21.04.2016

Ines Doujak. Not Dressed For Conquering



Zum Erobern falsch gekleidet
15. Oktober 2016 – 15. Januar 2017
__

Vom 15. Oktober 2016 bis 15. Januar 2017 nimmt der Württembergische Kunstverein im Rahmen des Projektes Not Dressed For Conquering (Zum Erobern falsch gekleidet) die Gestalt einer 'Modeboutique' an. Sie entsteht im Rahmen des 2010 begonnenen Projektes Webschiffe / Kriegspfade der österreichischen Künstlerin Ines Doujak (*1959, u.a. Documenta 12, São Paulo Biennale 2014). In unterschiedlichen Formen und Formaten widmet sich dieses Kunst- und Forschungsprojekt den Verschränkungen zwischen Textilien, Mode, Kolonialismus und globalisierten Produktionsverhältnissen.
Webschiffe / Kriegspfade besteht aus einer Poster- bzw. Collage-Serie zur Geschichte der Textilproduktion von den frühen Inkakulturen bis heute, einer Reihe von Skulpturen, Performances und Videoarbeiten sowie einer Modelinie. Letztere umfasst die Gestaltung und Produktion von Stoffen ebenso wie die Entwürfe und Anfertigungen von Kleidern, Hemden, Taschen, Hüten und anderen Accessoires oder die Aufführung von 'Modeschauen'.
Die Ausstellung umfasst all diese Elemente in Form einer performativen Gesamtinstallation. Der Vierecksaal wird dafür in eine Boutique – bzw. in eine Ansammlung diverser 'Pop-Up Stores' – verwandelt.
Den Glamour der Modewelt aufgreifend verhandelt die Ausstellung die Problematiken der Textilindustrie, die von den kolonialistischen Rohstoffplünderungen im 15. Jahrhundert über die Ausbeutung der Näherinnen im 19. Jahrhundert bis hin zu den heutigen katastrophalen Arbeitsverhältnissen der Textilbranche in Bangladesch und anderen Billiglohnländern reichen.
Der Titel der Ausstellung bezieht sich auf eine Antwort, die Vagabunden im Lima des 19. Jahrhunderts den Kolonisatoren gaben: Auf offener Straße zur Rede gestellt, warum sie denn nicht arbeiten statt betteln würden, entgegneten diese: „Zum Erobern fehlen uns die passenden Kleider.“



Not Dressed for Conquering

Begeben wir uns nun in die versiegelte und geschichtsblinde Welt der Mode, um deren schöne Oberfläche einzuschmutzen: mit Bildern und Texten, die vom Kolonialismus erzählen, von den Geschlechterordnungen und vom Klassenkampf. Das alles auf Stoff gedruckt, selbstverständlich — dem der Mode ureigensten Medium. Gerahmt wird die Präsentation durch Performances, ohne welche das Fashion Business nicht auskommt. Unsere Kollektion spielt mit high und low, sie knüpft sich aber auch die hartnäckige Zuschreibung des Textilen als „weiblich“ und „Kunsthandwerk“ vor. Die Inspiration für den Titel der Arbeit verdankt sich der Ablehnungshaltung einiger Müßiggänger im Lima des 19. Jahrhundert. Zur Rede gestellt auf offener Straße, warum sie denn nicht arbeiten würden, entgegneten sie frech: „Zum Welterobern fehlen uns die passenden Klamotten.“

16.04.2016

Foreign Bodies

Sanell Aggenbach, Spiniferlictus, 2015, Wood and gold-plated steel, 138 x 45 x 68 cm
Rowan Smith, Hiding White , 2015, Wax, oil paint, fabric and polystyren, 243 x 189 x 29 cm

WHATIFTHEWORLD is pleased to present Foreign Bodies – a group exhibition of new work by Sanell Aggenbach, Julia Rosa Clark, Pierre Fouché, Dan Halter, Mohau Modisakeng, Athi-Patra Ruga, Rowan Smith and Moffat Takadiwa.
In English at least, nations are bound up in the language of bodies. The metaphoric conflation runs through political discourse like connective tissue. We speak of a body politic; a head of state; a healthy democracy and the long arm of the law. A government has a seat and an empire, a heart. Corporealised these abstract political communities are both easier to imagine and closer to home. But that begs the question: whose home, exactly? And equally, crucially, whose body is mapped onto this geopolitical landscape? How we read the bio-logic of belonging informs not only how we experience our citizenship, but its conditions, its scope and its limits.
Collectively the works of Foreign Bodies take the temperature of national belonging. The title plays on two closely-linked interpretations of a “foreign body”, one perhaps more political and one more material (although as these works demonstrate, that distinction is never as clear as it may seem). The first calls to mind the figure of the migrant entering “local” space – a stranger in a strange land – and the second suggests an intruding parasite that triggers an immune reaction in a body made suddenly strange to itself. Each is foreign only inasmuch as they penetrate an already porous frontier, and that frontier is at best merely an idea of difference: the border is, after all, a site where otherness is not just held at bay but actively constructed. Without borders between skin and world, indigenous and foreign, how would we know where “we” end and the rest begins?
Without claiming authoritative or absolute answers, Foreign Bodies engages what is alien to us – biologically, psychologically, socially, personally and politically – and examines how we might better read bodies not our own. More than that, together these artists posit the possibility of reading our own bodies, both fleshy and national, differently.


09.04.2016

Pflanzerschicksal: Jeronimy Clifford (1760)

09 Saturday Jan 2016
Posted by Carl Haarnack in 17th century books, 18th century books, Bibliotheca Surinamica, English books
≈ Comments Off on Jeronimy Clifford (1760)

The conduct of the Dutch, relating to their breach of treaties with England: particularly their breach of the Articles of Capitulation for the surrender of Surinam in 1667, and their oppressions committed upon the English subjects in that colony. With a full account of the case of Jeronimy Clifford, etc. Jeronimy CLIFFORD. London: C. Say for W. Bristow, 1760.
Hoe kon het gebeuren dat één van de rijkste 17e eeuwse planters van Suriname in armoede stierf op een kamertje die hij huurde bij een bakker in Londen? Met de Vrede van Breda in 1667 kwam een einde aan de Tweede Engels-Nederlandse oorlog. Afgesproken werd afgesproken dat de Engelsen Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) kregen en dat Nederland Suriname mocht behouden. Kort daarvoor hadden de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen Suriname op de Engelsen veroverd. De vrede had grote gevolgen voor de nog jonge kolonie Suriname.

De vermeestering van Suriname door Abraham Crijnssen (1667)

Zo’n 80 Engelse families (volgens Hartsinck ging het om ‘twaalf honderd Zielen, zo Blanken als Negers’) besloten de kolonie te verlaten. Een andere bron spreekt van 250 blanken, 950 slaven en 31 indiaanse ‘bedienden’(!). Zij kregen de gelegenheid de spullen die zij niet konden meenemen te verkopen aan achterblijvers. Dat waren bijvoorbeeld Nederlanders, Joden (die aanvankelijk geen toestemming kregen te vertrekken) en Engelsen die meer schulden hadden dan bezittingen en daardoor in Suriname moesten blijven. Degenen die Suriname verlieten zochten hun heil in één van de Engelse koloniën Barbados, Antigua of Jamaica.

creole cornucopia?


Wolter Robert van Hoëvell


Wolter Robert van Hoëvell
Wolter Robert van Hoëvell.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Wolter Robert baron van Hoëvell
Geboren Deventer, 14 juli 1812
Overleden 's-Gravenhage, 10 februari 1879
Titulatuur dr.
Politieke functies
1837-1848 predikant te Batavia
1849-1862 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
1862-† lid Raad van State

Parlement & Politiek - biografie
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland
Wolter Robert baron van Hoëvell (Deventer, 14 juli 1812 - 's-Gravenhage, 10 februari 1879) was een Nederlands koloniaal hervormer en Indisch specialist van de liberalen in de Tweede Kamer.

Levensloop

Van Hoëvell studeerde en promoveerde in de theologie te Groningen, werd predikant en later belast met het beheer van de kerkelijke belangen in Nederlands-Indië, in 1848 lid van de Tweede Kamer en overleed als lid van de Raad van State in 1879. Hij was medeoprichter en van 1841-1849 redacteur van het in 1841 aangevangen en toen te Batavia uitgegeven Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. Hij verwierf zich een reputatie als strijder tegen de misstanden in de Oost. Dat een slavenverkoop ook in de Oost een weerzinwekkend vertoon was, toonde zijn novelle Eene slaven-vendutie (1853).
Met zijn tweedelige Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet richtte Van Hoëvell zijn pijlen ook op de wantoestanden in de West. Naar genre schreef Van Hoëvell met dit werk een van de merkwaardigste boeken van de 19de eeuw. In het voorwoord noemt hij zichzelf een compilateur van berichten die hem van verschillende zijden zijn aangereikt. Hij kan slechts de Verslagen door de minister van Koloniën aan de Tweede Kamer noemen, omdat zijn informanten zich anders `aan tallooze onaangenaamheden' zouden blootstellen van de zijde van de tegenstanders van de slavenemancipatie. De stof die Van Hoëvell werd aangeboden, heeft hij gearrangeerd naargelang het hem uitkwam: sommige voorvallen zijn direct verhaald, andere samengevoegd tot één vertelling. Zijn boek is een mengeling geworden van essay, reisverslag, landenbeschrijving, fictioneel proza en pamflet. Er is geen uitvoeriger beschrijving bekend van de deplorabele staat waarin de 40.000 Surinaamse slaven van de eerste helft van de 19de eeuw verkeerden, van het optreden tegen de weglopers en van de patrouilles die werden georganiseerd om hen op te sporen.
Van Hoëvell publiceerde ook onder het pseudoniem "Jeronimus".[1]
Hij was een geestverwant en goede kennis van Eduard Douwes Dekker, Multatuli, met wie hij ook correspondeerde.

Werk

  • Harpe en Psalter (naar Philipp Spitta, Groningen 1837)
  • Batavia. Episode uit de Geschied. van Neerl.-Indië (Batavia 1840) *Sjaïr Bidasari (Batavia 1844)
  • 1849. W.R. van Hoëvell. De Emancipatie der Slaven in Nederlandsch Indië & Nog iets over de Emancipatie der Slaven in Nederlandsch-Indië, door een inzender. Tijdschrift voor Nederlands Indie, elfde jaargang.
  • Reis over Java, Madura en Bali in 't midden van 1847 (2 dln., Amsterdam 1849)
  • De beschuldiging en veroordeeling in Indië en de rechtvaardiging in Nederland (Zaltbommel 1850)
  • 1850. W.R. van Hoevell. Beschouwingen omtrent het Bestuur van Nederlands Indie. Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. 12 de jaargang
  • 1850. Wolter Robert van Hoëvell. Generaal Andreas Victor Michiels. Tijdschrift voor Nederlands Indië, 12de jaargang. Bladzijde 374-376
  • Parlementaire redevoeringen over koloniale belangen, 3 dln., Zaltbommel 1850-'59)
  • 1854. W.R. van Hoevell. Brieven aan den Redacteur van het Tijdschrift voor Nederlands Indie over eene zaak die alle officieren ter harte gaat. Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. zestiende jaargang.
  • 1854. W.R. van Hoevell. De oppositie der Nederlandsche Indische Ambtenaren tegen het voor Indie bestaande regeringsstelsel. Tijdschrift voor Nederlandsch Indie. 16de jaargang.
  • 1854. W.R. van Hoevell. Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.[2]
  • 1857. W.R, van Hoevell. Een balling in Nederlands Indie (L.J. Pietersz.) Tijdschrift voor Nederlands Indie, 19de jaargang
  • 1859. W.R. van Hoevell. De expeditie tegen Boni en de ramoen van Bandjermasin. Tijdschrift voor Nederlands Indie. 21 ste jaargang (betreft de oorlog in Bandjermasin).
  • 1860. W.R. van Hoevell. De Inlandsche hoofden en de bevolking op Java. (Max Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, door Multatuli Ams. (First Review Article). Tijdschrift voor Nederlandsch Indie. 22 ste jaargang.
  • Uit het Indisch leven (Amsterdam 1865)
  • Een blik op het leven van G.H. Betz (Zaltbommel 1866)


    Wolter Robert van Hoëvell

    Wolter Robert van Hoëvell
    Wolter Robert Baron van Hoëvell (* 15. Juli 1812 in Deventer; † 10. Februar 1879 in Den Haag) war ein niederländischer Publizist.
    Van Hoëvell studierte in Groningen Theologie und ging 1836 nach Batavia, wo er elf Jahre als Geistlicher und Vorstand der Bibel- und Missionsgesellschaft wirkte und nebenbei die Erforschung Niederländisch-Indiens zu seiner Aufgabe machte. Die Resultate seiner Studien legte er in der von ihm redigierten Tijdschrift voor Nederlandsch Indië nieder. Um die Kenntnis der Kolonien in der Heimat zu fördern, gab er die Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847 (Amsterdam 1850–1854), Geschiedkundig overzicht der beoefening van kunsten en wetenschappen in Nederlandsch-Indië, ferner Batavia in 1740, Onderzoek naar de oorzaken van het onderscheid tusschen de Soendaneezen en eigenlijke Javanen, endlich Aanteekeningen omtrent de Badoeïnen in het zuiden van Banten heraus und übersetzte das alte malaiische Gedicht Bidasari. Seine Schrift, die sich mit der Emanzipation der Sklaven im niederländischen Indien (De emancipatie der slaven in Ned.-Indië, 1848) beschäftigt, machte das größte Aufsehen. 1848 kehrte Hoëvell nach Holland zurück, wo er an die Spitze der liberalen kolonialen Bewegung trat. Er wurde in die Kammer gewählt, der er 14 Jahre als einer der glänzendsten Redner angehörte; seine Reden, eine lange Verteidigung der Sache Indiens, gab er selbst noch in 4 Bänden (Parlementaire redevoeringen, Zaltbommel 1862–1865) heraus. Schon früher hatte er Uit het indische leven (1860), Skizzen, die auch großes literarisches Verdienst haben, veröffentlicht. 1862 wurde er zum Staatsrat ernannt und starb am 10. Februar 1879 in Den Haag.


    Wolter Robert van Hoëvell

    Dari Wikipedia bahasa Indonesia, ensiklopedia bebas
    Wolter Robert baron van Hoëvell
    Wolter Robert baron van Hoëvell (lahir di Deventer, Belanda, 15 Juli 1812 – meninggal di Den Haag, Belanda, 10 Februari 1879 pada umur 66 tahun) adalah seorang negarawan dan pendeta yang pernah ditugaskan dalam Jemaat Melayu di Batavia. Pada tahun 1848, ia menggalang demonstrasi di Batavia, dan mengajukan petisi untuk kebebasan pers, pembentukan sekolah-sekolah di daerah koloni (dalam hal ini di Jawa) dan perwakilan Hindia Belanda di Tweede Kamer.
    Akibatnya ia kemudian diusir dari Hindia Belanda. Namun dalam waktu dua tahun ia telah berhasil masuk ke Tweede Kamer, dan menjadi juru bicara kaum Liberal. Pada dasarnya secara prinsip Hoevell tidak anti terhadap cara-cara Cultuurstelsel dalam mengeduk keuntungan, namun dia sangat anti terhadap pemerintah Belanda yang mengantungi sebagian besar laba yang didapatkan dari sistem tersebut.
    Hal yang menjadi alat perjuangan gagasan politik Hoëvell adalah peningkatan standar pendidikan penduduk bumiputra Jawa untuk meningkatkan kesejahteraan ekonomi.

    Bibliografi

  • Benjamins, Herman Daniël; Snelleman, Joh. F. (1914–1917). "Hoëvell (Wolter Robert baron van)". Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië. The Hague/Leiden: Nijhoff/Brill. p. 364. (Belanda)
  • Bertrand, Romain (2007). "La 'politique éthique' des Pays-Bas à Java (1901–1926)". Vingtième Siècle. Revue d'histoire 93: 115–38. (Perancis)
  • De Bie, Jan Pieter; Loosjes, Jakob (1931). "HOËVELL (Walther (Wolter of Wouter) Robert Baron van)". Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland 4. The Hague: Martinus Nijhoff. pp. 99–102. (Belanda)
  • Chandra, Siddharth; Timothy J. Vogelsang (1999). "Change and Involution in Sugar Production in Cultivation-System Java, 1840–1870". The Journal of Economic History 59 (4): 885–911.
  • "Dr. W.R. baron van Hoëvell". Parlementair Documentatie Centrum, Leiden University. Diakses tanggal 2 December 2011. (Belanda)
  • Fasseur, Cornelis (1992). Robert Edward Elson (ed. and trans.), ed. The politics of colonial exploitation: Java, the Dutch, and the Cultivation System. Ithaca: Cornell Southeast Asia Program. ISBN 978-0-87727-707-1.
  • Frederiks, J.G.; Branden, F. Jos. van den (1888–1891). "Hoëvell (Wolter Robert Baron van)". Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. Amsterdam: L.J. Veen. pp. 355–56. (Belanda)
  • Goss, Andrew (2011). The Floracrats: State-Sponsored Science and the Failure of the Enlightenment in Indonesia. Madison: U of Wisconsin P. ISBN 978-0-299-24864-2.
  • Hesselink, Elisabeth Quirine Hesselink (2009). Genezers op de koloniale markt: inheemse dokters en vroedvrouwen in Nederlandsch oost-Indie, 1850–1915. Amsterdam: Amsterdam University Press. ISBN 978-90-5629-563-9. (Belanda)
  • Laan, K. ter (1952). "Hoëvell, W.R. baron van". Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. The Hague/Jakarta: G.B. van Goor Zonen. (Belanda)
  • Laffan, Michael Francis (2011). The Makings of Indonesian Islam: Orientalism and the Narration of a Sufi Past. Princeton: Princeton UP. ISBN 978-0-691-14530-3.
  • Stoler, Ann Laura (2010). Along the Archival Grain: Epistemic Anxieties and Colonial Common Sense. Princeton: Princeton UP. ISBN 978-0-691-14636-2.
  • Taylor, Jean Gelman (2010). "Een gedeelde mentale wereld: Multatuli en Kartini". Di Myriam Everard, Ulla Jansz, Ulrika Jansz. De minotaurus onzer zeden: Multatuli als heraut van het feminisme. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp. 147–66. ISBN 978-90-5260-376-6. (Belanda)
  • Veer, P. van 't (1958). "Een revolutiejaar, Indische stijl. Wolter Robert baron van Höevell 1812–1879". Geen blad voor de mond: Vijf radicalen uit de negentiende eeuw. Amsterdam: De Arbeiderspers. pp. 101–44. (Belanda)

Pranala luar

Biographical links

Chapter 2: White society.

Boeroes

LIFE IN THE SHADOWS
Slavery and slave culture in Surinam
Wednesday, April 2, 2008
The search for immigrants.
Skewed statistics.

This chapter focuses on the white masters, most of the others on the subservient blacks. It is necessary to understand the former, in order to understand the latter. The white overlords in slave societies were able to lay down the rules much more strictly than any other elite in history. The slaves might oppose the rules, but they were seldom able to change them fundamentally.


From the beginning, Surinam has displayed the characteristics of a plantation colony. One of the main distinguishing traits of such a society was the skewed ratio of black and white, man and woman, slave and free. A severe shortage of white settlers, especially women, was inevitable in these conditions and the authorities were acutely aware of this. In an exploitation colony, there usually was no genuine niche for white yeoman farmers and there were only limited opportunities for artisans and traders, in fact, for all workers not directly involved in plantation agriculture. For impoverished people, living in difficult circumstances but not starving, such a colony provided few prospects. Furthermore, the people in the Low Countries had a negative image of the tropical world in general: they saw it as a white man’s graveyard infested with dangerous subhuman beings. A person had to be extremely desperate, or extremely eager to make a fortune to venture there. Consequently, the push factors for emigration were not very strong in the Netherlands. As Charles Boxer has noted: “although the wages were usually very low and working hours very long, unemployment in the Northern Netherlands was never sufficiently severe to induce industrial and agricultural workers to emigrate on an adequate scale to the overseas possessions of the Dutch East and West India Companies.” However, small as the white minority in Surinam may have been (and it was always too small in the eyes of the men in power), its superior position, although sometimes a bit shaky, was never seriously threatened during the slavery era.

Unfortunately, the collection of statistics in colonial Surinam was very erratic. For most of the earlier years, the number of whites must be projected and finer distinctions cannot be made. For the years 1700 to 1745, however, we have the annual count of Whites and Red and Black Slaves, contained in the archives of the Society of Surinam. The soldiers were omitted from these counts, although they made up nearly half of the white population for most of this period. During the rest of the 18th century, the number of whites remained fairly stationary, although a large part of the plantation owners left. The statistics of the 19th century provide even more problems, because the population was often merely divided into slaves and free people and most of the figures pertained to Paramaribo only. In 1811, the English held the first census in Surinam history, which delivered a much more accurate picture. As a result, the population curve can only be drawn with the greatest hesitation. The most important conclusion nevertheless remains the same: the number of whites in the colony was always so low that they were painfully aware of the vulnerability of their position -and acted accordingly.

The only period during which it was not difficult to attract sufficient settlers to Surinam were the years of the Willoughby-colonization. In Barbados, where sugar production expanded quickly at the time, many white farmers were pushed from their small holdings by more powerful neighbours and indentured servants found no place to settle after the expiration of their contracts. These people were keen to join such a venture. Since they were experienced colonists and had already survived the first dangerous years in a tropical climate, they prospered. In 1665, Surinam counted 4000 inhabitants, of whom 1500 were capable of bearing arms (meaning they were free white men). A terrible epidemic cut their number in half and the departure of most of the English colonists after the Zeelandian occupation left Surinam practically depleted of white settlers. Therefore, the authorities spared no measure to lure new hopefuls.

Bananen in Suriname

door Carl Haarnack
Deze ansichtkaarten werden gemaakt door de fotograaf Eugen Klein. Hij werd geboren in Mannheim (Duitsland) in 1869. In de jaren ’90 van de 19e eeuw vestigde hij zich als fotograaf in Suriname. Aan de Domineestraat in Paramaribo opende hij zijn studio en winkel. Gedurende zo’n 30 jaar was hij een van de productiefste en bekendste fotografen van Suriname. Naast foto’s gaf hij ook honderden prentbriefkaarten uit. Hij overleed in Paramaribo in 1927. Zijn weduwe, Louise Schrader, heeft samen met haar kinderen de zaak tot de Tweede Wereldoorlog voortgezet.


Klein koos de onderwerpen voor zijn ansichtkaarten zorgvuldig uit. Behalve de vele stadsgezichten van Paramaribo lieten zijn ansichtkaarten ook vaak exotische vruchten zien. Deze kaarten waren natuurlijk vooral bestemd voor diegenen die familie of vrienden in Europa een indruk wilden geven van de vele vruchten die daar vrijwel onbekend waren. De banaan is een van de oudste geteelde gewassen ter wereld. De oorsprong van de banaan ligt in Zuid-oost Azië. Portugese handelaren zorgden er voor dat de bananen vanuit Afrika mee werden genomen naar het Caraïbisch gebied. Maria Sibylla Merian, die in 1699 vanuit Nederland in Suriname arriveerde, tekende de bananenplant in haar Metamorphosis insectorum Surinamensium (Verandering der Surinaamse Insecten, Amsterdam 1705). Dankzij haar werk kreeg men in het Europa voor het eerst exotische vruchten als cashew, marcusa, pepers en dus ook de banaan te zien.
Suriname lijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met de banaan. Worden gerechten als heri heri nu met trots opgediend als een nationale Surinaamse schotel, de geschiedenis van de banaan in Suriname is minder heroïsch. De banaan diende tenslotte vooral als goedkoop voedsel voor de slaven. Van Hoëvell, een voorvechter van de afschaffing van de slavernij, schreef in Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (1854): “De neger, aan wien niet veel keuze gelaten is omtrent hetgeen hij als spijs zal gebruiken, vindt zijn hoofdvoedsel in bananen, een aan eiwit en phosphaten hoogst armoedig voedsel. Het hem daarbij toegekende dierlijk voedsel, dat dan nog uit gezouten visch bestaat, is verreweg te gering, om het evenwigt van de verbruikt wordende stof te herstellen.” Ook de slavenkinderen leven volgens Van Hoëvell voornamelijk op bananen (-meel). Ook de ‘stadsdoctor en chirurgijn’ van Paramaribo, Kuhn, had al dertig jaar daarvoor opgemerkt dat het voedsel van ‘de negers’ bestaat uit taaie en zwaar te verteren meelachtige vruchten of wortels.


Op deze prachtige ingekleurde ansichten van Klein zien we twee meisjes die trossen bananen vasthouden. Het zijn hier duidelijk twee uit een serie. Eén meisje komt op beide afbeeldingen voor; ze heeft dezelfde kleding aan. Het andere meisje heeft tussen haar tanden alanya tiki geklemd. Deze kaarten werden vóór 1905 uitgegeven. Helaas kunnen we deze meisjes niet meer vragen hoe zij hun tijd beleefden. Maar zou het niet aardig zijn als nakomelingen van deze Surinaamse schonen hun oma’s zouden herkennen?

[Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Obsession]

The Black Seaman / Plantagenwirtschaft






Kwasi-Bitter / Glenn's Bitter




Glenn's Bitter "Dobrudua" (Strychnos melinoniana)
Vegetarische capsules van 500mg.

Een voedingssupplement is geen vervanging van gevarieerde voeding. Deze liaan groeit voornamelijk heel diep in het binnenland van Suriname. het staat bekend als een zeer krachtig afrodisiacum ( middel om de geslachtsdrift op te wekken ). De binnenlander gebruiken het om aderverstoppingen te verwijderen, de bloedvaten te verwijten, bloedcirculatie te bevorderen, spierkracht en levenslust te versterken, het weerstandsvermogen te verhogen en om de libido te stimuleren. Uw partner zal zich verwonderen.
Gebruik: 10 gram in een literwater koken tot dat het goed bruin is geworden, en daarna 3 bitterglaasje innemen gedurende 7 dagen en zo nodig herhalen. Deze liaan wordt ook gebruikt door atleten in Suriname om de spiermassa te bevorderen. Het is een huismiddeltje, waarvan de werking ook wetenschappelijk bewezen is. Deze liaan kunt u meerdere keren koken tot dat het water niet meer bruin wordt. Let op: bij hoge bloeddruk 1 bitterglaasje maar per dag innemen.
Eigenschappen:
In Suriname gebruikt men dit product om de libido en het sex genot te stimuleren. Het bevordert ook de spierkracht, bloedcirculatie, versterkt de levenskracht, verhoogt de levenslust, verwijdt bloedvaten in bepaalde weke delen van de geslachtsorganen en verbetert daardoor het liefdesleven en het weerstandsvermogen. Uw partner zal zich verwonderen.
Gebruik:
1 week 3 x daags 1 capsule. (Zonodig herhalen)
Inhoud:
30 caps
Ingredienten:
Bevat de volgende stoffen: Alkaloïden (Melinoninen, Flavopereirine).
Let op: bij hoge bloeddruk niet meer dan 1 capsule per week.

***

Venijnig bekertje
 Mijn jongste zoon en zijn vriendin brachten uit Suriname een cadeau’tje voor me mee.
Een klein houten bekertje. Houtsnijwerk van de Indianen. De bedoeling hiervan was dat het mij heil zou brengen.
Na hun uitleg besloot ik toch maar eerst te googelen om te zien wat de heilzame werking er nou precies van is en kwam uit op 'Kwasi bita':
Kwasi bita: Eén van de planten die Linneaus’ studenten meenam uit Suriname was Kwasi Bita. Kwasi was behalve plantagehouder ook een alom gerespecteerde 'kruidendokter'. Linneaus vernoemde de plant naar de ontdekker. De naam zegt het al, het is een bittere plant en "bitter in de mond maakt het hart gezond". Kwasi bita wordt gebruikt als preventie en behandeling tegen koortsen en parasieten. (Bron NTR:)
Kwasi-bita of bitterhout (Quassia amara L.) is een kleine, heesterachtige boom die langs rivieroevers groeit. Het hout was vroeger een belangrijk exportproduct. Op het bitterhout wordt gekauwd als middel tegen koorts. Ook worden van het hout bekers gemaakt, soms versierd met houtsnijwerk. Wanneer de bekers met heet water worden gevuld, ontstaat er een bitter (Surinaams: bita) drankje dat bij griep of koorts gedronken wordt. Tegenwoordig wordt het middel ook gebruikt bij hoge bloeddruk, suikerziekte, menstruatie, maagpijn en in de kraamperiode. Er zijn geen aanwijzingen dat het drinken van kwasi-bita water schadelijk is voor de gezondheid. Of je zou het echt in excessieve hoeveelheden moeten drinken. Ik wil u er echter wel op wijzen, dat wij als volkenkundig museum geen medisch advies verstrekken. Als u de kwasi-bita beker wilt gebruiken, dan doet u dat op eigen risico. (Bron: Museumkennis)
Ook leerde ik dat het een potentieverhogende werking heeft, maar dan alleen bij de man. Maar goed: een gewaarschuwd mens telt voor twee. Ik dronk het op. Maar dat het zó verschrikkelijk bitter was dat je alle controle over je gezichtsmotoriek verliest…

Wat ik overigens nergens had gelezen, was dat het ook een geheel lichaamsreinigende werking heeft. Na twee uur was dat onverwachte effect bereikt. Winti...

Plantagenprodukte Suriname


Op deze pagina willen we u graag een beeld geven van het voedsel dat in de 17e-, 18e- en 19e eeuw in Suriname genuttigd werd. Wat aten plantage-directeuren zoal? En wat voor voedsel schotelden ze hun slaven voor? Aan de hand van contemporaine authentieke teksten proberen we daar iets over te weten te komen.
STEDMAN, JOHN GABRIEL. Reize naar Suriname en door de binnenste gedeelten van Guiana.  Opnieuw uitgegeven naar de oorspronkelijke editie Amsterdam, 1799-1800.
De eerste editie van dit belangrijke historisch document werd in Londen in 1796 gepubliceerd. Stedman was officier in de Schotse Brigade. Zijn moeder was Nederlands, zijn vader Schots. Stedman nam deel aan de strijd tegen de van de plantages weggevluchte slaven. Tussen 1772 en 1777 leefde hij in de kolonie Suriname. Na zijn terugkeer in Engeland schreef hij op basis van zijn nauwkeurige dagboek aantekeningen dit boek dat een storm van protest deed opwaaien in Europa. Vooral door zijn beschrijving van de brute behandeling van slaven en de morele pervesies van de slaafhouders. Dit boek werd in vele talen vertaald en geld als een van de betrouwbaarste beschrijvingen van het leven in het 18e eeuwse leven in Suriname. Het contrast tussen het voedsel van de slaven en de slavenhouders is enorm. Stedman schrijft over de culinaire- en andere geneugten van de planters:
“Indien de Planter, op deezen dag, zyne Plantagie niet verlaat, ontbyt hy ten tien uuren; en om deeze maaltyd te nemen, zit hy aan eene tafel, in eene groote zaal geplaatst, en waar op hammen, gerookte tongen, gevogelte, of gekookte duiven, plantains, zoete cassave, brood, boter, kaas, enz. gevonden worden. Zyn drank is in dit oogenblik of zwaar bier, of Madéra-, Champagne- of Moeselwyn. Zyn opzichter houdt hem gezelschap, zig echter op hem eenen bekwamen afstand plaatsende, en beiden worden zy bediend door de schoonste en wel gemaaktste slaven. – Zie daar, hetgeen deeze heren ontbyten noemen. Wanneer deze maaltijd geëindigd is, neemt de Planter een boek; hy speelt op het schaakspel, of op de billard, of op enig speeltuig; tot dat de hitte van den dag hem noodzaakt, om in zyne hangmat te gaan leggen., om daar zyn middagslaap te nemen, welken hy evenmin kan nalaten, als een Spanjaard zyne siesta of uur van rust. Hij wendt en keert zig in dit zoort van bed, tot dat hy in een diepen slaap gevallen is, en gedurende zynen slaap houden zig twee van zyne Negers bezig om tot zyne verkoeling met een waaijer te waaijen.


Tegen drie uuren word hy van zelf wakker: na zig gewasschen en geparfumeerd te hebben, gaat hy wederom aan tafel zitten, om met zynen Opzichter het middagmaal te houden; en zy worden, even als by het ontbyt, door dezelfde slaven bediend. Niets van al het geen het jaargetyde kan opleveren van gewoon vleesch, gevogelte, wildt, visschen, groenten en vruchten, ontbreekt op deeze maaltyd: de uitgelezendste wynen worden er in overvloed geschonken; en eindigt met eene groote kop zeer sterke koffy, en eenige glazen liqueur. Ten zes uuren koomt de Opzichter wederom als des morgens, door beulen en gevangen gevolgd wordende. De strafoefeningen beginnen wederom geduurende eenigen tyd, en na dat de eigenaar zyne beveelen voor het werk van den volgenden dag gegeven heeft, zendt hy de vergadering weg, en brengt zynen avond door met ligte punch, of sangary te drinken, op de kaart te spelen, of te rooken. Myn heer begint gewoonlijk de aannadering van den slaap tegen tien of elf uuren te gevoelen; dan doet hy zich door zyne kamerdienaars ontkleeden; hy gaat vervolgens in zyne hangmat leggen, alwaar hy met de eene of andere van zyne beminden, want hy heeft altyd zyne stoet van vrouwlieden, den nacht doorbrengt. Den volgenden dag, verschynt hy op nieuw onder zyne gaandery, op hetzelfde uur als daags te vooren; hy vindt aldaar wederom zyne pyp en koffy, en met het opkomen van de zon hervat hy zyne genietingen en uitspanningen. Hy is een Vorst in ‘t klein, zoo verachtelyk, zoo eigenzinnig, zoo willekeurig heerschende, als er een is.”
De hier afgebeelde granman Quacy (Kwasi of Quassie) was behalve plantage-houder ook een alom gerespecteerde ‘kruiden dokter’. Een Zweed die in de 18e eeuw Suriname bezocht nam een kruid dat Quacy gebruikte voor zijn geneeskrachtige werking mee naar Zweden. Daar gaf hij het kruid aan de beroemde Linaeneus die het vervolgens vernoemde naar de ontdekker (ook nu nog bekend als kwasi bita). De Gouverneur en plantage houders consulteerden Quacy regelmatig als het ging om de gewapende strijd tegen de weggevluchte slaven (marrons) en zwarte magie.

Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

09 Saturday Apr 2016
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Bibliotheca Surinamica, Dutch books
≈ Comments Off on Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. W.R. van Hoëvell. Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854.
Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

Litho uit Slaven en Vrijen (1854)

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is één van de belangrijkste boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophouden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Plantage directeur met Creolenmama en slavenkinderen

06.04.2016

Abjection







Boeroes

Boeroes zijn in Suriname wonende nazaten van Nederlandse boeren (boeroe = boer) die halverwege de 19e eeuw naar Suriname trokken.
In de jaren 40 van de 19e eeuw werd het in Suriname duidelijk dat de afschaffing van de slavernij slechts een kwestie van tijd zou zijn. Er zouden dan anderen nodig zijn om in Suriname de landbouwgronden te bewerken. Drie Nederlandse dominees, A. van den Brandhof, D. Copijn en J.H. Betting, kwamen op het idee om arme boerengezinnen uit de betuwe en de veluwe Gelderland als kolonisten naar Suriname te halen. In 1841 dienden zij bij koning Willem II een plan hiervoor in. De Nederlandse regering ging hiermee akkoord en na een mislukte verkenningsmissie in 1843 (waarna Betting afhaakte omdat hij het project niet haalbaar achtte) kwamen in 1845 de eerste 200 kolonisten aan in Suriname.
De eerste tijd: 1845-1853


De boerenkolonist Gijsbertus Overeem met zijn vrouw gefotografeerd ter gelegenheid van de 50-jarige aanwezigheid van de boerenkolonisten in Suriname, 1893

Op 20 juni 1845 kwamen de eerste 202 personen aan in Suriname om vervolgens door te reizen over de rivier Saramacca naar de plantage Voorzorg, een voormalige lepra-kolonie waar de te bewerken gronden zouden liggen. De lokale Nederlandse vertegenwoordigers hadden echter niets in het kolonisatie-project gezien, men heeft ze weggestopt zodat de tot slaaf gemaakten niet konden zien dat blanken ook met hun handen arbeidden. De beloofde huizen voor de kolonisten waren dan ook niet gebouwd. Ook andere beloften waren niet waargemaakt: er was geen land ontgonnen, ook was er geen vee en daarnaast was de afwatering niet aangelegd waardoor het land drassig was en nog ongeschikt voor bebouwing. Er stonden slechts wat hutjes van de in 1823 verlaten lepra-kolonie en een negental noodwoningen die nog niet gereed waren. Drinkwater was er ook niet, men moest het brakke rivierwater drinken. De meeste boeren begonnen desondanks vol goede moed maar het duurde niet lang voordat er een tyfus-epidemie uitbrak waar velen aan bezweken. Zij die de tyfus-epidemie overleefd hadden kregen toestemming om de rivier over te steken naar het dorp Groningen. Ondanks de bezwaren van Van den Brandhof trokken de jaren daarna de boeren in kleine groepjes verder, met name in de richting van Paramaribo, en men vestigde zich in dorpjes als Kwatta en Uitvlugt. In Groningen en omstreken was er geen afzetmarkt voor landbouwproducten, een reis naar Paramaribo met een korjaal duurde minimaal twee dagen. De landbouwproducten waren dan niet meer geschikt voor verkoop. Dat was de reden dat men richting Paramaribo trok en in Kwatta en Uitvlugt terechtkwam.
In 1853 kwam er officieel een einde aan het kolonisatieproject. Er waren 398 kolonisten uit Nederland aangekomen en in Suriname nog eens 68 kinderen geboren. Van deze groep waren er op 31 mei 1853, na afloop van de tyfus-epidemie, nog 223 in leven. Van de groep overlevenden keerden er 56 terug naar Nederland en de overgebleven groep van 167 bleef in Suriname achter en vormde de voorouders van de hedendaagse Boeroes.
De Boeroe-families dragen de namen Berkemeijer, Van Brussel, Van Dijk, Van den Eng, Gerbrands, Hoogvliet, Van der Klift, Van Leijden, Loor, Van Meteren, Nellenstein, Overeem, Van Raai, Van Ravenswaay, Rijsdijk, Rozenberg, Stolk, Tammenga, Teunissen, Veldema, Veldhuizen, Veldkamp, Wouters en Zweers. Hun nazaten wonen nu nog in Suriname.
Na 1853


Groep Nederlandse kolonisten op de boerderij van de heer Van Brussel ter gelegenheid van het herdenkingsfeest op 21 juni 1920
Na 1853 verging het de overgebleven boeren beter. Er ontstond langzaam maar zeker een grotere afzetmarkt voor hun producten, al kwam er wel meer concurrentie van Hindoestaanse boeren. Rond 1900 specialiseerde men zich in melkvee. In de crisisjaren stopten velen als boer en vonden werk in andere sectoren, met name bij de overheid. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog werden de Boeroes welvarender. Naar schatting leven er nog zo'n 1000 Boeroes in Suriname en 3000 elders.
Bekende boeroes
Een van de bekendste boeroes was de Surinaamse historicus André Loor (1931-2013). Boeroes die een ministersfunctie vervuld hebben zijn Albert van Dijk en Ricardo (Rick) van Ravenswaaij. Directeur der belastingen was de heer C.A. van Dijk.

Tobias Rehberger Hello Africa?



© Tobias Rehberger


Die neue Arbeit des Künstlers Tobias Rehberger spielt mit unseren Vorstellungen von Ursprung und Authentizität. Von Tim Ackermann ZEITmagazin Nr. 9/2016 16. März 2016

Eines der Missverständnisse der Modewelt ist die Vorstellung, dass afrikanische Muster aus Afrika stammen. Die Stoffe, die Frauen auf den Straßen Luandas oder Accras tragen, waren ursprünglich holländische Kopien javanischer Batikstoffe, die Tuchfabrikanten Mitte des 19. Jahrhunderts auf den westafrikanischen Markt warfen. Noch heute werden viele dieser Stoffe in den Niederlanden entwickelt, abgestimmt auf den Geschmack der Kunden in Angola, in Ghana, im Senegal.





















© Tobias Rehberger

Das Label "authentisch afrikanisch" hält nicht mehr so einfach. Diese Erfahrung hat auch Daniel Haaksman gemacht. Der Berliner DJ und Produzent berichtet von einer afrikanischen Musikszene, die jung, ungeniert und digital vernetzt ist. Neueste Clubklänge aus Europa mixt sie bei Bedarf mit traditionellen einheimischen Stilen. Von diesem Hybrid-Sound inspiriert, hat Haaksman ein eigenes Album produziert, auf dem er afrikanische Musiker vorstellt. Der Titel African Fabrics verweist natürlich auf die nicht authentischen Stoffmuster. Und auf die vielfältigen Soundverknüpfungen.

African Fabrics ist ebenfalls der Titel der Serie von Kunstwerken, die das ZEITmagazin in diesem Portfolio zum ersten Mal zeigt. Es sind Drucke des Frankfurter Künstlers Tobias Rehberger, eigens geschaffen als Bebilderung zu den Liedern auf Haaksmans Album. Hat man diesen Zusammenhang im Kopf, dann meint man, in Rehbergers Linien eine geometrische Abstraktion der typischen bunten Batikstoffe zu erkennen. Und liegt daneben.