Posts mit dem Label Buku – Bibliotheca Surinamica werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label Buku – Bibliotheca Surinamica werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

21.05.2016

Missions-Reise nach Suriname. Riemer (1801)


Tags
, , , ,
Missions-Reise nach Suriname und Barbice zu einer am Surinamflusse im dritte Grad der Linie wohenden Freinegernation, nebst einigen Bemerkungen über die Missionsanstalten der Brüderunität zu Paranaribo. Johann Andreas Riemer.  Zittau: 1801. 
Johann Andreas Riemer (1750-1786) werd geboren in het plaatsje Wespen, vlak onder Maagdenburg (Duitsland). In 1779 vertrok hij als missionaris van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) via Braunschweig, Hannover en Amsterdam naar Suriname. Eerst woonde hij bij de van de plantages weggelopen slaven, de marrons, in Bambey. Daar bestudeerde hij de taal van deze Saramaccaners. Riemer werkte hier aan zijn Saramaccaans woordenboek en zijn beschrijving van de grammatica van deze taal. Ook hield hij gedurende zijn verblijf in Suriname een dagboek bij. Hij schreef o.a. over de flora en fauna van Suriname maar ook over het leven van de slavenbevolking. Dat vinden wij natuurlijk veel interessanter. Wij weten eigenlijk nog maar weinig van het dagelijks leven in de slavenmaatschappij die Suriname lange tijd was. Maar dankzij reisverhalen van ooggetuigen, zoals deze van Riemer, krijgen we toch een klein inkijkje.
Riemer3
Courage! Masra, Courage! (Meester, wees dapper!). Illustratie uit Missions-Reise nach Surinam (1801)
Riemer beschrijft bijvoorbeeld een groep slaven die net uit Guinea was aangekomen in Paramaribo. De groep werd langzaam door de straten van Paramaribo geleid. Het was alsof het, zo schrijft Riemer, een groep verlaten schapen was; schuchter, bang en meelijwekkend, in afwachting van hun lot. Riemer was in het gezelschap van een aantal EBG missionarissen die een slaaf wilde kopen. Nadat zijn oog op een slaaf is gevallen wordt deze door een arts bekeken en goedgekeurd. Voor fl. 450,- wordt tot koop overgegaan. Riemer is zo geroerd door de blik vol verlangen van de Afrikaan (‘neger’) dat hij het schouwspel niet langer kan aanzien. Daaruit spreekt een zekere empathie uit die Riemer had voor de slaven. Hun lot is volgens hem treurig. De slaven, volgens Riemer door bedrog of valsheid van hun eigen verwanten in slavernij terechtgekomen, zweven tussen hoop en angst. Riemer geeft voorbeelden van verhalen van Afrikanen die man, vrouw, ouders en kinderen verraden en zelfs voor een kleine prijs verkopen zoals een rol tabak of een fles brandewijn. Maar Riemer haast zich om te melden dat slaven graag door de missionarissen gekocht worden omdat deze milder zijn en bescherming bieden. Het merendeel van de kopers van slaven is namelijk ronduit barbaars.
landingsplaats bij Fort Zeelandia Paramaribo k
Landingsplaats bij Fort Zeelandia (Paramaribo)
Riemer vertelt ons ook één en ander over de relaties tussen witte Europeaanse mannen en Afrikaanse vrouwen. Zo bezocht hij de scheepskapitein Kanz. Deze heeft in  Suriname een mulattin vrouw waar hij vier kinderen bij heeft. Zijn kinderen zijn gedoopt, gaan in Europese kleding door het leven en krijgen les van een dominee van de Evangelische kerk. De kapitein vertelt dat hij in Europa ook nog vrouw en kinderen heeft. Dat is, zo geeft hij aan, heel normaal. Ook zijn collega’s doen het net zo omdat zij soms jarenlang gescheiden van hun vrouwen moeten leven. Het is voor hem nobeler om zo te leven dan om hun vrouwen in Europa te bedriegen door vreemd te gaan of jonge meisjes te onteren. Wij weten nu inmiddels wel hoe Europese mannen zich in sexueel opzicht te buiten gingen aan Afrikaanse vouwen of hoe zij in een zg. ‘Surinaams huwelijk’ samenleefden. Maar in de 18e eeuw was het zeker niet gebruikelijk om daar zo open over te schrijven.
In juni 1780 verliet Riemer Suriname weer en keerde terug naar Duitsland. Zijn dagboekaantekeningen vormden de basis voor een boek dat pas vijftien jaar na zijn dood in 1801 verscheen. Riemer werd slechts 36 jaar oud. Zijn boek is uitermate zeldzaam maar boordevol informatie over het leven van alledag in Suriname rond 1780. Eigenlijk zou iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Suriname het moeten lezen. Voor het feit dat u er af en toe misschien een Duits woordenboek bij moet pakken, wordt u rijkelijk beloond.
Carl Haarnack
Zie ook:
Neger-Englische Gramatik
Vier Maanden in Suriname
Natalie Zemon Davis over taal en Riemer

titelblad riemer  k
Titelpagina Mission-Reise nach Suriname

09.04.2016

Chapter 2: White society.

Boeroes

LIFE IN THE SHADOWS
Slavery and slave culture in Surinam
Wednesday, April 2, 2008
The search for immigrants.
Skewed statistics.

This chapter focuses on the white masters, most of the others on the subservient blacks. It is necessary to understand the former, in order to understand the latter. The white overlords in slave societies were able to lay down the rules much more strictly than any other elite in history. The slaves might oppose the rules, but they were seldom able to change them fundamentally.


From the beginning, Surinam has displayed the characteristics of a plantation colony. One of the main distinguishing traits of such a society was the skewed ratio of black and white, man and woman, slave and free. A severe shortage of white settlers, especially women, was inevitable in these conditions and the authorities were acutely aware of this. In an exploitation colony, there usually was no genuine niche for white yeoman farmers and there were only limited opportunities for artisans and traders, in fact, for all workers not directly involved in plantation agriculture. For impoverished people, living in difficult circumstances but not starving, such a colony provided few prospects. Furthermore, the people in the Low Countries had a negative image of the tropical world in general: they saw it as a white man’s graveyard infested with dangerous subhuman beings. A person had to be extremely desperate, or extremely eager to make a fortune to venture there. Consequently, the push factors for emigration were not very strong in the Netherlands. As Charles Boxer has noted: “although the wages were usually very low and working hours very long, unemployment in the Northern Netherlands was never sufficiently severe to induce industrial and agricultural workers to emigrate on an adequate scale to the overseas possessions of the Dutch East and West India Companies.” However, small as the white minority in Surinam may have been (and it was always too small in the eyes of the men in power), its superior position, although sometimes a bit shaky, was never seriously threatened during the slavery era.

Unfortunately, the collection of statistics in colonial Surinam was very erratic. For most of the earlier years, the number of whites must be projected and finer distinctions cannot be made. For the years 1700 to 1745, however, we have the annual count of Whites and Red and Black Slaves, contained in the archives of the Society of Surinam. The soldiers were omitted from these counts, although they made up nearly half of the white population for most of this period. During the rest of the 18th century, the number of whites remained fairly stationary, although a large part of the plantation owners left. The statistics of the 19th century provide even more problems, because the population was often merely divided into slaves and free people and most of the figures pertained to Paramaribo only. In 1811, the English held the first census in Surinam history, which delivered a much more accurate picture. As a result, the population curve can only be drawn with the greatest hesitation. The most important conclusion nevertheless remains the same: the number of whites in the colony was always so low that they were painfully aware of the vulnerability of their position -and acted accordingly.

The only period during which it was not difficult to attract sufficient settlers to Surinam were the years of the Willoughby-colonization. In Barbados, where sugar production expanded quickly at the time, many white farmers were pushed from their small holdings by more powerful neighbours and indentured servants found no place to settle after the expiration of their contracts. These people were keen to join such a venture. Since they were experienced colonists and had already survived the first dangerous years in a tropical climate, they prospered. In 1665, Surinam counted 4000 inhabitants, of whom 1500 were capable of bearing arms (meaning they were free white men). A terrible epidemic cut their number in half and the departure of most of the English colonists after the Zeelandian occupation left Surinam practically depleted of white settlers. Therefore, the authorities spared no measure to lure new hopefuls.

Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

09 Saturday Apr 2016
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Bibliotheca Surinamica, Dutch books
≈ Comments Off on Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. W.R. van Hoëvell. Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854.
Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

Litho uit Slaven en Vrijen (1854)

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is één van de belangrijkste boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophouden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Plantage directeur met Creolenmama en slavenkinderen

17.02.2016

Duitsers in Suriname

Nachrichten von Surinam: Duitsers in een Nederlandse Kolonie (1650-1900)

Suriname kwam bij de Vrede van Breda in 1667 in Nederlandse handen. Tot die tijd waren het afwisselend Fransen, Engelsen en Nederlanders die er de dienst uitmaakten. Behalve het aantrekken van voldoende arbeidskrachten (hoofdzakelijk slaven uit Afrika) was het aantrekken van voldoende Europese kolonisten een grote uitdaging. Aan het eind van de 18e eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Van deze Europeanen was een aanzienlijk deel van Duitse komaf. Logisch dat deze Duitsers door de eeuwen heen hun stempel op Suriname hebben gedrukt. Wat deden zij in Suriname? Hoe kwamen de Duitsers in Suriname terecht? En wat waren dit voor lieden?

We gaan het hebben over Duitsers in Suriname, maar ik wil graag beginnen in Duitsland.


Frederik de Grote en Wilhelmine

Over het vorstendom of eigenlijk markgraafschap Brandenburg-Bayreuth heerst Frederik (1711-1763). Hij is gehuwd met Wilhelmina (1709-1758). Prinses Wilhelmine van Pruissen (1709–1758) was een zus van Frederik de Grote. In haar opdracht werd in 1752 een zg Leichenrede gemaakt. In een dergelijk document werd iemands levensloop beschreven en werden soms portretten van de overledene afgebeeld. Deze preken werden gedrukt in oplagen van 100 tot 300 stuks en dienden tot troost van vrienden en familie. Dit was een kostbare aangelegenheid en dit was in de regel slechts weggelegd voor adelijke lieden of rijke burgers die dit konden betalen. Maar wat denkt u van de belangwekkende lijkenpreek gemaakt voor een Afrikaanse vrouw, een moorin, in 1751? Haar naam was Alzire en ze kwam uit Suriname en leefde aan het Hof in Bayreuth.



“Sie ist eine heydinn, herkommlich aus der Provinz Surinam, eines entlegenen Welttheiles. Sie ist durch ein besondres Schicksal, das uns grostentheils unbekannt ist; in unsseren Welttheil gekommen, und von unsrer Durchlauchtigsten Landesherrschaft auf- und angenommen werden. Ihr Name ist Alzire – ihr Alter ist, so viel man Nachricht hat, ungefaehr 22 Jahr – sie ist am 22sten May 1751 Abends um 2 Uhr gestorben.”[1]

Deze Surinaamse werd waarschijnlijk Alzire genoemd naar de protagonist in Voltaires drama Alzire ou les Americains dat in 1736 voor de eerste maal werd opgevoerd. Wilhelmine was bevriend met Voltaire. Hoe Alzire vanuit Suriname aan het Hof van Bayreuth kwam is onbekend. Ik vermoed dat zij daar reeds op jonge leeftijd gekomen moet zijn. Mogelijk is het haar net zo vergaan als de twee volgende gevallen.

In 1767 vindt er in de stad Stuttgart een onderzoek plaats naar een ‘Mohren-Bub’(moorenknaap) van 14 a 15 jaar. Deze jongen genaamd Heinrich is schoolgaand maar is niet gedoopt. Heinrich is geboren in 1751 in Suriname. Op achtjarige leeftijd wordt Heinrich voor fl. 150,– gekocht door de in Suriname woonachtige smid, Johann Jakob Dreuzler. Hij komt uit Württemberg en is vermoedelijk in dienst van een plantage-eigenaar. In 1764 keert Dreuzler naar zijn geboorteland terug. Hoewel hij dan Heinrich in Suriname kan verkopen voor zo’n fl.400,– neemt hij hem mee naar Württemberg. Daar schenkt hij Heinrich aan Hertog Carl Eugen. De schoolmeester Jonathan Lenz karakteriseert Heinrich als volgt:

“In Ansehung seiner Gaben seye er nicht gar unter die Mittelmässige zu sezen: in Ansehung seiner Aufführung seye er stille, friedlich und folgsam; Buchstabire zimlich gut, und fange an zu lesen; seye aber zimlich schüchtern und unkeck; habe eine Gute Leibes-Stärcke, und seye zu schweren Arbeiten geschickt und willig.”[2]

Franziska Christine von Pfalz-Sulzbach en Ignatius Fortuna

Zeer goed gedocumenteerd is het leven van Ignatius Fortuna (ca 1725? -1789). Hij was Kamermohr van Essense Abdijvorstin Franziska Christine von Pfalz-Sulzbach (1696-1776). Hij was door Franz Adam Schiffer, een Duitse koopman, in 1735 uit Suriname meegenomen. Hij genoot groot aanzien aan het hof. In haar testament legde Franszika Christine vast dat haar ‘trouwe kamermoor’ het levenslange woonrecht kreeg in het door haar opgerichte Waisenhaus zu Steele (Essen), met de daarbij horende maaltijden die hij aan dezelfde tafel als de rentmeester en de geestelijken van de stichting mocht nuttigen. Op zon- en feestdagen kreeg hij ‘ein halbes Mass Wein’. Als hij ziek was werden de kosten van artsen en medicijnen voor hem betaald. En op feestdagen kreeg hij ‘Spielgeld’ van 1 of 1 ½ Reichstaler. Toen Ignatius Fortuna op 24 november 1789, op 65-jarige leeftijd, stierf werd hij, zoals in het testament van de vorstin was vastgelegd, in de de kapel waarin zij zelf ook begraven ligt, bijgezet [3]

Suriname in Wolfenbüttel

17WednesdayFeb 2016
Posted by Carl Haarnack in Bibliotheca Surinamica, German books
≈ Comments Offon Suriname in Wolfenbüttel
Duits, German

In augustus 2015 bezocht ik het stadje Wolfenbüttel in Duitsland. Het doel van dit bezoek was tweeledig. Allereerst stond de 39e International Wolfenbüttel Summer School op het programma. Dit jaar was het thema van de Summer School: Early Modern European Black Studies. Daar mocht ik aan PhD-studenten een college geven met de titel Trans-Atlantic slavery in Early German Literature (1673-1797). Ten tweede wilde ik van de gelegenheid gebruik maken om in de Herzog August Bibliothek (HAB) te zoeken naar Duitse teksten waarin Suriname een rol speelt. Dit in het kader van mijn onderzoek naar de representatie van Suriname in vroege Duitse literatuur (1673-1893).


Herzog August Bibliothek (Wolfenbüttel)

Wolfenbüttel is een klein stadje in Neder-Saksen, vlak onder Braunschweig, en telt ca. 50.000 inwoners. Als je met de auto vanuit Amsterdam naar Berlijn rijdt (over Hengelo, Osnabrück, Hannover) kun je het eigenlijk niet missen. Niemand zou het toch kunnen verzinnen?: Wolfenbüttel ligt aan het riviertje de Oker. In zijn Over de geheimen van de liefde schrijft Edgar Cairo, één van de grootste Surinaamse schrijvers, hoe zeer Suriname en de oker met elkaar verbonden zijn (De Gids, Volume 153, 1990). Maar voor wie geïnteresseerd is in de link tussen Suriname en dit kleine stadje aan de Oker (en haar omgeving) hoeft niet lang te zoeken naar aanknopingspunten.


Wolfenbüttel

In de wijde omtrek van Wolfenbüttel vinden we veel plaatsnamen die direct of indirect verbonden zijn met Suriname. Zo ligt in het zuiden van Neder-Saksen het plaatsje Goslar. Het Duitse koopvaardijschip dat in 1940 tot zinken werd gebracht in de Surinamerivier, op de rede van Paramaribo (en er nog steeds ligt) ontleent haar naam aan deze stad. Maar er zijn ook Duitse gemeenten die een directe historische verbinding hebben met Suriname die teruggaat tot in de 18eeeuw.

In 1739 kreeg Nicolaas Horstmann de opdracht om, met vier ‘vrije Creoolen’, de binnenlanden te verkennen van Essequibo, een Nederlandse kolonie in Zuid-Amerika. Deze kolonie vormde tezamen met Suriname, Demerara en Berbice Nederlands Guyana. Horstmann ondernam een expeditie op de rivier de Essequibo en zakte de rivier de Branco af, tot aan de Rio Negro.[i] Hortsman was een Duitse chirurgijn die afkomstig was uit de stad Hildesheim. Hildesheim ligt op zo’n 40 kilometer ten westen van Wolfenbüttel.



Hoe de familieband er precies uitzag tussen deze Nicolaas Horstmann en de geneesheer Friedrich Wilhelm Rudolf Horstmann die zich in 1818 in Paramaribo vestigde, moet verder onderzoek nog aantonen. Dr. F.W.R. Horstmann was in 1794 geboren in Hildesheim en had ik Göttingen geneeskunde gestudeerd. In Suriname had hij een aanzienlijk fortuin verdiend door zijn medische praktijk.[ii]In 1836 trad hij op 41 jarige leeftijd in het huwelijk met Johanna Catharina Heidweiler die toen 19 jaar oud was (zij was een dochter van de weduwe Stuger).[iii] Het echtpaar woonde in de Heerenstraat A.72 tegenover de apotheek Van Amson. De plantage Hannover, genoemd naar de gelijknamige hoofdstad van Nedersaksen (niet ver van Wolfenbüttel) was eigendom van F.W.R. Horstmann.[iv]

14.01.2016

Plantation uprisings / Judges, Masters, Diviners: Slaves’ Experience of Criminal Justice in Colonial Suriname

Chapter 14: To rise or not to rise.




The opportunities for a large-scale slave revolt.

A casual observer of the 18th century Surinam slavery system might have predicted a development akin to that in Saint-Domingue. All the conditions for a large-scale rebellion by the black population seemed to be present in optima forma. Eugene Genovese has outlined the circumstances leading to a higher probability of slave revolt:
(1) The master-slave relationship had developed in the context of absenteeism and depersonalization as well as greater cultural estrangement of whites and blacks;
(2) economic distress and famine occurred;
(3) slaveholding units approached the average size of one hundred to two hundred slaves, as in the sugar colonies, rather than twenty or so, as in the Old South;
(4) the ruling class frequently split either in warfare between slaveholding countries or in bitter struggles within the slaveholding country;
(5) blacks heavily outnumbered whites;
(6) African born slaves outnumbered those born into American slavery (Creoles);
(7) the social structure of the slaveholding regime permitted the emergence of autonomous black leadership;
(8) the geographical, social and political environment provided terrain and opportunity for the formation of colonies of runaway slaves strong enough to threaten the plantation regime.”
It seems at first sight that the situation in Surinam fitted this model rather well.

Absenteism and cultural estrangement.

Absenteeism was rampant in Surinam. Apart from the earliest period, few Surinam planters lived on their estates. They preferred to reside in Paramaribo and in many instances, it took them days to reach their plantations by boat. Consequently, they were only dimly aware what went on there most of the time. The majority did not seem to be very interested anyway. They were driven by an animus revertendi, a desire to return to their homeland with their fortune made. In many instances, their eagerness for maximum profit overrode any humanitarian concerns they might have had. As the saying goes in Holland: what one does not know does not hurt. The Surinam plantation owners preferred not to know. After the Amsterdam stock-exchange crisis of 1773, the situation worsened. Many of the new plantation owners were Dutch investors, who had little knowledge of agriculture and who only tried to recoup their losses as much as possible. They gave free reign to callous administrators and directors. The latter, in the 17th and 18th centuries especially, were mostly recruited from the lower rungs of white society, in particular from the ranks of former soldiers and sailors. Accustomed to harsh discipline themselves and obliged to deliver a maximum crop by their patrons, they were not unduly bothered by altruistic feelings either. So, Surinam exhibited the classic features of too much absenteeism.

Just as important was the fact that masters and slaves had totally different cultures, with only limited influence on each other. This was partly the result of the fact that the bondsmen formed a large numerical majority and spent most of their time with little or no white supervision. However, it was also partly the result of a deliberate policy of the whites. Being such a tiny minority, they were in danger to be swallowed up by their subjects: biologically through miscegenation and culturally through ‘negroization’. Therefore, they strove to keep people of color apart from white society and to keep some cultural accomplishments exclusively their own, in particular those with a ‘boundary defining character’ (like language and religion). The whites jealously guarded these: they did not want their slaves to speak Dutch, or to become Christian. In later times, they relented a bit and saw some advantage in converting slaves to Christianity, but by then it did not matter anymore.

Economic distress.

Surinam has shown the characteristics of a volksplanting only for a very limited period. By the time slavery became entrenched, it was already clear that Surinam would be an exploitation colony par excellence, geared to produce commodities for the world market and largely oblivious to the needs of its own population. One result of this attitude was the fact that production for the home market was often neglected. This was the case with timber, for example: Surinam had an abundance of high quality wood, but people were often forced to import timber from the United States to build their houses. It was even more apparent in the production of food. All through the slavery era, there were plantations that specialized in the cultivation of victuals, but most of their products went to Paramaribo and they never produced sufficient quantities anyway. Especially during the early period, the lowland planters preferred to put all their energy into the cultivation of cash crops, hoping that they would be able to buy the foodstuffs they needed for their slaves at home or abroad. Often this was indeed possible, but when droughts, floods, or other calamities resulted in a particularly meager crop, the slaves went hungry. Some planters were even forced to let them fend for themselves in the forest. In the 18th century, the situation improved somewhat because the coffee grounds often produced more plantains than they had use for, but even then, many planters could buy only a minimal amount of food –just enough to keep their slaves from running away or being unable to work. The ‘frugality’ of the planters was even more visible in the distributions of ‘luxuries’ as meat, fish, salt, tobacco and clothes. These always had to be imported, which drove up the prices, and they were often unavailable when the trade routes were cut off during one of the many wars that plagued the Caribbean during this period. However, it was not only stinginess that withheld food and clothing from the slaves: in later times, many plantations fared so badly that they could hardly afford the barest necessities.

In the eyes of many people, even the inhabitants, 18th century Surinam was the epitome of a prosperous plantation colony. In the early part of the century, when the prices of the commodities it produced were high, this was indeed the reality. Money poured in and the planters were quick to spend it in the most conspicuous manner possible. The apparent prosperity made the planters eligible for ample credits and generous loans and this enabled them to maintain a high level of consumption a few decades longer. However, during the latter part of the 18th century, Surinam lived far above its station. The conditions for plantation agriculture were not exactly ideal. Land was plentiful, but land suitable for plantations was not and it had to be prepared by a costly procedure. Slaves were hard to come by and the fact that Surinam was located outside the main trade routes made them very expensive. As a result, the production costs compared unfavorably with those in other parts of the Caribbean, especially the French colony Saint-Domingue and (in later times) the Spanish colony Cuba. Fortunately, the Dutch market could absorb all of Surinam’s production (in fact much more).

In the 19th century, the number of plantations fell drastically and the remaining ones barely survived by a process of shifting to sugar, modernization of the production and much subsidy (mostly by hapless stockholders, who wasted the chance to invest their money more productively in the Netherlands). What it boils down to, is that Surinam has been a genuinely prosperous colony only during a few decades: it merely managed to give that impression a while longer because of high prices in the developing world market and the misuse of credit that was never paid back. Economically speaking, the situation of most Surinam plantations for most of the time was precarious and only in favorable circumstances the slaves were not victimized by this.


A predominance of large plantations.

During most of the slavery era, sugar plantations formed the majority of Surinam estates. They were condemned to a certain minimum size to make it possible to exploit an expensive sugar mill profitably. In the early period, when most of these mills were simple, animal-driven constructions, Surinam plantations could be small: a force of 10 to 20 slaves was not unusual. However, when water mills (and in later days steam mills) came in vogue, the production capacity increased and additional slaves were needed. Plantations with more than a hundred bondsmen became the norm in the 18th century. Even the coffee grounds, though much more flexible in the number of hands they employed, were comparatively large. In other plantation colonies, they were often relegated to marginal lands, but in Surinam, they took up some of the most fertile grounds, especially in the Commewijne district. Their overall size was somewhat smaller than that of sugar plantations, but they had more land under permanent cultivation. In the United States, planters owning more than 100 slaves tended to split up their holdings into several independent units, because it made supervision easier and the cotton plantations that predominated there hardly profited from the economies of scale. In Surinam, on the other hand, the few plantations specializing in cotton belonged to the largest in the colony.

While the coffee grounds lost terrain in the latter part of the slavery era, the remaining sugar estates grew in size steadily through a process of concentration: many 19th century estates boasted 200 to 400 slaves. Although this did not facilitate close supervision (which had never been a prime concern for many Surinam planters anyway), it made technological innovation -on a modest scale- possible. For the slaves, this process of concentration held little promise and they often protested the fusion of slave forces vehemently. With regard to the United States, it has often been maintained that the treatment of slaves was much better on small units than on larger ones. In Surinam, size seems to have made little difference. The slaves on large plantations were in some ways better off: they had less supervision and fewer problems to recruit the personnel for a large-scale rebellion.

09.01.2016

Adriaan François Lammens (1767-1847)

19 Saturday May 2012
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Dutch books
flora & fauna, kolonisatie, plantages, religie, Slavery

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 to 1822. Door Mr Adriaan François Lammens. Amsterdam: Vrije Universiteit,1982
Over de geschiedenis van Suriname is nog lang niet alles gezegd. Veel daarvan ligt nog verborgen in archieven, dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten. In het Surinaams Museum in Paramaribo worden in achttien banden de Memoires en onuitgegeven werken van Adriaan François Lammens bewaard. Mr Adriaan François Lammens (1767-1847) speelde een belangrijke rol in het koloniaal bestuur van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Precies dertig jaar geleden (in 1982) werd een deel van het manuscript van Lammens door de Vrije Universiteit Amsterdam en het Koninklijk Institituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) gepubliceerd. Het werk van Lammens is een rijke bron van informatie over het leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Belangrijk hierbij is dat Lammens ook veel informatie geeft over het leven in de stad Paramaribo. Tot dan toe gingen de meeste verhandelingen meer over hetgeen zich op de plantages afspeelde.



Stadsplan Paramaribo ca. 1767 (Tirion)

Lammens was geen vluchtige bezoeker die, zoals veel van zijn voorgangers, een oppervlakkige beschrijving geeft van hetgeen hij om zich heen zag. Hij verbleef bijna twintig jaar (1816-1835) in Suriname en was er o.m. President van het Hof van Justitie en het Militaire Gerechtshof. Door tijdgenoten zoals Teenstra wordt Lammens omschreven als één der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren van de kolonie. Hoewel hij natuurlijk deel uitmaakte van de elite die het systeem van de slavernij in stand hield was hij tegelijkertijd kritisch over de uitwassen er van. Hij veroordeelt de onbetamelijke en wrede wijze waarop sommige eigenaren hun slaven behandelen. Lammens wijst bijvoorbeeld op het doodschieten van een slavin door directeur Balfour van plantage Berlijn die daarvoor ‘aan het zwaard der gerechtigheid of aan de koord’ ontsnapte.



Plantage Berlijn

Het verval van de Kolonie komt door dat de gemaakte winsten naar Nederland worden doorgesluisd: “De Kolonie is als een melkkoe, welke men steeds melkt, en die men bijna niet te eten geeft.” In zijn opvattingen over slaven onderscheidt hij zich niet van zijn tijdgenoten. De slaaf is traag en lui, zo stelt Lammens, maar zijn afkeer van werken heeft hij afgekeken van zijn meester. De negerslaaf “vormt het eenig werksaam deel der bevolking, in het belang van Nederland, zonder hen bestond de kolonie niet.”

In het eerste deel beschrijft Lammens de geografie van het land. Lammens heeft zelf ook deelgenomen aan tochten naar Nickerie, hij bevoer de Corantijn en de Marowijne. Interessant zijn ook de beschrijvingen van verschillende wandeltochten door en om Paramaribo. De weg naar de plantage Ma Retraite, met aan weerszijden Kombées of tuinen, is beplant met sinaasappelbomen, manjebomen, zuurzak en broodbomen. Van Ma Retraite loopt men naar de plantage Tourtonne waarvan men in een half uur weer in de Gravenstraat komt. Deze laan door een wild bos en is met hoge bomen beplant.

Nog interessanter wordt het als Lammens de bevolking van de kolonie onder de loep neemt. Zo beschrijft hij dat de blanke inwoners zich verre houden van de kleurlingen en met verachting op hen neerkijken. Zij stellen ‘den neger verre boven den mulat (kleurling, ch)’. De kleurling verenigt volgens de blanken de gebreken van blank en zwart. Dat is volgens Lammens niet alleen onstaatkundig maar ook dom (als de kleurlingen en de zwarte bevolking zouden samenspannen zouden de blanken geen schijn van kans hebben) en ongerijmt.

28.12.2015

De planter van Paramaribo

De planter van Paramaribo. Eduard Gerdes (1891).
Posted by Carl Haarnack in 19th century books, Children's Books, Dutch books, German books
≈ Comments Offon De planter van Paramaribo. Eduard Gerdes (1891).

De planter van Paramaribo, in: Agathos, of de wapenrusting Gods. E. Gerdes. Utrecht: J.H. van Peursem, 1891.

De lezers die deze blog al langer volgen herinneren zich misschien nog het stuk over Der pflanzer von Paramaribo (18 december 2011). Dit verhaal vond ik in een verhalenbundel voor de jeugd Aus fernen Welten. Geschichten und Bilder für die Jugend geschrieben (1891). De samensteller van deze bundel was A.H. Fogowitz maar het is zeker dat hij niet de auteur van dit verhaal was. Uit onderzoek weten we dat dit verhaal in ieder geval teruggaat tot 1833. Toen verscheen het in Bohemia: oder Unterhaltungsblätter für gebildete Stände (Nummer 1; no. 76; 25 juni 1833). In 1842 verscheen dit verhaal ook in ’Der Aufmerksame, ein Unterhaltungsblatt’. Hierin wordt gemeld dat dit gebaseerd is op een waar verhaal uit 1786. Verwezen wordt naar een Engels origineel van G.A. Dorn. En in 1872 duikt het verhaal op in een krant in Nieuw-Zeeland onder de titel: Only a nigger. In mijn promotie-onderzoek naar de representatie van Suriname in Duitse literatuur zal ik verder ingaan op de ontstaansgeschiedenis en achtergrond van dit merkwaardige verhaal.



Maar ik kan mij niet bedwingen nu alvast een bijzondere vondst met u te delen. Afgelopen vrijdag kreeg ik op de boekenmarkt op Het Spui in Amsterdam bij de kraam van Antiquariaat De Klikspaan (uit Leiden) een klein papieren boekje met gele omslag in mijn handen gedrukt: Agathos of de Wapenrusting Gods. De antiquaren van De Klikspaan, sinds jaar en dag belangrijke leveranciers van de collectie Buku Bibliotheca Surinamica, kennen mijn interessegebied en ik vermoedde direct iets bijzonders in handen te hebben. Toen ik de auteursnaam E. Gerdes zag staan wist ik dat er een link met Suriname moest zijn. Eduard Gerdes (1821-1898) was geboren in het Duitse Kleef en verhuisde op jonge leeftijd naar Amsterdam. Hij werd opgeleid tot predikant en werkte onder de arme arbeidersgezinnen op Kattenburg en Wittenburg. Dat ligt op een steenworp afstand van de plek waar de Buku collectie zich bevindt. Gerdes behoorde samen met P.J. Andriessen tot de belangrijkste kinderboekenschrijvers van de 19e eeuw. In 1867 verscheen van zijn hand De kanten Zakdoek. Een verhaal uit den ouden tijd. Dit kinderboek dat deels in Suriname speelt is vele malen herdrukt en moet bijzonder beeldbepalend zijn geweest voor vele generaties Nederlandse jeugdigen.

17.10.2015

Surinaemen ontmaskerd. Jan Willem de Man (1776)


Buku – Bibliotheca Surinamica
~ A blog about books on Suriname & more

17SaturdayOct 2015
Posted by Carl Haarnack in 18th century books, Dutch books, Law
≈ Comments Offon Surinaemen ontmaskerd. Jan Willem de Man (1776)

Surinaemen ontmaskerd, of Zakelyke beschouwing, waer aen het verval der colonie Surinaemen, thans Grotelyks toe te schryven is. Uit meest authenticque stukken bewyslyk, ten nutte der Nederlanderen aangetoond. Jan Willem Engelbert de Man. Amsterdam, Gedrukt voor rekening des aucteurs, en zyn te bekoomen, by J.A. Crajenschot [ca. 1776]


Hof van Justitie, Paramaribo (1830)

http://www.earlydutchbooksonline.nl/nl/edbo