(over Rudolf van Lier, Tropische tribaden & Joanna Werners, Droomhuid)
Twee vrouwen, bijna veertig jaar na elkaar, in twee citaten. Wilhelmina in 1949:
Diesie na va soema di mattie. Ti toe soema di mattie, dan na wan di pree foe man. Na man di go allatem na tapoe foe na trawan. Dem di grietie dem srefie nanga anoe toe dem di sooi-djie den tongo. Dem sanie diesie na foe dem kon krasie.
Joanna in 1987:
Ik voel haar aanraking, denk bij mezelf: wat gaat sneller dan een vrouwenhand die de mystieke plaatsen raakt en mij van een bezetenheid doet genieten die rommelend een voorbode is van de totale explosie vanuit mijn heuvel?
Wie de exacte vertaling van het eerste citaat wil hebben, moet maar pagina 48 van het boek van Rudolf van Lier Tropische tribaden opslaan. Het tweede citaat komt van pagina 14 van de roman Droomhuid van Joanna Werners. Beide citaten gaan over de lesbische liefde, al is de uitdrukking daarvan totaal verschillend. Is er veel veranderd in veertig jaar?
Tropische tribaden is een wetenschappelijke verhandeling van wijlen Prof Rudolf van Lier over homoseksualiteit en homoseksuele vrouwen in Suriname, en een van de weinige studies op dit terrein over niet-westerse landen. Behalve op literatuurstudie baseert Van Lier zich op de relazen - deels letterlijk geciteerd in zijn boek - van een aantal mati, lesbische vrouwen, die hij in 1949 interviewde voor zijn sociologisch onderzoek dat zou resulteren in zijn bekende proefschrift Samenleving in een grensgebied. Het materiaal dat hij toen voor zijn dissertatie ongebruikt liet, is nu in Tropische tribaden verwerkt.6
De liefde tussen vrouwen is in de creoolse volksklasse een normaal verschijnsel, constateert Van Lier. Reeds in de Afrikaanse landen van waaruit de slaven werden verscheept, bestonden lesbische verhoudingen als geaccepteerd verschijnsel, en gedurende de slaventijd tot in deze eeuw toe zijn dergelijke relaties blijven voortbestaan. Een factor in het ontstaan ervan was en is het vaderloze gezin: de vader, die lange tijd als arbeider in het binnenland verblijft of die als wakaman van hier naar daar fladdert, biedt niet de emotionele geborgenheid en sociale zekerheid die het samenleven met een vrouw geeft. De keuze van de mati voor elkaar is overigens niet alleen een negatieve keuze van de man af, maar in een maatschappij die hen niet als abnormaal ziet ook een vrije, positieve keuze voor een persoon van hetzelfde vrouwelijke geslacht.
Deze bevindingen van Van Lier, gebaseerd op materiaal uit 1949, lijken te stroken met wat Joanna Werners' roman Droomhuid in 1987 aangeeft op bijvoorbeeld pagina 111, waar de ik-figuur haar tante om raad vraagt:
Vrouwen vervullen een centrale rol in de Surinaamse samenleving, daarom is zij (de tante) er niet bang voor dat een relatie met een vrouw met twee kinderen tot onoverkomelijke problemen zal leiden.
Het lesbisch-zijn wordt niet op zich als probleem gesteld in deze roman. De ik-figuur, die Joanna heet (in de flaptekst wordt gesproken van ‘een autobiografische roman’), heeft zich van jongs af aangetrokken gevoeld tot vrouwen. Drie jarenlange relaties met vrouwen zowel in Suriname als Nederland zijn daarvan het gevolg geweest. Toch lijkt deze situatie minder gecompliceerd dan ze is. De ik-figuur krijgt grote problemen met haar moeder wanneer deze verneemt van de geaardheid van haar dochter en ook wordt gemeld hoezeer de mati-liefde verborgen wordt gehouden voor de buitenwereld. Het psychische conflict echter waar de ik mee worstelt, is welke waarde moet worden toegekend aan het zwart bewustzijn in het spanningsveld dat wordt opgeroepen in haar relaties tot/met zwarte en witte vrouwen. Dat is dus duidelijk een problematiek die zich aan de grenzen van Suriname onttrekt. De te verwachten keuze voor de zwarte vrouw Ilundi aan het einde van de roman zou sterker op Suriname betrokken zijn geweest, wanneer het boek was geeindigd met deze ijzersterke observatie van de laatste bladzijde:
Nu ik Ilundi liefheb vraagt mijn moeder nooit meer of ik wel zeker weet dat ik geen kind wil, want ik heb haar verteld dat ik bezig ben een boek te baren voor de vrouw wier schoonheid ik vierentwintig uur drink. Mijn moeder voelde aan haar onderbuik alsof ze een kind ter wereld moest brengen.
Twee vrouwen, bijna veertig jaar na elkaar, in twee citaten. Wilhelmina in 1949:
Diesie na va soema di mattie. Ti toe soema di mattie, dan na wan di pree foe man. Na man di go allatem na tapoe foe na trawan. Dem di grietie dem srefie nanga anoe toe dem di sooi-djie den tongo. Dem sanie diesie na foe dem kon krasie.
Joanna in 1987:
Ik voel haar aanraking, denk bij mezelf: wat gaat sneller dan een vrouwenhand die de mystieke plaatsen raakt en mij van een bezetenheid doet genieten die rommelend een voorbode is van de totale explosie vanuit mijn heuvel?
Wie de exacte vertaling van het eerste citaat wil hebben, moet maar pagina 48 van het boek van Rudolf van Lier Tropische tribaden opslaan. Het tweede citaat komt van pagina 14 van de roman Droomhuid van Joanna Werners. Beide citaten gaan over de lesbische liefde, al is de uitdrukking daarvan totaal verschillend. Is er veel veranderd in veertig jaar?
Tropische tribaden is een wetenschappelijke verhandeling van wijlen Prof Rudolf van Lier over homoseksualiteit en homoseksuele vrouwen in Suriname, en een van de weinige studies op dit terrein over niet-westerse landen. Behalve op literatuurstudie baseert Van Lier zich op de relazen - deels letterlijk geciteerd in zijn boek - van een aantal mati, lesbische vrouwen, die hij in 1949 interviewde voor zijn sociologisch onderzoek dat zou resulteren in zijn bekende proefschrift Samenleving in een grensgebied. Het materiaal dat hij toen voor zijn dissertatie ongebruikt liet, is nu in Tropische tribaden verwerkt.6
De liefde tussen vrouwen is in de creoolse volksklasse een normaal verschijnsel, constateert Van Lier. Reeds in de Afrikaanse landen van waaruit de slaven werden verscheept, bestonden lesbische verhoudingen als geaccepteerd verschijnsel, en gedurende de slaventijd tot in deze eeuw toe zijn dergelijke relaties blijven voortbestaan. Een factor in het ontstaan ervan was en is het vaderloze gezin: de vader, die lange tijd als arbeider in het binnenland verblijft of die als wakaman van hier naar daar fladdert, biedt niet de emotionele geborgenheid en sociale zekerheid die het samenleven met een vrouw geeft. De keuze van de mati voor elkaar is overigens niet alleen een negatieve keuze van de man af, maar in een maatschappij die hen niet als abnormaal ziet ook een vrije, positieve keuze voor een persoon van hetzelfde vrouwelijke geslacht.
Deze bevindingen van Van Lier, gebaseerd op materiaal uit 1949, lijken te stroken met wat Joanna Werners' roman Droomhuid in 1987 aangeeft op bijvoorbeeld pagina 111, waar de ik-figuur haar tante om raad vraagt:
Vrouwen vervullen een centrale rol in de Surinaamse samenleving, daarom is zij (de tante) er niet bang voor dat een relatie met een vrouw met twee kinderen tot onoverkomelijke problemen zal leiden.
Het lesbisch-zijn wordt niet op zich als probleem gesteld in deze roman. De ik-figuur, die Joanna heet (in de flaptekst wordt gesproken van ‘een autobiografische roman’), heeft zich van jongs af aangetrokken gevoeld tot vrouwen. Drie jarenlange relaties met vrouwen zowel in Suriname als Nederland zijn daarvan het gevolg geweest. Toch lijkt deze situatie minder gecompliceerd dan ze is. De ik-figuur krijgt grote problemen met haar moeder wanneer deze verneemt van de geaardheid van haar dochter en ook wordt gemeld hoezeer de mati-liefde verborgen wordt gehouden voor de buitenwereld. Het psychische conflict echter waar de ik mee worstelt, is welke waarde moet worden toegekend aan het zwart bewustzijn in het spanningsveld dat wordt opgeroepen in haar relaties tot/met zwarte en witte vrouwen. Dat is dus duidelijk een problematiek die zich aan de grenzen van Suriname onttrekt. De te verwachten keuze voor de zwarte vrouw Ilundi aan het einde van de roman zou sterker op Suriname betrokken zijn geweest, wanneer het boek was geeindigd met deze ijzersterke observatie van de laatste bladzijde:
Nu ik Ilundi liefheb vraagt mijn moeder nooit meer of ik wel zeker weet dat ik geen kind wil, want ik heb haar verteld dat ik bezig ben een boek te baren voor de vrouw wier schoonheid ik vierentwintig uur drink. Mijn moeder voelde aan haar onderbuik alsof ze een kind ter wereld moest brengen.




