12.10.2010

DE KÓTÓMISI, A. J. MORPURGO

Eenig ter wereld in haar soort is de kotomisi in haar bizarre
kleedij, (misschien) potsierlijk voor wie niet ingewijd is in de ge-
heimen van haar toilet. Wie echter den zin kent van haar tooisels,
overvloedig tot het overdadige toe, zal daarin niet alleen een
graadmeter vinden voor haar welstand — of hetgeen zij daarvoor
wil doen doorgaan — doch veelal ook haar gemoedstoestand kun-
nen onderkennen, benevens een stuk geschiedenis, hetzij van den
dag, hetzij eenigszins verouderde, bewaard gebleven in haar cos-
tuum.
Daarbij komt dan nog haar smaak en graad van ontwikkeling,
zich uitend in de patronen, die zij zich koos.
De kotomisi is — binnen niet al te langen tijd: was, want het
zuivere ras sterft uit — niet louter een piramidaal gevaarte van
stijf gestreken kleurig katoen, naar willekeur opgebouwd.
Vóór alles behoort er harmonie te zijn in hare kleedij, die sa-
mengevat wordt onder den naam „stel", hetgeen samenstemming
veronderstelt.
Tot het stel behooren de wijduitstaande kó (rok), het pikante
korte jákki (jak), de kokette anjísa (hoofddoek), de zwierige tapoe
skien pánji (groote schouderdoek), en de geraffineerd nuffige 
tapoe kótó anjísa een kleurig doekje, dat achter op den rug vanon-
der de kotobéré een punt uitgluurt.



Kan een stel geheel bestaan uit onderdeden van hetzelfde pa-
troon, afwijkingen zijn geoorloofd, mits de kleuren en lijnen niet
het evenwicht verstoren.
Rok en jak — meestal ook de hoofddoek — zijn echter, wan-
neer de regelen der kleedkunst strikt worden nageleefd, van het-
zelfde goed (drukpatroon) vervaardigd.
De rok, het meest in het oog loopende onderdeel van het stel,
is van buitengewonen omvang in de breedte. De lengte is van dien
aard, dat zij reikt van de schouders tot de voeten. Wat er aan
West-Indische Gids XVI 25"
lengte teveel is tusschen oksels en middenlij f wordt neergeslagen
over den buikband, zóó dat er een zakvormig aanhangsel ontstaat,
loopend om het lijf.
Bij deftige kleeding wordt dit overhangend deel, de Ao/o-JeVc
(letterlijk: rokbuik), niet gebruikt, doch bij werkkleeding dient
zij om er allerhande in te bergen, hetgeen uitstekend gaat. Van
boven is n.l. de &ofoi/r^ gesloten door den buikband en de vast-
gehechte boord der &dfo', en slechts aan de voorkant is zij open door
een smal spleetje.
Om de &o7ó in gebruik den gewenschten omvang te geven, wordt
gebruik gemaakt van een langrond kussen, /amm (familie) ge-
noemd, dat hoog op den rug wordt bevestigd en is te vergelijken
met de cn'nofóne, door de mode aan een vorige generatie in Europa
voorgeschreven.
Volledig gekleed is de kotomisi niet zonder kralen, in lange
snoeren afhangend, soms tot de knieën, en polsbanden, eveneens
van kralen. Deze kunnen zijn van dezelfde soort, doch ook andere
zijn toegelaten.
Met haar tijd meegaande weet de kotomisi ook halskettingen
en armbanden van goud en zilver te waardeeren. Gehecht als zij
is aan het eigene, kan men haar niet zelden zonder bezwaar kralen
en halskettingen in zware strengen zien vereenigen om den hals
Evenals de stellen in hun geheel en de hoofddoeken afzonderlijk
hebben ook de kralen zinrijke namen, die veelal niet anders zijn
dan aphoristische toespelingen op bepaalde gebeurtenissen, ont-
leend aan de politiek of de chronique scandaleuse.
Want waar zij ook onverschillig voor zal zijn, voor deze twee
rijke bronnen tot conversatie is de Surinaamsche negerin het
allerminst!
Hoofddoek, kralen, stof voor het stel, worden natuurlijk inge-
voerd zonder naam. Deze wordt er door plaatselijke verkoop-
(st)ers — enkele alom bekende adressen — aan gegeven op ver-
zoek van vreemden, die zelfs geen klant behoeven te zijn, om van
deze gelegenheid te profiteeren hun veeten wereldkundig te ma-
ken en hun tegenstanders te treffen.
Dezen laten zich natuurlijk niet onbetuigd en beantwoorden
de wederpartij met een nieuwen schimpscheut, die op hun ver-
zoek wederom aan een nieuw stel of een nieuwen doek wordt ge-
geven.
Deze strijd wordt wel eens lang voortgezet, zoodat er een serie
ontstaat, welke grif afzet vindt.
Het best leenen zich — met het oog op de kosten — de hoofd-
doeken voor deze namengeverij, waaraan men geest meermalen
niet kan ontzeggen.
De „verschijning" van een nieuwen hoofddoek is met verba-
zingwekkende snelheid bekend onder de liefhebsters, die haast
als verzamelaarster kunnen worden aangemerkt, zooals men ook
verzamelaarsters van postzegels kent. Met dezelfde passie streven
zij ernaar iedere nieuwigheid op dit gebied te bemachtigen, daar-
bij zorg dragend den naam te leeren kennen met de geschiedenis,
die den oorsprong daarvan aangeeft. Vooral onder de ouderen
vindt men verzamelaarsters, die hun bezit aan hoofddoeken bij
honderden tellen.
De verschijning wordt aangekondigd met: ««//sa ó^>ó. Dat
„opo" is reeds teekenend. Het kan zoowel opstaan, opgaan — van
hemellichamen — als open bloeien beteekenen en sluit hoodzake-
lijk in, dat er aan den nieuwen hoofddoek iets bizonders is, in dit
geval een naam. Want zou de doek zonder naam gelanceerd wor-
den, dan denkt men er niet aan te spreken van „opo".
Om met een tweetal namen te volstaan, slechts de volgende.
Een èe£e«<fc hoofddoek heet: „Joe bin dé framingo, joe tron
geer das", d.i. Je was flamingo — een groote mooie vogel — en je
bent geeldas geworden — een klein, onaanzienlijk vogeltje.
Dit slaat natuurlijk op een gebeurtenis, betrekking hebbend
op den een of ander in onze samenleving.
Van een bekend stel is de naam: „Wanwan boen lobi dé, ma
din dé na s'ma anoe", d.i. er zijn nog heel enkele trouwe min-
naars, maar die behooren anderen (reeds) toe.
Opmerkelijk, dat de teerste en intiemste zaken als bij voorkeur
hiervoor dienen.
Is de hoofddoek reeds de aandacht waard om de naam, waar-
mede hij geZawceer^ wordt, ook de wijze van strikken verdient
opgemerkt te worden.
Dit strikken geschiedt voor bepaald gebruik steeds volgens
vaste regels.
Daarenboven onderscheidt men — in de klasse der straatdeer-
nen — bizondere wijzen van strikken met een geijkte, min of
meer sterk gekruide beteekenis.
De hoofddoek, tot hoofdbedekking gestrikt, heet taï-A^e. (Tai
is strikken, binden; hédé is hoofd).
De taihédé wordt onderscheiden in s/rc££i7t^ en in /onloeA^.
De strikkihédé (strikki is strikken) dient voor dagelijksch ge-
bruik. De lontoe-hédé (lontoe is rond) dient voor bizondere gele-
396 DE KÓTÓMISI
genheden, die in hoofdzaak zijn te onderscheiden in feestelijke
en rouwgelegenheden.
In aansluiting daarop zijn er dan ook twee soorten lontoehede,
t.w. de Jd-M2e en de />ró^ó-/^^. (Lö is rouw en pródó is pronken).
Het onderscheid en de namen houden verband met de wijze
van strikken.
Om de taihédé te strikken, wordt de doek, die in den regel
vierkant is, langs een der diagonalen dubbel gevouwen, zoodat er
een driehoek ontstaat. Deze wordt om het voorhoofd gelegd met
de basis langs het voorhoofd, de top- en basishoeken naar ach-
teren leidend.
Om nu een strikki-hédé te vormen, worden de basis-einden ach-
ter aan het hoofd gestrikt en wel zoo, dat de top eronder wordt
vastgelegd. Met behulp van spelden wordt dan de vorm verder op-
gemaakt.
Het verschil met de lontoe-hédé bestaat hierin, dat voor de
lontoe-hédé de basisuiteinden, die achter aan het hoofd kruiselings
over elkander worden gelegd, niet daar bij elkander gestrikt wor-
den, doch langs de slapen naar het voorhoofd worden teruggeleid
en op het voorhoofd worden vastgemaakt. De vorm is dan inder-
daad rond.
Bij lontoe-hédé's, die als lö-hédé moeten dienen, ontbreken
alle versieringen. Het model blijft vlak. Bij de prodohédé daaren-
tegen komen versieringen voor. Deze kunnen gevonden worden in
uitstulping of plooiing van de randen, of in lint, dons en andere
hulpmiddelen, die erop gehecht worden.
De prodohédé verkrijgt wel eens zulk een omvang, dat men
oneerbiedig spreekt van 6a7/ï (bak).
Een apart aanhangsel komt bij rouwhoofddoeken voor. Men
onderscheidt hierbij de tón/>i (onvertaalbaar) en de fy'e7;<m'
(drager).
De tonpi bestaat uit een doek, die over den rouwhoofddoek
wordt gelegd en onder den kin vastgeknoopt. Hiermede wordt de
diepste rouw te kennen gegeven.
De tjëtjari bestaat uit een vierkante lap, op den rouwhoofddoek
gespeld, met de punten afhangend tot ongeveer ter hoogte van de
slapen. Ook deze dient om de „diepte" der rouw te accentueeren,
doch staat daarin achter bij de tónpi.
In tegenstelling met de tónpi wordt de tjëtjari niet gedragen bij
de begrafenis. Eerst acht dagen na de begrafenis, wanneer de ei-
genlijke rouwdracht wordt aangenomen, treedt de tjëtjari op.
Verder wordt zij den geheelen rouwtijd gedragen.
Weduwen, die haar echtgenoot, of moeders, die haar volwas-
sen kinderen grafwaarts dragen, gebruiken in den begrafenisstoet
en gedurende de eerste acht dagen de tónpi. Daarna kunnen zij
volstaan met de tjëtjari.
Tjëtjari en tónpi moeten in dezelfde kleur als de hoofddoek ge-
kozen worden. Opmerking verdient hierbij, dat de rouwkleur bij
begrafenissen en gedurende de eerste acht dagen daarna wit is.
Gedurende den rouwtijd zwart of donkerblauw, naar gelang de
diepte der rouw.
De tjëtjari heb ik wel eens ^raAseen' (overpeinzing, beslomme-
ring) hooren noemen.
Deze tjëtjari moet niet verward worden met den ineengedraai-
den doek, die als kussentje op het hoofd dient bij het torsen van
zware lasten, en ook tjëtjari heet.
(De negerinnen dragen alles op het hoofd. Van enorme vrach-
ten landbouwproducten, die een man te zwaar zouden zijn, tot
een enkel fleschje of kopje. Zonder het gedragene met de hand of
op andere wijze te steunen, staat alles even veilig op het hoofd, als
stond het op een tafel. Ook al zou de draagster onderweg heftig
gesticuleerend een ruzietje uitkijven op de gebruikelijke wijze.
Variété-artisten zouden in verlegenheid gebracht kunnen worden
door een uitdaging haar na te doen).
Onder de vrouwen uit de heffe des volks zijneenige wijzen van
strikken met pikante beteekenis bekend. Eenige der voornaamste
volgen hier.
Door de beschreven wijze van strikken bestaat hetgeen ik aan-
duidde als topgedeelte, en dat naar achteren wordt geleid, uit
twee driehoekige kleppen, met de punt naar achteren.
Hebben nu twee dezer dames ruzie, en gaat een harer zich te
buiten aan schimpen en schelden — wat kan duren van 's mor-
gens vroeg tot 's avonds laat en zelfs dagen achtereen kan wor-
den voortgezet — dan kan de ander, wanneer zij er niet op
wenscht in te gaan, haar minachting door middel van haar tai-
hédé tot uitdrukking brengen.
Daartoe zet zij een der kleppen steil overeind, in plaats van
deze vast te maken onder de zijstukken. Dit beteekent dan:
„Aspassia é takki nanga tanta", d.i. Aspassia (vrouwennaam, ge-
fingeerd) spreekt tot tante. (Tanta is de aanspreektitel voor ou-
dere vrouwen).
Aangezien nu de draagster geen Aspassia heet, de naam niet
voorkomt, is de beteekenis dus: „Scheld maar raak. /& keur je
geen antwoord waard".
Helpt dit niet, dan weet de kijvende er wel raad op: nu gaan
beide kleppen omhoog, zoodat het achterhoofd en de kruin zicht-
baar worden.
De juiste beteekenis hiervan (Lek me de mars) is van zoo dui-
delijke beteekenis, dat vertaling overbodig is.
Een andere wijze van strikken bestaat hierin, dat de beide be-
doelde kleppen als het ware geregen worden door de samenge-
strikte uiteinden, zoodanig dat zij daaruit recht naar achteren
uitschieten. De hieraan gehechte beteekenis luidt: Sargi wasra,
(Wijlen meneer, of meneer zaliger). Deze wijze van strikken wordt
gebezigd door verdachte vrouwen of maitresses om den dood van
een „relatie" kenbaar te maken.
Van eenigszins beter gehalte is het vlak binden van den doek
met slechts een stompje, uitschietend ter linkerzijde. Hiermede
wordt tegen vijandinnen een bekende zegswijze gelucht: „A no
mi lafoe konkoni méki a no habi téré", d.i. Het konijn mist zijn
staart niet, omdat ik het uitlach, m.a.w. mijn schuld is het niet
als jij in een of ander opzicht bespottelijk mocht zijn.
Bekend is ook de /*T-£a&« (/<#i, afgekort tot ƒ#' is vechten en
, afkorting van AaAa/oroe, is haan; dus kemphaan). :.CÏ% > .
Van deze wijze van strikken bedienen de dames zich als alle
minder drastische middelen zijn uitgeput en de eer eischt, dat er
gevochten wordt. Bij dergelijke vechtpartijen delft veelal het
onderspit de partij die het eerst getroffen wordt in de gevoelige
plek de haren. Het model /i*' &a£a nu, is er op berekend alle
haren zorgvuldig weg te binden en in veiligheid te stellen, zoodat
de tegenpartij deze niet te pakken kan krijgen.
Uit dit weinige kan men reeds zien, hoeveel er door een kleine
wijziging in een onderdeel van het toilet wordt uitgedrukt.
Men kan hieruit zien hoe welbespraakt de kotomisi, de Suri-
naamsche negerin eigenlijk is en tevens hoe strijdvaardig en hoe
weinig kieskeurig zij kan zijn.
Men meene echter niet, dat hiermede de mogelijkheden zijn
uitgeput. Met dit weinige moge echter volstaan worden om even
nog met een enkel woord de a/an/a-tófo', het oranjestokje, te be-
spreken.
Dit stokje, gesneden van een jonge tak der zure oranje, heeft
een tweeledige bestemming. In de eerste plaats dient het ter zui-
vering van den adem (door de etherische olie in de bast) en ter
poetsing der tanden (met het kwastvormig afgekauwd uiteinde).
Het gebruik van het stokje behoeft echter niet angstvallig ver-
borgen te blijven tot de toilet-kamer, doch mag ook in het open-
baar zoo noodig, plaats vinden. En noodig vindt de negerin dit
altijd, want weinig dingen schuwt zij zoozeer als aanmerkingen
op de helderheid van haar gebit.
Zij zou echter niet zijn die zij is, als het stokje ook niet gebezigd
werd om gedachten tot uiting te brengen.
Een enkel voorbeeld slechts.
Het stokje, voorzien van de schutbladen, bij ruzies met gratie
gehanteerd en geplant in den rechter mondhoek, heeft zijn scher-
pe, afdoende beteekenis. Gesproken wordt er niet bij, ter verhoo-
ging van het effect. Hoogstens klinkt er een uitdagend ^'A'eoe bij,
tartend met gedempte stem gegild. Want het stokje alleen zegt
reeds „Skijt wat", hetgeen zooveel beteekent als: Ik heb maling
aan je. Aan jou en je praatjes.
Men ziet het: de kotomisi is niet op haar mondje gevallen.
Vindingrijkheid zal men haar intusschen niet ontzeggen.
Ze heeft echter meer.
Ze heeft ontegenzeggelijk gratie, als ze met de armen stijf langs
de omvangrijke koto en het hoofd trots in den nek aantrippelt,
met korte pasjes, draaiende beweginkjes, waarin de plankstijve
koto ritselend deelt: s?r, srr, zooals zij het hoort.
Ze heeft gratie en is aantrekkelijk van eerbiedige aanhankelijk-
heid als ze tegenover den graw-iaAra' (voorname) haar Aa'si' maakt,
de korte knik met de knieën, driemalen herhaald — de hoogste
reverentie — daarbij de handen aldoor eerbiedig samengebracht,
ter hoogte van het middenlij f en driemaal het bovenlijf draaiend
van links naar rechts, van rechts naar links, terwijl de koto
zwaar ruischend in stijve plooien meedraait, in kleurenbeweeg
van het bonte patroon.
Deze kotomisi echter, de echte, van den ouden stempel, is
zeldzaam. Haar ras sterft uit.
' Het opgroeiend geslacht wendt zich af van haar dracht, waarop
zij zoo trotsch was, kleedt zich als de Europeesche dame.
Wel bleef het grootendeels de tai-hédé trouw, maar van
de pompadour-patronen en crêpe de Chine-coupons, waaruit zij
zich een Europeesch toilet — volgens de allerlaatste mode!
liet naaien, strikt zij zich — o, gruwel! — een strikki-hédé, die
voor de echte kotomisi slechts denkbaar is in ordinair bedrukt
katoen, voor dagelijksch gebruik, doch nooit bij deftiger dracht
bij beter stof de lontoe-hédé zal vervangen, evenmin als de Euro-
peesche bij naar avondtoilet een oilskin regenhoed] e of tennis-
schoenen zal dragen!
Zoo is nu echter de tijdgeest, die in het jonge geslacht is geva-
ren, en dat verleidt om de traditie met voeten te treden. —
Met de statige, zinrijk gekleede kotomisi verliest Paramaribo
een zijner schilderachtige aspecten vol bonte verscheidenheid,
waardoor de vreemdeling steeds getrokken werd.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen