Posts mit dem Label dutch colonialism werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label dutch colonialism werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

29.01.2018

Nederland was voor even de grootste slavenhandelaar ter wereld


De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode uit de geschiedenis. Minder bekend is dat Nederland toen ook een grote ronselaar van werkkrachten voor Braziliaanse plantages was. Sterker nog: een tijdlang was het ’s werelds grootste handelaar in slaafgemaakten.


Karwan Fatah-Black


'View of Olinda' door de Haarlemse schilder Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1662.

De Gouden Eeuw staat bekend als dé bloeiperiode van Nederland. Maar wist je dat de Republiek der Verenigde Nederlanden De Republiek der Verenigde Nederlanden was tussen 1588 en 1795 een statenbond met trekken van een defensieverbond en een douane-unie. Ze besloeg grotendeels het grondgebied van het huidige Nederland. Wikipedia Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in grofweg diezelfde periode verantwoordelijk was voor 5 procent van alle handel in slaafgemaakten naar de Amerika’s?

Sterker nog: wist je dat Nederland tussen 1650 en 1675 de grootste handelaar in slaafgemaakten tussen West-Afrika en Zuid-Amerikaanse plantages was?





Tegenwoordig herinneren we ons in Nederland de zeventiende eeuw maar zelden als een periode van koloniale expansie. De aandacht gaat liever uit naar schilders, bestuurders en enkele zeehelden.

Als we het wel over de trans-Atlantische slavernij hebben, vertellen we onszelf graag dat Nederland hooguit de grootste van de kleintjes was, in een misdaad waarin iedereen deelde. De Britten, Fransen, Spanjaarden en niet te vergeten de tussenhandelaren en koninkrijken op de West-Afrikaanse kust speelden een veel grotere rol.

Dat verhaal is misschien geruststellend. Er is niets uniek gewelddadigs of racistisch aan wat onze voorgangers overzee uitspookten, denk je dan.

Internationaal denken historici daar toch een beetje anders over. De Nederlanders van de Gouden Eeuw waren niet alleen gewiekste tussenhandelaren, maar ze waren ook ontzagwekkend efficiënt als het ging om het organiseren van geweld overzee en het ronselen van (al dan niet vrije) werkkrachten. Historici spreken daarom zowel van een ‘Dutch primacy in world trade’ als van een ‘Dutch moment’ in de geschiedenis van het Atlantisch gebied. En dat zijn geen complimenten.

De verovering van overzeese gebieden in het Atlantisch gebied was een fundamenteel onderdeel van de internationale politiek van de Republiek. Het ‘Dutch moment’ was er een van handel, geweld en van slavernij. En doordat de West-Indische Compagnie (WIC) zich inliet met het verschepen van slaafgemaakten van West-Afrika naar plantages in ‘Brasiel,’ heeft Nederland een grote rol gespeeld in de vorming van wat nu Brazilië heet.




Braziliaans landschap met een arbeidershuis. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.


Wat Nederland in Brazilië deed

Het is misschien wel de onbekendste kolonie van Nederland: Brazilië. Nederland veroverde er de eerste plantagegebieden tijdens de slotakte van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Na een eerste aanval in 1624 drongen tussen 1630 en 1654 de troepen van de WIC diep door in de Portugese overzeese delen van het Habsburgse rijk. Dit rijk bestond uit zowel Spanje als Portugal, die destijds samen de Iberische Unie vormden. Portugese forten op de Afrikaanse kust en plantagegebieden in Brazilië werden door Nederlanders veroverd.

En daar werd zeker niet alleen gevochten en geplunderd. De forten in Afrika werden door de WIC gebruikt om mensen in te kopen om deze vervolgens op plantages in Brazilië te werk te stellen voor onder meer suikerproductie.

De Nederlandse activiteiten in Brazilië waren niet altijd zo onbekend. Sterker nog, in die tijd waren ze het gesprek van de dag. ‘Brazilië’ was zelfs ‘een van de meestbesproken nieuwsonderwerpen van de Nederlandse Gouden Eeuw.’

Brazilië sprak destijds erg tot de verbeelding van de zeventiende-eeuwse Nederlanders. Lang voor de eerste aanval waren boeken beschikbaar geweest die repten over het land met exotische dieren en zo mogelijk nog exotischere mensen, en nu was het in handen van de heldhaftige republiek, zo dacht men.




Braziliaanse granen, vruchten, groenten en pinda’s. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 17e eeuw.


De eerste ronde: Nederland verplaatste zijn oorlog met Spanje naar de Amerika’s

De eerste aanval op Brazilië in 1624 was onderdeel van de Nederlandse oorlogsstrategie tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het plan was niet mals geweest. De WIC stelde ‘dat men de koning van Spanje […] van zijn jaarlijkse inkomsten behoorde af te snijden.’ Daarnaast was het plan om het strijdtoneel tussen de lage landen en Spanje te verplaatsen naar het wereldtoneel.

Het was op hun beurt de Spanjaarden niet ontgaan dat de opstandige Nederlandse provincies het op hun overzeese rijk hadden voorzien. De aanval van de Nederlanders in de Braziliaanse Allerheiligenbaai in 1624 provoceerde dan ook een grootscheepse Spaanse reddingsactie. Spanje stuurde 56 schepen en ruim twaalfduizend manschappen de oceaan over. Geen enkele trans-Atlantische troepenverplaatsing was groter geweest dan wat er op gang kwam om Brazilië voor de Habsburgers te behouden. Het is dan ook niet helemaal verwonderlijk dat Nederland snel de eerste veroveringen kwijtraakte.

Dat we dit uit ons collectieve geheugen hebben gewist, komt misschien wel door de nederlaag die snel op het eerste succes volgde. Maar dan nog is het niet terecht dat ‘Brazilië’ een verzwegen geschiedenis is geworden.
De tweede ronde: Nederland ging zich met handel in slaafgemaakten bezighouden

De tweede ronde van Nederlandse veroveringen in Brazilië begon in 1630 en was succesvoller. Het grotere plan van de WIC was om zowel plantagegebieden alsook forten in Afrika te veroveren. De bedoeling: greep krijgen op de handel in slaafgemaakten en de suikerproductie.




De suikerfabriek en de plantage van Engenho Real. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650-1675.



Dat de WIC zich begon in te laten met slavernij is eigenlijk verbazingwekkend. Het was alsof in een volledig op groene energie gebaseerde economie een groep ondernemers plotseling met het voorstel komt om een kolencentrale te openen. Ga maar na: in de steden van de Republiek was al in de middeleeuwen de slavernij afgeschaft. Een stad als Amsterdam was er bijvoorbeeld bijzonder trots op dat er binnen haar grenzen geen slavernij was.

En in de Lage Landen beschouwde men het eigen grondgebied in die tijd niet alleen als slaafvrije zone, men zag zichzelf zelfs als antislavernij: een slaaf die bijvoorbeeld naar Antwerpen of Amsterdam vluchtte, mocht zich beschermd weten tegen uitlevering. Iedereen was binnen die muren vrij.
Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen

Slavernij was, kortom, een achterhaalde en barbaarse activiteit, vonden veel mensen in Nederland. Het houden van slaven en het tot slaaf maken van krijgsgevangen werd destijds meer geassocieerd met de Osmaanse koninkrijken, met name op de kust van Algerije en Marokko waar Europese zeelieden werden gegijzeld.

Dat Spanje en Portugal zich inlieten met het tot slaaf maken van de inheemse bevolking van Amerika werd gezien als een katholieke dwaling, en niet als een activiteit waarmee de Republiek zich wilde inlaten.

Toch ging de WIC er nu zelf toe over deals te sluiten met koningen en tussenhandelaren in West-Afrika om mensen te leveren. De dienaren van de WIC sloten deze gevangenen op in de Nederlandse forten om ze vervolgens op zeilschepen naar Brazilië te vervoeren.

Het was een systeem dat door de Portugezen was opgezet, en nu door de WIC werd overgenomen.

Het vervoer van de tot slaaf gemaakte Afrikanen ging onder erbarmelijke omstandigheden. Vastgeketend en opeengepakt zat men enkele maanden gevangen op weg naar een onbekende bestemming. Velen overleefden door uitputting en ziekten de reis niet. De bemanning paste wrede onderdrukkingsmethodes toe om de controle over de gevangenen te houden.




Links: een Afrikaanse man. Rechts: een Afrikaanse vrouw met kind. Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Hoe slavernij toch werd goedgepraat

Hoewel er altijd tegenstanders van de slavernij bleven bestaan, kozen de meeste bestuurders ervoor om de slavernij overzee te vergoelijken. Voorstanders gebruikten meestal twee argumenten.

Allereerst was slavernij volgens hen te verkiezen boven het doden van vijanden. Zo konden in een rechtvaardige oorlog rechtmatig slaven worden gemaakt. Dit argument verdween al snel naar de achtergrond, omdat dat niet was wat de WIC in Angola en Brazilië deed.

Het tweede argument werd dat Afrikanen de nazaten waren van Noahs vervloekte zoon Cham, wiens nazaten volgens de vloek gedoemd waren om ‘slaven van slaven’ te zijn. Deze lezing van het verhaal gaat er van uit dat Cham en zijn nakomelingen een donkere huidskleur hadden.

Het was een theologische innovatie die voorafgaand aan de bemoeienissen in de Atlantische wereld niet had bestaan, maar die nu als schaamlap voor een nog altijd verwerpelijk geachte activiteit werd gehangen.




Een Braziliaans landschap. Frans Post in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1650.


Zo werd de WIC verantwoordelijk voor de helft van de slaventransporten

Brazilië bleef uiteindelijk niet lang in Nederlandse handen. De Portugezen vochten terug en heroverden de plantages en steden een voor een. Met de verovering van de stad Recife door de Portugezen eindigde in 1654 de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië. De kolonie ging verloren. Dat betekende echter niet het einde van de Nederlandse invloed.
Wat de Nederlanders hadden geleerd in Brazilië pasten ze nu toe in de rest van de Atlantische wereld

Sterker nog: na de definitieve Nederlandse nederlaag in 1654 transformeerde het land van oorlogsmachine tot een succesvol tussenhandelaar in slaafgemaakten. De eerdere schroom was volledig verdwenen.

Wat ze hadden geleerd in Brazilië werd nu toegepast in de rest van de Atlantische wereld. Zo werden Nederlandse slavenschepen tussen 1650 en 1675 verantwoordelijk voor maar liefst de helft van alle slaventransporten over de Atlantische oceaan.

Deze transporten gingen niet langer naar Brazilië, maar in plaats daarvan naar Curaçao en vervolgens verder naar de Spaanse koloniën in Zuid- en Midden-Amerika. Ook leverde men aan de nieuwe suikerplantages op het Engelse Barbados. Nederlandse ondernemers en bestuurders maakten in een cruciale fase van de geschiedenis het Britse en Franse rijk verslaafd aan suiker, plantages en slavenarbeid.


Aantal getransporteerde slaafgemaakten Tussen 1650 en 1675 over de Atlantische Oceaan N




Van Brazilië naar Suriname

Het verlies van Brazilië was in eerste instantie een traumatische gebeurtenis voor Nederland. Het maakte pijnlijk duidelijk hoe verdeeld de provincies in de Republiek der Verenigde Nederlanden onderling eigenlijk waren. De Zeeuwen wilden graag doorvechten, maar het berekenende Amsterdam kreeg haar zin. Het verlies werd genomen en de militaire versterking voor de door Portugezen belegerde WIC-troepen in Recife kwam er niet.

In Amsterdam wilde men zo snel mogelijk de schande van de nederlaag vergeten. Men ging zich bezighouden met een (niet lang daarna eveneens mislukte) kolonie in de Delaware en tussenhandel in de Atlantische wereld.

De Zeeuwen zinden nog wel op een revanche. Pleidooien voor een herovering waren tevergeefs, dus begon men te zoeken naar een ‘Tweede Brazilië.’

Eerst dachten Zeeuwse bestuurders dit op Tobago gevonden te hebben, maar in 1667 herkende men een Engelse kolonie aan de Surinamerivier als kanshebber. Toen de Zeeuwen van Holland geen steun kregen voor hun nieuwe koloniale plannen, veroverden de Zeeuwen op eigen houtje Suriname op de Engelsen.

Suriname werd daadwerkelijk een tweede Brazilië. Vluchtelingen uit Brazilië vonden er een veilig heenkomen om nieuwe plantages op te zetten. De handel in slaafgemaakten werd verder gereguleerd en algauw produceerde de kolonie miljoenen ponden suiker per jaar. De slavernij en suikerproductie werden op Braziliaanse leest geschoeid. Men kopieerde wat men in Brazilië had geleerd.




Links: een Tupiaanse vrouw met een plantage op de achtergrond. Rechts: een Mestiço man (een kind van een Europeaan en een inheemse). Albert Eckhout in opdracht van militair Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen, 1641.


Waarom we deze geschiedenis niet mogen vergeten

De herinnering aan het Nederlandse slavernijverleden wordt gedragen door Afro-Nederlandse nazaten van slaafgemaakten uit Suriname, Curaçao en de kleinere eilanden. Brazilië is in die herinnering een verborgen verleden. Er herinnert in Nederland maar weinig nog aan de periode die aan de Surinaamse slavernij voorafging.

We hebben de Atlantische geschiedenis van Nederland nodig om ons beeld van de Gouden Eeuw compleet te maken. Het was niet alleen de glorietijd van dynamiek, immigratie, wetenschap, kunst en ondernemerschap. Men vormde zich toen ook een beeld van de wereld buiten Europa, en men leerde het geweld, uitbuiting en toenemende ongelijkheid te vergoelijken. Slavernijgeschiedenis en koloniale geschiedenis vormen geen aparte afdeling van ons verleden, maar zijn er onlosmakelijk onderdeel van.

De Braziliaanse episode verdient het om aan de vergetelheid te worden ontrukt. Brazilië heeft immers een nawerking gehad die niet te onderschatten is.

Nog belangrijker dan dat is de culturele erfenis. Er ontstond een typisch Europees exotisme waarin Braziliaanse natuur en kunstschatten een belangrijke rol spelen, en de associaties van wit met ‘vrij’ en zwart met ‘onvrij’ stammen uit deze tijd. Deze associaties waren in die tijd nog niet zo kwaadaardig als ze tijdens de Verlichting zouden worden, maar we moeten de oorsprong ervan wel naar deze geschiedenis herleiden.

Dit verhaal is geschreven voor de Maand van de Verzwegen Geschiedenis van De Correspondent en The Black Archives. Ga naar de website van The Black Archives.



Met dank aan Correspondentlid en geschiedenisdocent Marijn Luijten voor het nalopen van de geschiedenisboeken.

03.06.2017

Lisa Jardine’s discussion of Temptation in the Archives


A. L. Stoler: Along the Archival Grain / Buchrezensionen

Along the Archival Grain. Epistemic Anxieties and Colonial Common Sense
Rezensiert für H-Soz-Kult von  Minu Haschemi Yekani, Department of History and Civilization, European University Institute Florenz


Ereignisse strukturieren nicht selten historiographische Erzählungen. Michel Foucault hat das Ereignis – freilich gegen die klassische Ereignisgeschichte argumentierend – als einschneidende Einzigartigkeit definiert. Es sei durch keine Regierungszeit, keinen Vertrag oder keine Entscheidung markiert, sondern durch nichts weniger als durch „die Umkehrung eines Kräfteverhältnisses, den Sturz einer Macht, die Umfunktionierung einer Sprache und ihre Verwendung gegen die bisherigen Sprecher, die Schwächung, die Vergiftung einer Herrschaft durch sie selbst, das maskierte Auftreten einer anderen Herrschaft.“[1] Ann Laura Stoler verlegt in ihrem neuen Buch „Along the Archival Grain. Epistemic Anxieties and Colonial Common Sense“ – mit und gegen Michel Foucaults Arbeiten – das Ereignis in die (kolonialen) Archive.

Ganz den Dokumenten zur niederländischen Kolonialherrschaft in Indonesien verschrieben, definiert Stoler das archivarische oder „archivalisierte“ Ereignis als „moments that disrupt (if only provisionally) a field of force, that challenge (if only slightly) what can be said and done, that question (if only quietly) ‚epistemic warrant’, that realign the certainties of the probable more than they mark wholesale reversals of direction.“ (S. 51) Mit diesem Fokus ist es ihr Anliegen, auch die Geschichte hinter denjenigen Dokumenten zu beleuchten, die zum Beispiel nie realisierte Pläne diskutieren, Zeugnis von „Nicht-Ereignissen“ (S. 4) geben und damit in der Historiografie selten im Fokus stehen. Mit anderen Worten: Stoler widmet sich marginalisierten Geschichten, der „minor history“. Ihre Spuren, Wirksamkeit und Bedeutung zu belegen, kann als eines der (vielen) Anliegen dieses Buches aufgefasst werden.

Dokumente der Sammlung des niederländischen Kolonialministeriums (1814-1954) aus den Jahren 1830 bis 1930, die im Nationaal Archief, dem ehemaligen Algemenen Rijksarchief, in Den Haag archiviert sind, stellen den Hauptquellenkorpus der meisten Kapitel dar. Nur die langjährige Erfahrung und die genaue Kenntnis dieses Archivs – in Stolers Fall mindestens zwei Dekaden – ermöglichen es, ein solches Buch zu schreiben: Jeder Seite von „Along the Archival Grain“ ist die Virtuosität anzumerken, mit der Stoler die Archivalien liest, vergleicht, nach Lücken forscht, Auslassungen und Durchstreichungen untersucht, die schriftlichen Anordnungen, geheimen Sendschreiben, Rundschreiben, Berichte und persönlichen Briefe gegen das Licht hält, die scheinbar verborgenen „Wasserzeichen“ (S. 8) der Macht lesbar macht und „historische Negative“ (S. 107) entwickelt, wie sie es nennt.

Stolers Fokus richtet sich zudem, dies kennt man bereits aus ihren früheren Arbeiten, auf die Brüchigkeit, welche die Macht von innen heraus bedroht und gleichzeitig stabilisiert. In „Along the Archival Grain“ allerdings geht es weniger als in früheren Arbeiten um Fragen sozialer und kultureller Stratifizierung, als um die im Archiv dokumentierte brüchige (Un-)Einheitlichkeit des kolonialen common sense. Den „archival turn“ (S. 44) aufgreifend, dreht Stoler das (nicht nur) unter Kolonialhistoriker/innen beliebt gewordene Diktum, die Quellen „zwischen den Zeilen und gegen den Strich zu lesen“, um.[2] Stolers Kehrtwende besteht darin, innezuhalten und den Strich zunächst fein säuberlich freizulegen, zu entdecken und mit ihm zu lesen. Dieses Anliegen verbindet sich mit dem Ziel, etablierte Annahmen über Funktion und Funktionsweise der Wissensgenese des kolonialen Staates zu überprüfen und zu überdenken. Stoler verbindet diese Methode mit einem Nachdenken über den Zusammenhang von emotionaler Ökonomie, kolonialer Regierungskunst und dem Archiv, welches – nicht erst seit Jacques Derrida[3] – als Behausung der Macht gilt. Im kolonialen Staat spielte zudem Taxonomisierung eine besonders große Rolle: „The making of colonial categories shares this ambiguous epistemic space. New social objects were the archive’s product as much as subjects of them.“ (S. 43) Das Archiv wird in Stolers Interpretation als eine Sammlung von Aussagen und als ein Depot von Dokumenten verstanden, als ein Ort des Imaginären und der Institutionen, die Geschichte gestalteten. Nicht zuletzt verweise das Archiv auf die emotionale Ökonomie imperialer Projekte, als deren Unterbau sie fungiere. Stoler zweifelt am Konzept eines abgeschlossenen „Wahrheitsregimes“, welches sich in einem vermeintlichen common sense manifestiere: „This shaping of common sense, and the reigning of uncommon sense, together make up the substance of colonial governance and its working epistemologies.“ (S. 38)

Along the Archival Grain / Ann Laura Stoler







24.03.2017

Nola Hatterman





© 2009 dbnl / Rosemarie Buikema en Maaike Meijer
Print Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980(2003)–Rosemarie Buikema,

17 april 1953. Nola Hatterman vertrekt naar Suriname en ontwikkelt zich tot leermeesteres van een generatie Surinaams-Nederlandse beeldende kunstenaars.
15 Een artistiek bemiddelaar tussen Nederland en Suriname


Nola Hatterman was in 1953 54 jaar oud en een bekend en politiek geëngageerd Nederlands schilderes. Haar huis, Falckstraat 9 in Amsterdam, was het bruisende centrum van de Surinaamse cultureel-nationalistische beweging Wie Eegie Sanie (Ons Eigen Ding). De geboren en getogen Nederlandse Hatterman voelde zich sterk verbonden met zwarte mensen en hun cultuur. Zij was een actief lid van de in 1919 opgerichte Vereniging Ons Suriname, nam Surinamers veelvuldig als model voor haar schilderijen en kreeg begin jaren vijftig een steeds groter verlangen zich in Suriname te vestigen. Zij voelde zich in Europa artistiek ontworteld. ‘Ik moest naar Suriname’ zei ze later in een interview, ‘ik kon in mijn gevoel niet verder als ik niet naar Suriname zou gaan.’



Aanvankelijk leek het erop of zij door de Sticusa - een Stichting die de ontwikkeling van de Surinaamse en Antilliaanse cultuur wilde bevorderen - als tekenlerares naar Suriname zou worden uitgezonden, maar Sticusa trok zich terug vanwege Hattermans vermeende communisme. Hatterman ging echter toch. Haar dertigjarig verblijf in Suriname werd een groot succes. Zij werd er inderdaad de ‘ambassadrice’ van progressief Nederland in de gekleurde wereld. Zij stichtte er een professionele school voor Beeldende Kunsten die enkele generaties Surinaamse beeldend kunstenaars opleidde. Haar school fungeerde als een unieke ‘contactzone’ tussen Nederlandse en Surinaamse kunst. Veel van Hattermans leerlingen emigreerden in de jaren zestig tot tachtig naar Nederland, om zich in Europa verder te scholen en er zich als kunstenaar te vestigen. Hatterman was hun trait d'union, de luchtbrug die Surinaamse kunstenaars naar Nederland en Europa bracht.

Hatterman was gekant tegen het antropologisch of volkenkundig perspectief waarbinnen ‘zwarte’ kunst in haar tijd vaak werd geplaatst. Zij zag kunst als middel tot zelfherkenning, tot expressie van zwarte trots en antikoloniale bewustwording. Met die opvattingen en met haar eigen kunstwerken heeft Hatterman de Surinaams-Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw diepgaand beïnvloed. Zij stimuleerde de ‘négritude’ in de beeldende kunst en heeft als geen ander het culturele isolement van Suriname opengebroken én de Nederlandse cultuur getransnationaliseerd. Na haar dood in 1984 is het contact tussen de Surinaamse en Nederlandse kunstwereld voortgezet door haar leerlingen. De Galerie Nola Hatterman (in Nederland) en het Nola Hatterman Instituut (in Suriname) zetten heden ten dage de door haar ingezette professionaliteit en internationalisering voort.

Wie was deze kleurrijke Nederlandse kunstenares? Hoe kwam zij tot haar radicale ideeën? Hoe kwam haar fascinatie met de gekleurde wereld tot stand en wat bracht haar er in 1953 toe naar Suriname te emigreren en er voorgoed te blijven werken?


‘En je kiest als je schildert uiteraard de modellen die je mooi vindt’

Nola (Hendrika Petronella) Hatterman werd op 12 augustus 1899 in Amsterdam geboren. Van kinds af aan kwam zij in aanraking met Indische mensen, doordat haar vader als boekhouder werkte bij een Indische firma. Als jong meisje zat ze op de lagere school met haar vingers op het topje van haar neus te drukken zodat die plat zou worden. Met haar andere vingers krulde zij haar lippen. Zo bleef ze elke morgen ‘een uur of wat’ zitten in de hoop dat zij haar gezicht zo zou kunnen modelleren dat zij op de Indische kinderen uit haar klas zou gaan lijken, die zij mooi vond en aan wie zij zich vaak zat te ‘vergapen’. Op het gymnasium kwam zij in aanraking met hét zuivere schoonheidsideaal, het Griekse, dat zij als prototype echter ‘beslist niet mooi’ vond. Toen ze vervolgens kennismaakte met de Egyptische cultuur met name met de Nefertete dynastie, ontdekte ze in de Egyptische afbeeldingen de ‘negroïde trekken’ die ze prachtig vond (Niemel en Van Broekhoven 1982).

Aanvankelijk leek Hatterman te kiezen voor een carrière als actrice. Zij speelde enkele jaren bij het Rotterdams Toneel en de Koninklijke Vereniging. Ook acteerde ze in een aantal films, waaronder Majoor Frans, naar de roman van Truitje Bosboom-Toussaint, die op 25 augustus 1916 in première ging. Met Johan Kaart en Lily Bouwmeester speelde zij in Helleveeg (1920) en in Oranje Hein (1925) van Alex Benno. Maar in 1925 koos zij definitief voor het tekenen en schilderen (Ottes 1999). Ze kreeg enkele jaren privé-les van Charles Haak, die verbonden was aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie. Via hem kwam Hatterman in contact met Surinamers die er als schildersmodel wat geld bij probeerden te verdienen. Een van die modellen was prins Kaya, eigenlijk Frans Vroom geheten, met wie ze hecht bevriend raakte. In 1927 verhuisde hij van Paramaribo

[p. 259]

naar Amsterdam en woonde een tijd op de benedenverdieping bij Hatterman in de Falckstraat. Prins Kaya behoorde tot het groepje Surinaamse mannen dat Rudie Kagie beschrijft in zijn boek De eerste neger(1989), zie ook hoofdstuk 5. Ze kwamen als verstekeling met de oceaanstomer Cottica of Peter Stuyvesant en vonden na een aanloopperiode vaak werk in de muziek of iets anders ‘artistieks’.
Zelf was de prins aanvankelijk constructiewerker in de plaatijzerfabriek van Verschuren. Mede als gevolg van zijn vriendschap met Nola Hatterman [...] voelde hij zich al snel in het kunstenaarsmilieu meer op zijn gemak dan in de metaal. Hij was vuurvreter, equilibrist, portier, schildersmodel, figurant bij de film, figurant bij de Sleeswijkrevue, figurant bij het grote toneel. (Kagie 1989)

Een ander schildersmodel voor Hatterman was Jimmy van der Lak, wiens artiestennaam Jimmy Lucky luidde. In 1925 arriveerde hij, 21 jaar oud, per oceaanstomer in Rotterdam. Hij ontpopte zich als bokser die ‘ontzettend vlug op de benen’ was en uitkwam in het weltergewicht maar ‘zo nodig ook doorging voor het middengewicht.’ Na een ongelukkige partij, waarbij hij ‘een geweldig pak slaag’ kreeg, beëindigde hij zijn bokscarrière en ging als kelner werken in The Kit Cat Club:
Ik was een trekpleister van jewelste, de enige zwarte kelner in Nederland. Als ik op straat m'n gezicht liet zien, hielden de mensen me aan. Bussen stopten. De baas wou niet dat ik vrij nam omdat de gasten dan voor niks kwamen. Ik was een attractie. (Kagie 1989)

20.03.2017

Bijna Familie




In het gesprek wordt onder andere ingegaan op het vermengen van feiten/geschiedenis en fictie, een thema dat terugkomt in zowel Ena’s als Karin’s werk, evenals in de lopende tentoonstelling Re(as)sisting Narratives, over het gedeelde koloniale verleden tussen Nederland en Zuid-Afrika. Beide schrijvers zullen dieper ingaan op één werk in de tentoonstelling. Zo zal Ena reageren op het werk van Mary Sibande, dat thematisch aansluit bij haar boek. Sibande’s werk Conversations with Madam CJ Walker (2009) is geinspireerd op meerdere generaties vrouwen in haar familie, die huishoudsters waren en die zij als helden beschouwd.


Konneksi-Connectie






Framer Framed







14.02.2017

Wer war Seidenfaden?

Als im Januar 1827 Gerichtsdiener des Justizamtes Obernkirchen in den verschneiten Wäldern am Bückeberg eine notdürftig verscharrte Leiche entdeckten, nimmt einer der spektakulärsten Fälle der deutschen Kriminal- und Justizgeschichte seinen Lauf. Mehr als 10 Jahre sollte es dauern, bis das Verbrechen gesühnt und die Urteile vollstreckt waren.
Dabei macht nicht die Tat - ein Mord unter Dieben - diesen Fall so außergewöhnlich, sondern die Biographie des Täters.
Johann Heinrich Seidenfaden wurde 1797 in Rolfshagen geboren, und wuchs in einer Zeit auf, deren verbreitete Massenarmut später als „Pauperismus“ in die Geschichtsbücher einging.
Wie sein Komplize Wilhelm Mühlhaus entstammte auch er der sozialen Unterschicht, beide waren uneheliche Söhne hessischer Husaren und machten früh Bekanntschaft mit Verbrechen und Gefängnis.
Aus Angst vor Verrat ermordeten Seidenfaden und Mühlhaus 1825 im Wald bei Obernkirchen ihren Komplizen Wilhelm Faul.
 
Steckbrief von Wilhelm Faul
(zu der Zeit war er im Bückeberg versteckt)Das Verbrechen wurde wenig später aufgedeckt, es folgte die Inhaftierung und 1831 das Todesurteil durch das Obergericht Rinteln.
Doch während Mühlhaus 1831 auf dem Rintelner Heinekamp vor den Toren der Stadt öffentlich enthauptet wurde, gelang Seidenfaden zuvor die Flucht aus dem Gefängnis und das Untertauchen in den Niederlanden.
Unter dem Namen „Wilhelm Wiggers“ trat er in die Dienste der niederländischen Armee ein, wo er sich im Niederländisch-Belgischen Sezessionskrieg, bewährte. Anschließend beorderte man ihn in die von Aufständen erschütterte südamerikanische Kolonie Surinam für den Wachdienst im Hafen von Paramaribo und die Jagd nach entlaufenen Sklaven.

Uniform eines westindischen Jägers um 1830

06.02.2017

Willem de Rooij: Blue to Black (2013) and Black to Blue (2015)








In particular, two large-scale sublime textiles Blue to Black (2013) and Black to Blue (2015) trace the global legacy of the Dutch colonial project, looking at textile industries in Ghana and Indonesia where one of the two works was produced with the support of the IMA. More recent developments in de Rooij’s work with hand-woven fabrics can be seen in the series of seven stretched textiles shaped as tangrams (a Chinese dissection puzzle). In this body of work from 2015, hand-spun thread in two colours form the warp and weft to create rich monochromes. Also investigating the ambiguous relations between colour and "meaning" is the iconic work Orange, created by de Rijke/de Rooij in 2004 (his collaboration with Jeroen de Rijke, 1994–2006). This series of slides use a single colour to make reference to an expansive range of subjects. Bouquet XVI (2015), is a monumental dried floral arrangement, sourced locally, that reveals the artist’s multilayered and complex approach to materials and concepts, referencing climate, drought, and the still-life tradition so prominent in Dutch art history. In a surreal twist, Farafra (2013), extends the presence of the natural world through sound.


Since 2009, the artist has taken his inspiration from the structural polarity of woven fabric and thus initiated a reflection around contrast and nuance. These weavings aim to generate meaning through the material they are made of, not through external references. For this exhibition, Willem de Rooij presents four handwoven works and a large wax print on cotton.
Rather than a treated surface, like that of a painting, these woven works are created by use of different mixtures of synthetic polyester sewing thread. Conceived as one installation, the five works make use of the same two colors : black and blue.

The monochromatic appearance of the weavings on closer inspection reveals a gradual transition from one shade of colour to another. The colorimetric modulations facilitate constant shifts in the viewer’s perception of the works on show. Taken in their entirety, they embody sameness as well as difference, the individual and the collective.

The weavings presented at the Chantal Crousel Gallery are part of a larger series, for the creation of which Willem de Rooij restrained himself to a limited number of colors and sizes. The titles of the works, often anagrams derived from names of locations or persons connected to the work add to the myriad cross-references between the various works in this series.

Produced especially for this exhibition, the wax print Blue to Black reminds of former colonial trade-routes and the resulting migration patterns between Asia, Africa and Europe.
In the 19th century Dutch colonial trading companies industrialized the traditional Indonesian Batik fabric printing process. While buyers in Indonesia proved resistant to the mechanical produce, new markets opened in West Africa, where the printed fabrics remain popular also today. Blue to Black was produced by the Ghana Textile Printing Company (GTP) in Tema, Ghana. GTP is owned by a Dutch firm even today; in this line of industry, ancient colonial structures are still at work.

Over the last five years, the notion of "referentiality", or the development of strategies to bypass external references became important elements in de Rooij’s work. Throughout his career, the artist has analyzed the conventions of presentation and representation and assesses the tension between sociopolitical and autonomous image production.


About the artist

Willem de Rooij, born 1969 in Beverwijk, the Netherlands, now lives and works in Berlin, Germany. De Rooij studied art history at the University of Amsterdam and art at the Gerrit Rietveld Academie and the Rijksakademie in Amsterdam. He is currently Professor of Fine Art at the Städelschule, Frankfurt am Main and Guest Advisor at the Rijksakademie, Amsterdam. In 2014 he was nominated for the Vincent Award, Gemeentemuseum Den Haag, The Hague. Recent solo exhibitions include: Entitled (2016), MMK Museum für Moderne Kunst, Frankfurt, Germany; The Impassioned No (2015), Le Consortium, Dijon, France; Character Is Fate (2015) Witte de With, Rotterdam, the Netherlands; Index: Riots, Protest, Mourning and Commemoration (2014), Arnolfini, Bristol, UK; Using Walls, Floors and Ceilings(2014), the Jewish Museum, New York, USA; Farafra (2013), Bergen Kunsthall, Bergen, Norway; Untitled (2012) at Kunstverein München, Munich; Crazy Repelled Firelight (2011), Friedrich Petzel Gallery, New York, USA; and Intolerance (2010) at Neue Nationalgalerie, Berlin, Germany.



15.01.2017

LIDWIEN VAN DE VENFRAGMENTS [of a desire for revolution]


Lidwien van de Ven, Tanah Merah (Papua), 2016


LIDWIEN VAN DE VENFRAGMENTS [of a desire for revolution]
28/01/2017 - 09/04/2017
about the relationship between the Netherlands and Indonesia
Curators: Christiane Berndes

From 28 January 2017 the Project Room in the exhibition The Collection Nowwill be dedicated to FRAGMENTS [of a desire for revolution], a new work by Lidwien van de Ven, commissioned by the Van Abbemuseum. In 2014 the Van Abbemuseum invited Van de Ven to carry out research into the colonial history of the Netherlands in Indonesia. The result is FRAGMENTS, an ambitious installation comprising Van de Ven’s large format photographic works, alongside video and documentary material.
FRAGMENTS

During an exploratory visit in 2015 Van de Ven attended the 60th commemoration of the Konferensi Asia Afrika in Bandung, a meeting that in 1955 brought together 29 African-Asiatic countries to seek economic and cultural collaboration and to fight against colonial domination. One of the highlights in 1955 was President Sukarno’s opening speech. He raised questions, still relevant today, about identity and how we want to live together in a globalizing world. In 2015 the International People’s Tribunal took place in The Hague to examine the military coup in 1965 and the following mass murder of an estimated 500,000 to 1,000,000 communists, ethnic Chinese citizens and supporters of left-wing parties. This history remains sensitive and contested today.

Van de Ven explored the Dutch role in the history of communism in Indonesia and came across the inspirational role played by the Dutchman Henk Sneevliet who in 1914, founded the Indische Sociaal-Democratische Vereeniging, which later became the communist party in Indonesia, PKI. It was opposed by the Dutch colonial powers, which suppressed the development of communism and its aim for independence. When the communist uprisings of 1926/1927 against the colonial oppressors failed, the Netherlands responded by expelling the rebels to Boven Digoel (Upper Digul), a remote area, 500 kilometre up the Digul-river in Papua New-Guinea, where the Dutch founded the internment camps, Tanah Merah and Tanah Tinggi. Van de Ven’s presentation builds around this location.

In present-day Tanah Merah she looked for traces of the former internment camp, whose history for many has been virtually forgotten. She mapped its history with the help of different sources, like the publications by I.F.M. Salim, an exile who was interned in the camp from 1928 to 1943, and by L.J.A. Schoonheyt, who worked in the camp as a doctor from 1932 to 1934. Further archival research in the Netherlands and Jakarta provided additional perspectives. The first exiles were expelled using the so-called Exorbitant Rights of the Governor General to circumvent the judiciary, which also implied that appeal was not possible. Papua was infamous for the many diseases as malaria and black water fever, which were rampant, and for the presence of cannibals. Surviving there was a struggle. Although stories about the terrible living conditions in the camp reached the Netherlands in the late 1920s, the camp was not abolished. Only in 1943 were exiles evacuated to Australia, following the threat of the Japanese occupation and the fear of the Dutch authorities that the exiles might collude with the Japanese. A few of the remaining buildings were in the 90s designated as a historical monument to commemorate the struggle for independence.


LIDWIEN VAN DE VEN

Lidwien van de Ven is known above all as a photographer. She is interested in parts of the world where important social and political changes are taking place. These are also places in which often the complex reality is shunned and reduced to stereotypes. Van de Ven is curious to look into this process. She digs around for the meaning of traces of the past and the present, rather like an archaeologist. She looks for the almost invisible and intangible moment at which contemporary reality unfolds and tears appear in the fabric, which allow for new interpretations and perspectives. She translates this process into photographic works and installations with an extremely detailed composition. Lidwien van de Ven lives and works in Rotterdam and Berlin.

The Dutch National Exhibition of Women’s Labor, 1898



In 1898, the year Queen Wilhelmina of the Netherlands was inaugurated, five hundred women organized an enormous public exhibition showcasing women’s contributions to Dutch society as workers in a strikingly broad array of professions. The National Exhibition of Women’s Labor, held in The Hague, was attended by more than ninety thousand visitors. Maria Grever and Berteke Waaldijk consider the exhibition in the international contexts of women’s history, visual culture, and imperialism.
A comprehensive social history, Transforming the Public Sphere describes the planning and construction of the Exhibition of Women’s Labor and the event itself—the sights, the sounds, and the smells—as well as the role of exhibitions in late-nineteenth-century public culture. The authors discuss how the 1898 exhibition displayed the range and variety of women’s economic, intellectual, and artistic roles in Dutch culture, including their participation in such traditionally male professions as engineering, diamond-cutting, and printing and publishing. They examine how people and goods from the Dutch colonies were represented, most notably in an extensive open-air replica of a “Javanese village.” Grever and Waaldijk reveal the tensions the exhibition highlighted: between women of different economic classes; between the goal of equal rights for women and the display of imperial subjects and spoils; and between socialists and feminists, who competed fiercely with one another for working women’s support. Transforming the Public Sphere explores an event that served as the dress rehearsal for advances in women’s public participation during the twentieth century.