Posts mit dem Label paramaribo werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label paramaribo werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

27.12.2017

Reisebericht: Kotomuseum Paramaribo




Angisa – ein Kopftuch für die freie Frau

3. Januar 2017 von Steffi | 2 Kommentare
Paramaribo, Surinam, 24. November 2016

Stoffe fantasievoll benennen und durch Kopftücher sprechen: Welch‘ bunte, poetische aber leider mit den Alten aussterbende Kunst! Und natürlich eine, über die ich unbedingt mehr wissen muss!

Aber all das ahne ich noch gar nicht, als wir das Koto-Museum aufsuchen. Mich faszinierten erst mal nur die bunten Stoffe und fülligen Kleider auf dem Flyer des kleinen, feinen und neuen Museums in Paramaribo.

Wieder einmal werden wir von einem Führer begrüßt, dem seine Aufgabe am Herzen liegt. Seine Augen leuchten, sein Mund schmunzelt verschmitzt, als er uns in die Geheimnisse der Kotomsi, der emanzipierten Kreolin mit eigenem Geld in Paramaribo, die zu Beginn des 20. Jahrhunderts Koto und Angisa trug. Frauenvereine trugen maßgeblich zur Entwicklung dieser einzigartigen Mode bei: Jede Frau wollte die Schönste und Kreativste sein.


Kotomisi mit hohem Entenpopo

Koto, der Rock, musste weit und üppig sein, sehr üppig. Damals war in Paris der Entenpopo in Mode, also das betonte Hinterteil. Das muss ja bei den meisten Kreolinnen nicht mehr betont werden, also meiner Meinung nach nicht, und so verlegten sie die Ausstülpung nach oben, gegenüber der Brust auf den Buckel. Da traf es sich gut, dass der Rock sehr hoch getragen wurde. Ich bin nur nicht dahintergekommen, ob unter oder über der Brust.

Diese wurde von einer Bluse, oder einem Bolero bedeckt, der eindeutig europäischen Ursprungs ist und nur oben vorne geschlossen. Deshalb hingen an seiner Rückseite zwei Bänder herab, mit denen er auch vorne gebunden werden konnte, denn in manchen Situationen wollte frau doch sicher bedeckt sein. Die Bänder sprachen allerdings auch Bände: Wie die gesamte Tracht waren sie steif gestärkt, frau konnte sie glatt bügeln oder in Ziehharmonikafalten plissieren: Trug sie ein glattes Band, war sie frei, trug sie ein gefaltetes, gebunden. War es abwechselnd gefaltet und glatt – dann war ihr Mann im Landesinneren, Gold suchen, oder auf einer Plantage, wer weiß das schon! Er wurde in den nächsten Monaten jedenfalls nicht daheim erwartet…


Kotomisi in Einzelteilen

Über die Entstehung dieser Mode, oder Tracht, die es so nirgend woanders gegeben hat, gibt es unterschiedliche Meinungen. Manche sagen, die Frauen der Sklavenhalter wollte, dass die Sklavinnen ihre Brüste bedeckten und so vor den lüsternen Fingern ihrer Männer versteckten, andere sagen, das war schon die Idee der Sklavinnen selbst aus genau dem gleichen Grund. Jedenfalls ist die Kotomisi – auch die Tracht selbst wird so bezeichnet – eine Fusion aus afrikanischer Tradition und europäischer Mode, die in Surinam einen ganz eigenen Ausdruck annahm. So knoten auch die Afrikanerinnen und die Kreolen in der Karibik gerne Tücher um ihren Kopf, doch die Kunst, mit Tüchern zu sprechen, entwickelte sich nur in Surinam.


„Ich bin eine Goldmünze, ich gehe durch viele Hände, doch ich verliere nicht meinen Wert.“ Angisa einer Prostituierten

22.01.2016

Maxi Linder

image
Wilhelmina Angelica Adriana Merian Rijburg alias Maxi Linder (1902-1981), was een Surinaamse prostituee die tot ver over de grenzen van Suriname bekend was. Zij was schaamteloos, welbespraakt, extravagant en onzelfzuchtig. Nederlandse zeelieden en soldaten noemden haar liefkozend “De Zwarte Parel van de West”. Tot haar klanten mag ze in de jaren dertig de meest vooraanstaande en machtige mannen van Paramaribo rekenen, onder wie zelfs de Nederlands gouverneur.
Zij zou met de opbrengst van haar werk diverse mensen financieel hebben ondersteund en ook de opleiding in Europa van vele kansarme Surinaamse jonge mannen, die later hoge posten in de samenleving bekleedden, hebben betaald. Zij heeft er geen enkele blijk van waardering voor teruggekregen. De laatste jaren van haar leven bracht zij in eenzaamheid met haar vele honden door.
In 1999 verscheen er een roman van Clark Accord over het leven van Maxi Linder. In Paramaribo is sinds enkele jaren het Maxi Linderhuis: een inloop- informatiehuis voor onder andere prostituees, hiv-geïnfecteerden en slachtoffers van seksueel geweld.
Fotobron:http://bukubooks.wordpress.com/oema/
(Source: bukubooks.wordpress.com)

13.01.2016

Stadtarchiv Zürich: Schweiz und Suriname

- Pfarrer Heinrich Grob (Paramaribo):
Bericht über Erlebnisse in Surinam, 14. Mai 1773 - Publizierte Findmittel: GAGLIARDI, S. 1344
Signatur: Ms. S 518, S. 13-33
(vgl. auch ZTB, 1932, S. 78ff.)
Brief an den Bruder in Zürich, Grob war als Pfarrer im Dienste der Westindischen Handelskompagnie in Paramaribo tätig, er hielt selber Sklaven (S. 30) und berichtet über die entlaufenen Sklaven im Hinterland der Kolonie („Buschneger“)

- Salomon Wolf, Textilindustrie (Indiennefabrikant), 1734-1798
StAZH D 274-275
Wolf befasste sich mit Textilhandel und seit 1773 mit der Indiennefabrikation, zwischen 1798 und 1806 wanderte er nach Lissabon, wo er weiterhin in der Textilbranche tätig war. Der Bestand enthält Gerichtsakten mit Angaben über Liegenschaften (Testament, Inventare) (D 274) und Geschäftspapiere (1778-1798) (D 275).


09.01.2016

Adriaan François Lammens (1767-1847)

19 Saturday May 2012
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Dutch books
flora & fauna, kolonisatie, plantages, religie, Slavery

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 to 1822. Door Mr Adriaan François Lammens. Amsterdam: Vrije Universiteit,1982
Over de geschiedenis van Suriname is nog lang niet alles gezegd. Veel daarvan ligt nog verborgen in archieven, dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten. In het Surinaams Museum in Paramaribo worden in achttien banden de Memoires en onuitgegeven werken van Adriaan François Lammens bewaard. Mr Adriaan François Lammens (1767-1847) speelde een belangrijke rol in het koloniaal bestuur van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Precies dertig jaar geleden (in 1982) werd een deel van het manuscript van Lammens door de Vrije Universiteit Amsterdam en het Koninklijk Institituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) gepubliceerd. Het werk van Lammens is een rijke bron van informatie over het leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Belangrijk hierbij is dat Lammens ook veel informatie geeft over het leven in de stad Paramaribo. Tot dan toe gingen de meeste verhandelingen meer over hetgeen zich op de plantages afspeelde.



Stadsplan Paramaribo ca. 1767 (Tirion)

Lammens was geen vluchtige bezoeker die, zoals veel van zijn voorgangers, een oppervlakkige beschrijving geeft van hetgeen hij om zich heen zag. Hij verbleef bijna twintig jaar (1816-1835) in Suriname en was er o.m. President van het Hof van Justitie en het Militaire Gerechtshof. Door tijdgenoten zoals Teenstra wordt Lammens omschreven als één der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren van de kolonie. Hoewel hij natuurlijk deel uitmaakte van de elite die het systeem van de slavernij in stand hield was hij tegelijkertijd kritisch over de uitwassen er van. Hij veroordeelt de onbetamelijke en wrede wijze waarop sommige eigenaren hun slaven behandelen. Lammens wijst bijvoorbeeld op het doodschieten van een slavin door directeur Balfour van plantage Berlijn die daarvoor ‘aan het zwaard der gerechtigheid of aan de koord’ ontsnapte.



Plantage Berlijn

Het verval van de Kolonie komt door dat de gemaakte winsten naar Nederland worden doorgesluisd: “De Kolonie is als een melkkoe, welke men steeds melkt, en die men bijna niet te eten geeft.” In zijn opvattingen over slaven onderscheidt hij zich niet van zijn tijdgenoten. De slaaf is traag en lui, zo stelt Lammens, maar zijn afkeer van werken heeft hij afgekeken van zijn meester. De negerslaaf “vormt het eenig werksaam deel der bevolking, in het belang van Nederland, zonder hen bestond de kolonie niet.”

In het eerste deel beschrijft Lammens de geografie van het land. Lammens heeft zelf ook deelgenomen aan tochten naar Nickerie, hij bevoer de Corantijn en de Marowijne. Interessant zijn ook de beschrijvingen van verschillende wandeltochten door en om Paramaribo. De weg naar de plantage Ma Retraite, met aan weerszijden Kombées of tuinen, is beplant met sinaasappelbomen, manjebomen, zuurzak en broodbomen. Van Ma Retraite loopt men naar de plantage Tourtonne waarvan men in een half uur weer in de Gravenstraat komt. Deze laan door een wild bos en is met hoge bomen beplant.

Nog interessanter wordt het als Lammens de bevolking van de kolonie onder de loep neemt. Zo beschrijft hij dat de blanke inwoners zich verre houden van de kleurlingen en met verachting op hen neerkijken. Zij stellen ‘den neger verre boven den mulat (kleurling, ch)’. De kleurling verenigt volgens de blanken de gebreken van blank en zwart. Dat is volgens Lammens niet alleen onstaatkundig maar ook dom (als de kleurlingen en de zwarte bevolking zouden samenspannen zouden de blanken geen schijn van kans hebben) en ongerijmt.

28.12.2015

De planter van Paramaribo

De planter van Paramaribo. Eduard Gerdes (1891).
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Children's Books, Dutch books, German books
≈ Comments Offon De planter van Paramaribo. Eduard Gerdes (1891).

De planter van Paramaribo, in: Agathos, of de wapenrusting Gods. E. Gerdes. Utrecht: J.H. van Peursem, 1891.

De lezers die deze blog al langer volgen herinneren zich misschien nog het stuk over Der pflanzer von Paramaribo (18 december 2011). Dit verhaal vond ik in een verhalenbundel voor de jeugd Aus fernen Welten. Geschichten und Bilder für die Jugend geschrieben (1891). De samensteller van deze bundel was A.H. Fogowitz maar het is zeker dat hij niet de auteur van dit verhaal was. Uit onderzoek weten we dat dit verhaal in ieder geval teruggaat tot 1833. Toen verscheen het in Bohemia: oder Unterhaltungsblätter für gebildete Stände (Nummer 1; no. 76; 25 juni 1833). In 1842 verscheen dit verhaal ook in ’Der Aufmerksame, ein Unterhaltungsblatt’. Hierin wordt gemeld dat dit gebaseerd is op een waar verhaal uit 1786. Verwezen wordt naar een Engels origineel van G.A. Dorn. En in 1872 duikt het verhaal op in een krant in Nieuw-Zeeland onder de titel: Only a nigger. In mijn promotie-onderzoek naar de representatie van Suriname in Duitse literatuur zal ik verder ingaan op de ontstaansgeschiedenis en achtergrond van dit merkwaardige verhaal.



Maar ik kan mij niet bedwingen nu alvast een bijzondere vondst met u te delen. Afgelopen vrijdag kreeg ik op de boekenmarkt op Het Spui in Amsterdam bij de kraam van Antiquariaat De Klikspaan (uit Leiden) een klein papieren boekje met gele omslag in mijn handen gedrukt: Agathos of de Wapenrusting Gods. De antiquaren van De Klikspaan, sinds jaar en dag belangrijke leveranciers van de collectie Buku Bibliotheca Surinamica, kennen mijn interessegebied en ik vermoedde direct iets bijzonders in handen te hebben. Toen ik de auteursnaam E. Gerdes zag staan wist ik dat er een link met Suriname moest zijn. Eduard Gerdes (1821-1898) was geboren in het Duitse Kleef en verhuisde op jonge leeftijd naar Amsterdam. Hij werd opgeleid tot predikant en werkte onder de arme arbeidersgezinnen op Kattenburg en Wittenburg. Dat ligt op een steenworp afstand van de plek waar de Buku collectie zich bevindt. Gerdes behoorde samen met P.J. Andriessen tot de belangrijkste kinderboekenschrijvers van de 19e eeuw. In 1867 verscheen van zijn hand De kanten Zakdoek. Een verhaal uit den ouden tijd. Dit kinderboek dat deels in Suriname speelt is vele malen herdrukt en moet bijzonder beeldbepalend zijn geweest voor vele generaties Nederlandse jeugdigen.

23.06.2015

Koto Museum: koto’s en herleving van herinneringen

De kotomisi’s zijn voor altijd thuis en vanaf komende week weer te bewonderen in het nieuw onderkomen van het Koto Museum. Behalve hun eigen verhalen vertellen ze ook die over de eeuwenoude Surinaamse gebruiken, taferelen en gewoontes. “Als je binnenstapt leer je niet alleen over de kotomisi, maar meer nog over het gewone en dagelijkse leven in Suriname,” vertelt curator Christine van Russel-Henar. “Menig bezoeker haalt hier jeugdherinneringen op en voelt zich voor even weer ‘thuis’. Voor andere is het een Eyeopener.” koto museum1


08.06.2015

postkarten / kotomisis

Dolly met Roosje op den arm, staand poserend in kotomisi, Théodore van Lelyveld, 1895 - 1898










11.10.2014

View of slavery Atlanto-centric? Report of symposium Slavery in the Dutch empire

View of slavery Atlanto-centric? Report of symposium Slavery in the Dutch empire


In the Netherlands slavery is usually associated with Atlantic slavery. The current view of slavery might even be called 'Atlanto-centric'.

Wrongly so, was the opinion of the three young researchers who spoke at this symposium organized on September 25 by IISH-KNAW. Figures presented by IISH researcher Matthias van Rossum - some of which were previously unpublished - showed for example, that slavery in the Dutch empire in the East was on a similar scale as in the West.

In the seventeenth century the slave trade in the VOC areas was even more extensive than that under Dutch control in the West. This ratio was not reversed until the second half of the eighteenth century.

Slavery on a large scale

For Ulbe Bosma, senior researcher of the Institute and professor at the VU, slavery was not a new phenomenon in the East, but he stressed the importance of global comparative research. He introduced the symposium based on Bruno Laskers book Human Bondage in Southeast Asia, which already made a case for a comparative and long-term perspective on the development of various forms of forced labour in 1951.

The presentations of both Matthias van Rossum and Kate Ekama (PhD candidate at the University of Leiden) showed clearly that - at least where it concerned slavery - it was not a 'mild native' version, but slavery on a large scale in many sectors of the economy. Besides, slaves were also traded and owned by VOC employees in significant numbers.

The presentations were based on 'fresh' research and were full of new insights into the diversity of slavery in the Dutch Empire. Kate Ekama, for instance, discussed the cultural interaction, origin, position and opportunities of slaves in Colombo, Ceylon on the basis of a lawsuit.

Iberian slavery

Leiden researcher Karwan Fatah Black - who represented the West during this evening - highlighted slavery in the city of Paramaribo. He described this urban slavery as a form of labour integrated in the household, where the private and commercial deployment of slaves were intertwined. This form existed throughout the Dutch Empire, and before that already in the Portuguese sphere of influence. Fatah-Black even went as far as stating that research into the history of Iberian slavery is of great importance to obtain insight into the roots of Dutch slavery.

This 'knowledge under development' took its toll on the room, which consisted largely of an audience with a broad range of interests. The existing view of Dutch slavery that many had was turned a little on its head by what was presented here.

Adjust the old view?

The definition of slavery remained a recurring theme throughout the evening (distinguishing characteristics that came up were among others: sellable property, traded and shipped over long distances, the legal position (as a witness or victim of crime) etc,). Several questions from the audience were about this and gave the impression that people were looking for similarities and differences with the standardized view of slavery as known on the plantations in the West. The latter was further underlined by KITLV director Gert Oostindie, in the final conclusion.

That this search was not ready yet at the end of the evening, is quite understandable. The presentations lead, after all, to the updating of an old existing view and more new questions ... and more research.


Tamira Combrink

 -------
Minisymposium: Slavernij in het Nederlandse imperium
Datum: 25 september 2014
Locatie: Trippenhuis, Kloveniersburgwal, Amsterdam
Twee slavingen. Collectie KITLVHet debat over het slavernijverleden beperkt zich in Nederland meestal tot de Atlantische slavenhandel. Minder bekend is dat in de vroegmoderne tijd (1600-1800) ook in Azië grote aantallen slaven verhandeld werden. Nederlanders in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie vervulden hierin zelfs een grote rol. Hoewel gekenmerkt door complexere handelsstromen, deden de omvang van het slavenbezit en de slavenhandel in Azië niet onder voor die in de Nederlandse Atlantische invloedssfeer.

In deze bijeenkomst -  organiastie IISG en KNAW -  worden de vormen van slavernij in het vroegmoderne Nederlandse imperium onder de loep genomen. Dit gebeurt aan de hand van voorbeelden uit verschillende gebieden (Paramaribo, Colombo en Batavia). Wat voor werk deden de slaven? Waar en hoe werden zij verhandeld? En hoe werkte de slavernij in de verschillende gebieden in latere eeuwen door?

Programma

18.00 uur

Inleiding Ulbe Bosma (IISG/KNAW)

Kate Ekama (Universiteit Leiden)
Casus: Slavernij in Colombo

Karwan Fatah- Black (Universiteit Leiden)
Casus : Slavernij in Paramaribo

Matthias van Rossum (IISG/KNAW)
Casus: Slavernij in Batavia

Synthese Gert Oostindie (KITLV/KNAW)

Moderator: Aukje Lettinga (IISG/KNAW)

20.00 uur Borrel

http://socialhistory.org/en/news/view-slavery-atlanto-centric-report-symposium-slavery-dutch-empire

10.05.2014

Violence and Hope in a Space of Death: Paramaribo


Richard Price
About 1710, J. D. Herlein, a Dutch visitor to Paramaribo, reported that a runaway slave from the town had been recaptured by the authorities. His sentence, which the court intended "to serve as an example to others," was "to be quartered alive, and the pieces thrown in the River." Herlein witnessed the execution: "He was lain on the ground, his head on a long beam. The first blow he was given, on the abdomen, burst his bladder open, yet he uttered not the least sound; the second blow with the axe he tried to deflect with his hand, but it gashed the hand and upper belly, again without his uttering a sound. The slave men and women laughed at this, saying to one another, 'That is a man!' Finally, the third blow, on the chest, killed him. His head was cut off and the body cut in four pieces and dumped in the river."
Herlein made clear that the harshness of this sentence was no anomaly, explaining to his European audience that "if a slave runs away into the forest to evade work for a few weeks, upon his being captured his Achilles tendon is removed for the first offence, while for the second offence, if they wish to increase the punishment, his right leg is amputated in order to stop him from running away; I myself was a witness to slaves being punished thus."
As in other capitals of New World plantation colonies, maintaining order among the mass of enslaved laborers was a central concern. In the idealized slaveocracy, planter hegemony would leave little room for slave response or maneuver and dramatic public executions, a veritable theatre of terror, played a central role toward this end. But the victims in the colonies, unlike those who suffered judicial penalties in the metropoles, generally refused to play their designated roles and mocked the system until their dying breaths, flaunting their individuality and resistance.
In the exercise of totalizing power, capital punishment constitutes a limiting case–yet for this very reason, it may be a good place to plumb the ultimate capacities of the oppressed to respond, resist, and create. An examination of the ways that condemned slaves went to their deaths reveals much about the limits of planter power and about the spirit that allowed slaves to create, within the limited spaces available to them, a world of their own, one that influenced not only every aspect of their own descendants' lives but also that of the descendants of their oppressors.
By the time of Herlein's visit, Paramaribo was a small, bustling town that served as the administrative and commercial hub of a fast-growing sugar plantation colony in northeastern South America. Named after the Amerindian village that had occupied the site, ten kilometers up the Suriname River from the Atlantic, it was dominated by the wooden fort (Zeelandia) that gave the town its name in the creole language created by the slaves: Foto. The first fort, and the town itself, were founded soon after 1650, when Frances Lord Willoughby of Parham sent out an expedition from Barbados to establish the English colony that lasted until the Treaty of Breda (1667), in which the English traded Suriname for New York with the Dutch.

Fig. 1. Paramaribo ca. 1710. From J. D. Herlein, Beschryvinge van de Volk-plantinge Zuriname (1718).
The town had grown from fewer than thirty houses in 1678–the homes of officials, inns, and public houses–to a couple of hundred structures with some five hundred people, only 3 percent of the colony's population but one-third of its Europeans (who included Dutch, French, Portuguese, Jews, Germans, Scandinavians, and others). The remaining whites lived either in and around the town of Jews Savanna fifty kilometers upstream, which had its own synagogue and where half the colony's slaves were owned, or on the plantations themselves. Paramaribo was the port where planters and their delegates did their shopping for slaves as well as other goods, all of which moved between town and plantations in boats rowed by slaves, and where they carried out their administrative affairs. In the early eighteenth century, over 95 percent of the colony's eighteen thousand slaves–almost all of whom had been born in Africa and two-thirds of whom had arrived during the previous decade–worked and lived on plantations.

11.10.2010

PLANTAGEN, SURINAME UND BERBICE

Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname; Graveur: Leth, Hendrikde, Cartograaf: Lavaux, Alexanderde. 1758

Omdat de bestaande kaarten van de kolonie niet meer toereikend waren zaten de directeuren van de Sociëteit van Suriname al lang verlegen om een goede nieuwe kaart. Plantage-eigenaren stoorden zich namelijk weinig aan de voorschriften ten aanzien van het meten van hun gronden en het registreren ervan. In 1734 liet Alexander de Lavaux - vaandrig in dienst van de Sociëteit en gezworen landmeter van Suriname - de directeuren weten dat hij al twee jaar bezig was met een nieuwe kaart, die bovendien al bijna gereed was. Op hun verzoek werd de kaart in 1737 in Amsterdam gegraveerd. De kaart, waarvan het noorden onder ligt, omvat in het bijzonder het cultuurgebied langs de Suriname- en Commewijne rivieren. Er zijn 436 plantages op aangegeven, die opgenoemd worden in de legenda, vergezeld van opgaven over oppervlakten en eigenaars. Voor het eerst staan alle cultuurgebieden in de omgeving op één kaart ingetekend. In de binnenlanden zien we o.m. 'wegloopers dorpen' die in brand staan en andere getuigenissen van acties tegen de Marrons waarbij De Lavaux betrokken is geweest.
http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/SURI01:KAARTENZL-105-20-03


Landkaart van de Volkplantingen Suriname en Berbice; Uitgever: Ottens, Reinier. 1758-1767

De basis van het huidige Suriname werd gelegd door de Engelse kolonisatie aan de Suriname rivier, begonnen in 1651. Toen de bloeiende jonge kolonie in 1667 door Abraham Crijnssen in naam van de provincie Zeeland werd veroverd, strekte het gebied zich uit tot aan 'den Westkant der Rivier Coppename'. Verder naar het westen bevond zich nog een andere Zeeuwse kolonie, Berbice of 'Berbiesjes', gesticht door Abraham van Peere (1627). Tussen beide volksplantingen strekte zich het stroomgebied van de Corantijn uit, als een leeg niemandsland. Daarover werd een schikking getroffen tussen Van Peere en Gouverneur Van Sommelsdijk. In ieder geval werd de westgrens van Suriname op de kaarten uit de 18e eeuw aangegeven als een rechte lijn, lopende van de Duivelskreek (een nu niet meer bestaand riviertje) langs de meest oostelijke bocht van de Canje rivier, een zijtak van de Berbice rivier. De kaartuitgevers Reinier en Josua Ottens uit Amsterdam waren met deze mooie overzichtskaart de eersten die de kolonie Berbice in beeld brachten.

KOTOMISI IN PARAMARIBO

 TM-nummer: 60006556 - Datering: ca. 1935

 TM-nummer: 60006820 - Datering: ca. 1930

TM-nummer: 60006823 - Datering: ca. 1910