Posts mit dem Label maria sibylle merian werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label maria sibylle merian werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

17.02.2016

Duitsers in Suriname

Nachrichten von Surinam: Duitsers in een Nederlandse Kolonie (1650-1900)

Suriname kwam bij de Vrede van Breda in 1667 in Nederlandse handen. Tot die tijd waren het afwisselend Fransen, Engelsen en Nederlanders die er de dienst uitmaakten. Behalve het aantrekken van voldoende arbeidskrachten (hoofdzakelijk slaven uit Afrika) was het aantrekken van voldoende Europese kolonisten een grote uitdaging. Aan het eind van de 18e eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Van deze Europeanen was een aanzienlijk deel van Duitse komaf. Logisch dat deze Duitsers door de eeuwen heen hun stempel op Suriname hebben gedrukt. Wat deden zij in Suriname? Hoe kwamen de Duitsers in Suriname terecht? En wat waren dit voor lieden?

We gaan het hebben over Duitsers in Suriname, maar ik wil graag beginnen in Duitsland.


Frederik de Grote en Wilhelmine

Over het vorstendom of eigenlijk markgraafschap Brandenburg-Bayreuth heerst Frederik (1711-1763). Hij is gehuwd met Wilhelmina (1709-1758). Prinses Wilhelmine van Pruissen (1709–1758) was een zus van Frederik de Grote. In haar opdracht werd in 1752 een zg Leichenrede gemaakt. In een dergelijk document werd iemands levensloop beschreven en werden soms portretten van de overledene afgebeeld. Deze preken werden gedrukt in oplagen van 100 tot 300 stuks en dienden tot troost van vrienden en familie. Dit was een kostbare aangelegenheid en dit was in de regel slechts weggelegd voor adelijke lieden of rijke burgers die dit konden betalen. Maar wat denkt u van de belangwekkende lijkenpreek gemaakt voor een Afrikaanse vrouw, een moorin, in 1751? Haar naam was Alzire en ze kwam uit Suriname en leefde aan het Hof in Bayreuth.



“Sie ist eine heydinn, herkommlich aus der Provinz Surinam, eines entlegenen Welttheiles. Sie ist durch ein besondres Schicksal, das uns grostentheils unbekannt ist; in unsseren Welttheil gekommen, und von unsrer Durchlauchtigsten Landesherrschaft auf- und angenommen werden. Ihr Name ist Alzire – ihr Alter ist, so viel man Nachricht hat, ungefaehr 22 Jahr – sie ist am 22sten May 1751 Abends um 2 Uhr gestorben.”[1]

Deze Surinaamse werd waarschijnlijk Alzire genoemd naar de protagonist in Voltaires drama Alzire ou les Americains dat in 1736 voor de eerste maal werd opgevoerd. Wilhelmine was bevriend met Voltaire. Hoe Alzire vanuit Suriname aan het Hof van Bayreuth kwam is onbekend. Ik vermoed dat zij daar reeds op jonge leeftijd gekomen moet zijn. Mogelijk is het haar net zo vergaan als de twee volgende gevallen.

In 1767 vindt er in de stad Stuttgart een onderzoek plaats naar een ‘Mohren-Bub’(moorenknaap) van 14 a 15 jaar. Deze jongen genaamd Heinrich is schoolgaand maar is niet gedoopt. Heinrich is geboren in 1751 in Suriname. Op achtjarige leeftijd wordt Heinrich voor fl. 150,– gekocht door de in Suriname woonachtige smid, Johann Jakob Dreuzler. Hij komt uit Württemberg en is vermoedelijk in dienst van een plantage-eigenaar. In 1764 keert Dreuzler naar zijn geboorteland terug. Hoewel hij dan Heinrich in Suriname kan verkopen voor zo’n fl.400,– neemt hij hem mee naar Württemberg. Daar schenkt hij Heinrich aan Hertog Carl Eugen. De schoolmeester Jonathan Lenz karakteriseert Heinrich als volgt:

“In Ansehung seiner Gaben seye er nicht gar unter die Mittelmässige zu sezen: in Ansehung seiner Aufführung seye er stille, friedlich und folgsam; Buchstabire zimlich gut, und fange an zu lesen; seye aber zimlich schüchtern und unkeck; habe eine Gute Leibes-Stärcke, und seye zu schweren Arbeiten geschickt und willig.”[2]

Franziska Christine von Pfalz-Sulzbach en Ignatius Fortuna

Zeer goed gedocumenteerd is het leven van Ignatius Fortuna (ca 1725? -1789). Hij was Kamermohr van Essense Abdijvorstin Franziska Christine von Pfalz-Sulzbach (1696-1776). Hij was door Franz Adam Schiffer, een Duitse koopman, in 1735 uit Suriname meegenomen. Hij genoot groot aanzien aan het hof. In haar testament legde Franszika Christine vast dat haar ‘trouwe kamermoor’ het levenslange woonrecht kreeg in het door haar opgerichte Waisenhaus zu Steele (Essen), met de daarbij horende maaltijden die hij aan dezelfde tafel als de rentmeester en de geestelijken van de stichting mocht nuttigen. Op zon- en feestdagen kreeg hij ‘ein halbes Mass Wein’. Als hij ziek was werden de kosten van artsen en medicijnen voor hem betaald. En op feestdagen kreeg hij ‘Spielgeld’ van 1 of 1 ½ Reichstaler. Toen Ignatius Fortuna op 24 november 1789, op 65-jarige leeftijd, stierf werd hij, zoals in het testament van de vorstin was vastgelegd, in de de kapel waarin zij zelf ook begraven ligt, bijgezet [3]

Suriname in Wolfenbüttel

17WednesdayFeb 2016
Posted by Carl Haarnack in Bibliotheca Surinamica, German books
≈ Comments Offon Suriname in Wolfenbüttel
Duits, German

In augustus 2015 bezocht ik het stadje Wolfenbüttel in Duitsland. Het doel van dit bezoek was tweeledig. Allereerst stond de 39e International Wolfenbüttel Summer School op het programma. Dit jaar was het thema van de Summer School: Early Modern European Black Studies. Daar mocht ik aan PhD-studenten een college geven met de titel Trans-Atlantic slavery in Early German Literature (1673-1797). Ten tweede wilde ik van de gelegenheid gebruik maken om in de Herzog August Bibliothek (HAB) te zoeken naar Duitse teksten waarin Suriname een rol speelt. Dit in het kader van mijn onderzoek naar de representatie van Suriname in vroege Duitse literatuur (1673-1893).


Herzog August Bibliothek (Wolfenbüttel)

Wolfenbüttel is een klein stadje in Neder-Saksen, vlak onder Braunschweig, en telt ca. 50.000 inwoners. Als je met de auto vanuit Amsterdam naar Berlijn rijdt (over Hengelo, Osnabrück, Hannover) kun je het eigenlijk niet missen. Niemand zou het toch kunnen verzinnen?: Wolfenbüttel ligt aan het riviertje de Oker. In zijn Over de geheimen van de liefde schrijft Edgar Cairo, één van de grootste Surinaamse schrijvers, hoe zeer Suriname en de oker met elkaar verbonden zijn (De Gids, Volume 153, 1990). Maar voor wie geïnteresseerd is in de link tussen Suriname en dit kleine stadje aan de Oker (en haar omgeving) hoeft niet lang te zoeken naar aanknopingspunten.


Wolfenbüttel

In de wijde omtrek van Wolfenbüttel vinden we veel plaatsnamen die direct of indirect verbonden zijn met Suriname. Zo ligt in het zuiden van Neder-Saksen het plaatsje Goslar. Het Duitse koopvaardijschip dat in 1940 tot zinken werd gebracht in de Surinamerivier, op de rede van Paramaribo (en er nog steeds ligt) ontleent haar naam aan deze stad. Maar er zijn ook Duitse gemeenten die een directe historische verbinding hebben met Suriname die teruggaat tot in de 18eeeuw.

In 1739 kreeg Nicolaas Horstmann de opdracht om, met vier ‘vrije Creoolen’, de binnenlanden te verkennen van Essequibo, een Nederlandse kolonie in Zuid-Amerika. Deze kolonie vormde tezamen met Suriname, Demerara en Berbice Nederlands Guyana. Horstmann ondernam een expeditie op de rivier de Essequibo en zakte de rivier de Branco af, tot aan de Rio Negro.[i] Hortsman was een Duitse chirurgijn die afkomstig was uit de stad Hildesheim. Hildesheim ligt op zo’n 40 kilometer ten westen van Wolfenbüttel.



Hoe de familieband er precies uitzag tussen deze Nicolaas Horstmann en de geneesheer Friedrich Wilhelm Rudolf Horstmann die zich in 1818 in Paramaribo vestigde, moet verder onderzoek nog aantonen. Dr. F.W.R. Horstmann was in 1794 geboren in Hildesheim en had ik Göttingen geneeskunde gestudeerd. In Suriname had hij een aanzienlijk fortuin verdiend door zijn medische praktijk.[ii]In 1836 trad hij op 41 jarige leeftijd in het huwelijk met Johanna Catharina Heidweiler die toen 19 jaar oud was (zij was een dochter van de weduwe Stuger).[iii] Het echtpaar woonde in de Heerenstraat A.72 tegenover de apotheek Van Amson. De plantage Hannover, genoemd naar de gelijknamige hoofdstad van Nedersaksen (niet ver van Wolfenbüttel) was eigendom van F.W.R. Horstmann.[iv]

11.09.2015

Metamorphosis Insectorum Surinamensium




Maria Sibylla Merian, title page of ‘Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung’ (1679) (courtesy Universitätsbibliothek Johann Christian Senckenberg, Frankfurt)Books
A 17th-Century Woman Artist’s Butterfly Journey
by Allison Meier on September 9, 2015


Maria Sibylla Merian, Plate 49 from ‘Metamorphosis Insectorum Surinamensium’ (1705) (courtesy Universitätsbibliothek Johann Christian Senckenberg, Frankfurt)

In June of 1699, a 52-year-old Maria Sibylla Merian departed on a cargo ship for South America’s Suriname with only her 22-year-old daughter Dorothea Maria for company. It was a hundred years ahead of Alexander von Humboldt‘s more famed travels, and not an era in which many German women worked outside the home, let alone took solo natural history expeditions. Merian was interested in one thing: butterflies. Not just their beauty, but their whole life cycle, from caterpillar to chrysalis to winged insect.

A Butterfly Journey: Maria Sibylla Merian. Artist and Scientist by Boris Friedewald, out now from Prestel, is a compact biography on Merian’s natural history contributions, accompanied by her meticulous and colorful illustrations. Unlike many of her predecessors, she didn’t depict the caterpillars and butterflies separately. Instead, each was a scene of life, with the foraging plant alongside the butterfly in its different life stages.

Butterflies might seem like an innocuous research subject for a woman, although in the 17th century universities were still exclusively male. However, aside from the silkworm (Merian’s first focus) which was revered for its contributions to luxury cloth, the butterflies and creeping caterpillars were seen as lowly beings, or worse, demonic. “For some people, these creatures were the work of the Devil, and those who interested in them were surely up to no good — why, they might even be witches, who must be put to death,” Friedewald writes in A Butterfly Journey. He notes that according “to popular belief, witches possessed the power to change themselves into butterflies in order to curdle cream and butter.” Thus the name “buttervögel” in German and “butterfly” in English.


Portrait of Maria Sibylla Merian (via Leipzig University Library/Flickr) (click to enlarge)

Friedewald doesn’t go too in-depth into the trials of working as a woman in science in the 17th century, or her influence on women naturalists who followed. However, the book does show how she personally progressed from a young girl curious about the natural world, to one of the first researchers to examine butterflies in such detail. At the time, spontaneous generation was still considered by many to be the butterfly’s mode of reproduction.