

naar Amsterdam en woonde een tijd op de benedenverdieping bij Hatterman in de Falckstraat. Prins Kaya behoorde tot het groepje Surinaamse mannen dat Rudie Kagie beschrijft in zijn boek De eerste neger(1989), zie ook hoofdstuk 5. Ze kwamen als verstekeling met de oceaanstomer Cottica of Peter Stuyvesant en vonden na een aanloopperiode vaak werk in de muziek of iets anders ‘artistieks’.
Zelf was de prins aanvankelijk constructiewerker in de plaatijzerfabriek van Verschuren. Mede als gevolg van zijn vriendschap met Nola Hatterman [...] voelde hij zich al snel in het kunstenaarsmilieu meer op zijn gemak dan in de metaal. Hij was vuurvreter, equilibrist, portier, schildersmodel, figurant bij de film, figurant bij de Sleeswijkrevue, figurant bij het grote toneel. (Kagie 1989)

Een ander schildersmodel voor Hatterman was Jimmy van der Lak, wiens artiestennaam Jimmy Lucky luidde. In 1925 arriveerde hij, 21 jaar oud, per oceaanstomer in Rotterdam. Hij ontpopte zich als bokser die ‘ontzettend vlug op de benen’ was en uitkwam in het weltergewicht maar ‘zo nodig ook doorging voor het middengewicht.’ Na een ongelukkige partij, waarbij hij ‘een geweldig pak slaag’ kreeg, beëindigde hij zijn bokscarrière en ging als kelner werken in The Kit Cat Club:
Ik was een trekpleister van jewelste, de enige zwarte kelner in Nederland. Als ik op straat m'n gezicht liet zien, hielden de mensen me aan. Bussen stopten. De baas wou niet dat ik vrij nam omdat de gasten dan voor niks kwamen. Ik was een attractie. (Kagie 1989)

14.02.2017

Wer war Seidenfaden?

Als im Januar 1827 Gerichtsdiener des Justizamtes Obernkirchen in den verschneiten Wäldern am Bückeberg eine notdürftig verscharrte Leiche entdeckten, nimmt einer der spektakulärsten Fälle der deutschen Kriminal- und Justizgeschichte seinen Lauf. Mehr als 10 Jahre sollte es dauern, bis das Verbrechen gesühnt und die Urteile vollstreckt waren.
Dabei macht nicht die Tat - ein Mord unter Dieben - diesen Fall so außergewöhnlich, sondern die Biographie des Täters.
Johann Heinrich Seidenfaden wurde 1797 in Rolfshagen geboren, und wuchs in einer Zeit auf, deren verbreitete Massenarmut später als „Pauperismus“ in die Geschichtsbücher einging.
Wie sein Komplize Wilhelm Mühlhaus entstammte auch er der sozialen Unterschicht, beide waren uneheliche Söhne hessischer Husaren und machten früh Bekanntschaft mit Verbrechen und Gefängnis.
Aus Angst vor Verrat ermordeten Seidenfaden und Mühlhaus 1825 im Wald bei Obernkirchen ihren Komplizen Wilhelm Faul.
 
Steckbrief von Wilhelm Faul
(zu der Zeit war er im Bückeberg versteckt)Das Verbrechen wurde wenig später aufgedeckt, es folgte die Inhaftierung und 1831 das Todesurteil durch das Obergericht Rinteln.
Doch während Mühlhaus 1831 auf dem Rintelner Heinekamp vor den Toren der Stadt öffentlich enthauptet wurde, gelang Seidenfaden zuvor die Flucht aus dem Gefängnis und das Untertauchen in den Niederlanden.
Unter dem Namen „Wilhelm Wiggers“ trat er in die Dienste der niederländischen Armee ein, wo er sich im Niederländisch-Belgischen Sezessionskrieg, bewährte. Anschließend beorderte man ihn in die von Aufständen erschütterte südamerikanische Kolonie Surinam für den Wachdienst im Hafen von Paramaribo und die Jagd nach entlaufenen Sklaven.

Uniform eines westindischen Jägers um 1830

15.01.2017

The Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde / Royal Netherlands Institute of Southeast Asian and Caribbean Studies (KITLV)

http://www.kitlv.nl



The Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde / Royal Netherlands Institute of Southeast Asian and Caribbean Studies (KITLV) aims to be a world-class research institute for the study of Southeast Asia and the Caribbean, with a focus on Indonesia and the ‘Dutch’ Caribbean, in an interdisciplinary and comparative perspective. Benefitting from the unrivalled collections offered on campus by Leiden University, KITLV researchers explore (dis)continuities between the (pre)colonial and postcolonial period, and articulate their research agendas empirically and theoretically in order to advance wider debates on the meandering paths of globalization. KITLV engages with the academic community across the world, as well as with (inter)national governmental organizations, NGOs, the media, and the interested general public. KITLV is an institute of the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences (KNAW).

Research at KITLV is interdisciplinary by nature and characterized by approaches including (1) a strong historical dimension exploring (dis)continuities from the (pre)colonial to the postcolonial period and (2) an anthropological perspective; both of which aim to bring human agency into focus and investigate questions concerning motivation and signification; while (3) a political approach focuses on broader frameworks of power that mediate between global forces and local actors. History, anthropology, and the study of politics and language all offer comparative approaches for opening windows to wider global connections. Archival research, field work and textual and visual analysis are vital to this enterprise. KITLV research is characterized by an ongoing reflection on the historical linkages between (post)colonial scholarship and collections policies. This implies methodological reflection on the uses of colonial archives, and on the meaning and impact of e-technologies in academic research and data management.



KITLV invests in two long-term research themes: State, Violence and Citizenship and Mobility and Identity. These themes, relevant to the processes of post-colonial state formation and globalisation in South East Asia and the Caribbean at large, are connected by interrelated questions concerning the dynamics of power, meaning and belonging. KITLV aims to translate these themes into agenda-setting projects conducted by research teams consisting of senior scholars, postdoctoral researchers, PhD candidates and visiting fellows.

The Dutch National Exhibition of Women’s Labor, 1898



In 1898, the year Queen Wilhelmina of the Netherlands was inaugurated, five hundred women organized an enormous public exhibition showcasing women’s contributions to Dutch society as workers in a strikingly broad array of professions. The National Exhibition of Women’s Labor, held in The Hague, was attended by more than ninety thousand visitors. Maria Grever and Berteke Waaldijk consider the exhibition in the international contexts of women’s history, visual culture, and imperialism.
A comprehensive social history, Transforming the Public Sphere describes the planning and construction of the Exhibition of Women’s Labor and the event itself—the sights, the sounds, and the smells—as well as the role of exhibitions in late-nineteenth-century public culture. The authors discuss how the 1898 exhibition displayed the range and variety of women’s economic, intellectual, and artistic roles in Dutch culture, including their participation in such traditionally male professions as engineering, diamond-cutting, and printing and publishing. They examine how people and goods from the Dutch colonies were represented, most notably in an extensive open-air replica of a “Javanese village.” Grever and Waaldijk reveal the tensions the exhibition highlighted: between women of different economic classes; between the goal of equal rights for women and the display of imperial subjects and spoils; and between socialists and feminists, who competed fiercely with one another for working women’s support. Transforming the Public Sphere explores an event that served as the dress rehearsal for advances in women’s public participation during the twentieth century.

07.01.2017

Angisa: hoofddoeken uit Suriname

ANGISA: HOOFDDOEKEN AAN HET WOORD
“ Op een dag – ik woonde nog niet zo lang in Nederland – sprak een Surinaamse vrouw mij aan: “Ik kèn u ergens van, zei ze. U lijkt sprekend op mijn vroegere buurvrouw in Paramaribo…mevrouw Dankoor”. “Ik ben mevrouw Isselt”, antwoordde ik maar mijn meisjesnaam is Dankoor”. “Weet u nog” zei de vrouw, “alle dames uit de buurt kwamen bij jullie over de vloer om een mooie angisa te laten maken”.



Surinaamse vrouw met hoofddoek

Aan het woord is Mildred Isselt Dankoor. Wij ontmoetten haar vorige zomer in Turnhout waar haar collectie hoofddoeken onderdeel was van de tentoonstelling Het Geweven Woord. Wat zij toen vertelde over hoofddoeken, maakte ons zo nieuwsgierig dat wij haar gingen opzoeken in Haarlem. Mildred is een rasvertelster. Niet om een kwinkslag verlegen maar tegelijk zeer precies en zeer geloofwaardig. Alleen over haar leeftijd heb ik mijn twijfels. Wil zij – met haar rimpelloos voorhoofd en de gratie van een vrouw van vijftig – ons wijsmaken dat zij bijna 70 is!

Twee domme Surinaamse kinderen

Iemand uit het biotoop van je kinderjaren tegenkomen is fijn. Maar in dit geval was de ontmoeting een ommekeer. Plots realiseerde Mildred zich dat zij van hoofddoeken binden (op het binden van een Oto Baka na), niks afwist, en dàt terwijl er in heel Suriname niemand het haar beter had kunnen aanleren dan destijds haar eigen moeder.”Als je jong bent, heb je daarvoor geen belangstelling. Evenmin als het gros van Surinamers in Suriname trouwens. Maar naarmate je verder van je moederland leeft en wat wijzer wordt met de jaren, ga je de schat aan tradities meer en meer naar waarde schatten”. Mildred besloot de traditie die van mond tot mond overgeleverd wordt en van hand op hand aangeleerd, voor teloorgang te behoeden. Ze belde haar zus in Suriname:”Wij hebben ons niks van moeders kunst eigen gemaakt. Zijn wij niet de domste Surinaamse kinderen?” Beide zussen gingen lesnemen. Bij leraars én bij oudere Surinaamse vrouwen die ‘de knepen van het plooien’ nog beheersten. Vandaag geven Mildred in Nederland en haar zus in Suriname cursus angisabinden.