De pronkzucht in de kolonie (ca. 1800-ca. 1863)'
Na de eeuwwisseling (1800) wordt de hoofddoek als onderdeel van de kleding voor het eerst door Von Sack (1810) genoemd. Voigens zijn besehrijving zijn de dames in de stad dol op de versehijning van hun goed geklede slavinnen op de speeiale danspartijen (Baljaar) rond Kerst. Ze kleden zieh dan in het algemeen met mousselinen of fijne ealieo stoffen, het hoofd versierd met een tulband of mousselinen hoofddoek. De sieraden zijn gouden kettingen aan hals en armen.
Dat de dames in Paramaribo erg gesteid zijn op de praehtig uitgedoste slavinnen (welke hun het meest trouw zijn), blijkt uit meerdere bronnen. Dat dit eveneens geldt voor de kleurling-misi vertelt Lammens (die de periode 1816-1822 besehrijft): "De bijzitten der blanke mans of de missis, stellen een groten roem en hovaardij in, hunne vrouwelijke bedienden, met goud en kralen zeer op te sieren, zodat het in het overdrevene gaat, hetgeen, daar die meijsjes veelal welgemaakt zijn, niet ongevallig staat." (Lammens 1982 :81) De persoon die ondermeer hieraan een hele roman gewijd heeft, welke helaas nooit in zijn geheel is versehenen (de hoofdstukken zijn afzonderlijk gepublieeerd als feuilleton in 'De Surinamer' van 1907 en later in het tijdsehrift 'Opbouw', jaargang 1954) is pater H. Rikken. Deze roman 'Ma Kankantrie' speelt zieh af rond 1800 en vertelt ons op een zeer beeldende wijze over slavinnen, sisi, misi, du-partijen en winti, waaruit de lezer tenslotte lering moet trekken.
