12.10.2010

ANGISA: NAMENSGEBUNG 2

Doeken waarvan naam an patroon aan elkaar gerelateerd ziJn

1, FA YALOBI - Vurige liefde
Een patroon van rode bloemen

2. PIRI AMANDRA - Amandelpit
Een motief dat aan de amandel doet denken. (Zie afbeelding 41) De volledige naam luidt:,Ef yu abi pasensi fu piri bita amandra, dan yu sa dringi wan switi orsyadu. Als je het geduld hebt de bittere amandelen te pellen, dan zul je een lekkere orgeade drinken.


ANGISA: NAMENSGEBUNG 1

De naamgeving van de doeken

In de regel krijgen de diverse gebruikte patronen/dessins een naam. Talloze doeken hebben in de loop der tijd een naam gekr,egen en talloze namen zijn inmiddels al weer in de vergetelheid geraakt. Het geven van namen aan stofpatronen (evenals de bindwijzen trouwens) vindt zijn oorsprong in West-Afrika en is een gebruik dat door de slaven werd meegenomen naar de Nieuwe Wereid. Ook bij de bosnegers komen we dit verschijnsel nog tegen. Om een enkel voorbeeld te noemen: een door hen veel gebruikte stof draagt de naam 'seibi strepi'; parallelle lijnen in groepen van 7 op een lichte ondergrond. Hoewel elk nieuw patroon dus voorzien wordt van een naam is het lang niet altijd zo dat de naam direct van het patroon wordt afgeleid. Oit komt in een aantal gevallen voor. Oe andere doeken dragen vaak namen die totaal niet in verband staan met het afgebeelde patroon.

ANGISA: LOW-EDE

Omdat de low-ede niet zomaar een willekeurig gevouwen doek is maar een rouwhoofddoek waar heel wat meer over te verteilen valt dan de manier van binden zullen we daar wat meer aandacht aan besteden dan louter een naam met wat gegevens.

Alvorens de low-ede op te zetten kwam het vroeger voor dat het hoofd kaal geschoren werd. Althans twee bronnen maken daar melding van. Biom (1787:344) constateerde dat het bij de slaven een gewoonte was om 'rouw te draagen' en "vooral de hairen van hun hoofd aftescheeren, en eenen witten doek om 't hoofd te binden. Verder naar hunne gewoonlijke kleeding zwart en Salempoeris te draagen. Zij komen dit ook zo heilig na, dat zij voor geen waerelds goed daar na laatig in zouden zijn. Oit zoude bij hen ook voor eene onuitwisbare schande gerekend worden." Die schande gaat klaarblijkelijk toch niet zo ver dat men zieh daar een dertigtal jaren later nog even strak aan vasthoudt. Want dan schrijft Lammens (1982:69) dat indien de kleurlingvrouwen en negerinnen'de rouw aannemen, zij zieh 'zoms' het hoofd kaal laten scheren. Lammens is de tweede en de laatste die gewag maakt van het soms kaal scheren van het hoofd. Andere bronnen zijn ons tot op heden niet bekend.

ANGISA: PRODO-EDE

Prodo-ede

Ook wel prodo-tai-ede, proisi-ede of pruis-ede genoemd. Het woord prodo komt van het Nederlandse pronken of het Engelse 'proud'. De prodo-ede is een echt feestelijke hoofdbedekking. Deze angisa wordt dan ook alleen maar bij feestelijke gelegen heden opgezet en natuurlijk is het geheie toilet van de dame in kwestie dan iets bijzonders. Zijzelf wordt dan prodo-misi genoemd. (Zie afbeelding 39)


ANGISA: STREK'EDE 3

Bindwijzen waarvan naam en vorm aan elkaar gel'efateerd zijn

1. TERE-ANGISA

Tere betekent staart. Zes verschiliende teres komen we in de literatuur tegen, te weten dagu-, doksi-, paw-, langa-, kron-, en kroru-tere (honde-, eende-, pauwe-, lang-, krom- en krulstaart). Henar (1987:16) noemt nog Jana paw: "Een zekere Johanna introduceerde een extra paw-tere en noemde die de Jana paw. (Jana afkorting van Johanna)." Voigens mondelinge informatie zouden Jana paw en paw-tere identiek aan elkaar zijn (zie afbeelding 34).


Tot slot een enkele aanhaling uit de literatuur met betrekking tot de tere. "Is de achterpunt flink uitgestulpt, dan spreekt men van dagoe-tere terwijl bij een meer-uitgeplooide aChterpunt van pauw-tere wordt geproken." (Si mons z.j. :4) "The doksie tere (the duck's tail) is an anjiesa for daily wear." (Hersokovits en Herskovits 1936:9)

ANGISA: STREK'EDE 2

De verschillende strek'ede
De namen van enkele tientallen bindwijzen komen we in de literatuur tegen. Lang niet al deze bindwijzen weet men nog te vouwen en vaak ontbreekt het aan voldoende achtergrondinformatie. Het is op deze plaats niet moge.Iijk alle ons bekende bindwijzen voorzien van achtergrondinformatie uitputtend op te sommen. Oaarom volgen per categorie enkele sprekende modellen met voor zover mogelijk wat gegevens.

I. Bindwijzen welke een sociale code in zich dragen

1. FEIDA

Feida duidt eigenlijk op een bepaalde groep bindwijzen die met boosheid te maken hebben. In deze gevallen zijn een of meer punten van de gevouwen doek op een bepaalde manier omhoog gestoken. "Zijn bijvoorbeeld de beide uiteinden van de knoop recht naar boven gestoken, dan spreekt men van feida oftewel boosheid, verzet. Van de feida zijn er verschiliende modellen z.a. let them talk, lik me de m ... , loop naar de pomp, don't touch me. Zijn daarentegen de punten naar beneden geslagen, dan wijst dat op een rustig gemoed of betekent het dat men na een twist weer vrede wenst." (Henar 1987:15) (Zie afbeelding 32)


11.10.2010

ANGISA: STREK'EDE 1

Het is vooral de strek'ede die ons zo nieuwsgierig maakt. De meest uiteenlopende modellen komen we tegen, elk met een eigen naam. We hebben a gezien dat de vrouw met een hoofddoek in 'geheimtaal' communiceert helgeen ze onder andere doet door de wijze van binden. Die bindwijzen kunnen we in drie categorieen indelen, te weten:
1. De bindwijzen welke een boodschap uitdrukken. Deze categorie bindwijzen draagt een code in zich_ Alleen aan insiders is het namelijk gege· yen om de bedoelde boodschap al dan niet ter harte te nemen. EnkelE van de meest tot de verbeelding sprekende voorbeelden zijn: wacht mE op de hoek, volg mij, let them talk, laat maar waaien en don't touch me.
2. Bindwijzen waarvan de naam aan de vorm gerelateerd is, bijvoorbeeld oto baka, paw-tere en waaier-ede.
3. Overige bindwijzen, zoals: Frans'ede, Martinique, Mis'-de-Neef, kosju, arneksani en Makeba.

ANGISA: MODELLE

Oe diverse modellen zijn zo ingewikkeld dat ze met behulp van kopspelden hun vorm moeten blijven behouden. Bij de lontu-ede en de feida wordt echter niet van spelden gebruik gemaakt. Ook bij de zogenaamde werkangisa (bijvoorbeeld bakagron-angisa) worden geen spelden gebruikt. Oe aliereerste, eenvoudig geknoopte angisa zullen het zander spelden gesteid hebben maar naarmate de ontwikkeling voortgingwerden spelden een noodzaak. Behalve stijfsel en spei den is er nog een derde mogelijkheid om de angisa in model te houden. Dat kan door het gebruik van kranten. Oe krant wordt met de doek meegevouwen en geeft aldus extra stevigheid. Normaliter kan de angisa worden op- en afgezet. In enkele gevallen wordt ze met haarspeIden (haarpennen) vastgezet. Dat gebeurt onder andere bij de waaier-ede en die welke ge·inspireerd zijn op bindwijzen uit het Caraibisch gebied.

Oe zogenaamde tere-angisa (dagu-, doksi-, kron-, kroru-, langa- en pawtere) behoren tot de oudste modellen. Volgens Henar (1987:15) werd vervoIgens door de familie Zwakke een model ge·introduceerd, namelijk de Zwakke-ede. Een chronologische volgarde die het ontstaan van nieuwe bindwijzen weergeeft is echter moeilijk te reconstrueren. Voor wat de prodo-ede betreft is er een bron die duidt op het ontstaan hiervan aan het ei nd van de 1ge eeuw. Pareau (1898:38) schrijft namelijk: "In de laatste jaren heeft men die mutsen omgeven met witte randen van pluche, waardoorzij sterk zijn gaan gelijken op de barets van de pages uit de riddertijden." En van de oto-baka is het natuurlijk overduidelijk wanneer zij ontstaan iso Dit model is ge·inspireerd op de eerste auto's in Suriname en stelt de bumper voor. Het is een neutraal model dat nog altijd vrij veel gedragen wordt.

STÄRKE: GOMMA

De angisa wordt van zoveel stijfsel voorzien dat ze kan worden op- en afgezet als een hoed. Om de hoed plankhard te stijven wordt gebruik gemaakt van gomma en kaarsvet. Gomma is afkomstig uit de cassavewortel. (Zie afbeelding 31)

DER KOTOMISI CODE

op recht naar boven gestoken, dan beteekent het boosheid en verzet; als een historisch aandenken noemt men zo'n vorm nog wel Saramacca-oproermuts; ( ... )." (van Lelyveld 1919:261 )

In dit hoofdstuk worden enkele zaken betreffende de sociale code uitgebreid behandeld. Dat zijn achtereenvolgens de bindwijzen, de naamgeving van de doeken, sieraden en alanyatiki. Bij de bindwijzen wordt wat dieper ingegaan op de prodo-ede en de low-ede.

Er zijn echter meer zaken waarbij code een belangrijke rol speelt. Dat zijn:

- De yakilinti.
We heb ben gezien dat het jakje aan de achterzijde twee linten heeft hangen die in het verleden wel degelijk functioneel waren. Deze lintjes worden weleens geheel of gedeeltelijk harmonicavormig geplooid. Voigens van Lelyveld gebeurt dat alleen bij de nette kleding. Anderen geven er de volgende betekenis aan: is alleen het onderste gedeelte gevouwen dan wil dat zeggen dat de vrouw in kwestie nog vrij is; is het lint over de geheie lengte geplooid dan wir ze daarmee zeggen dat ze sen man .heeft en zijn afwisselend een stukje geplooid en een stükje glad dan heeft zijwel eeQ man maar bevindt hij zich ver weg.

- Tapuskin-pangi.
De manier van dragen van de tapuskin-pangi zou op twee manieren te decoderen zijn. Zo zou het in het verleden mogelijk geweest zijn aan deze schouderdoek te zien tot welk kerkgenootschap de dame in kwestie behoorde. Een andere versie is dat wanneer ze over de rechterschouder hangt de dame haar hart nog niet verpand heeft; over de linkerschouder gedragen wil zeggen dat ze niet meer vrij iso En wordt de tapuskin-pangi over een schouder gedragen en in de zij geknoopt dan is dat een teken van rouW.

- Angisapad. 
Het leggen van een angisapad is afkomstig uit het district Para. Dit is te vergelijken met wat we het uitleggen van de rode loper noemen. Angisa worden als een loper tegen elkaar aangelegd waarbij men de achterste wegneemt en vooraan weer aansluit. Het lopen over angisa is slechts weggelegd voor enkelingen. Hiermee wordt hun een bijzondere eer betoond. In het verleden viel diet zowel de leden van het Koninklijk Huis te beurt als ook gouverneurs. In 1966 overkwam dit de Zuid-Amerikaanse zangeres Miriam Makeba die Suriname bezocht.

ANGISA: MUSTER

HET ONTSTAAN VAN OE PATRONEN OP OE DOEKEN

Vanaf het ontstaan van de angisa zijn er zeer veel verschilIende doeken in de handel gebracht. Over de eerste typen doeken die gedragen zijn, bestaan verschilIende theorieen. Voigens Herskovits en Herskovits worden de eerste doeken gemaakt van witte katoen en geborduurd in kleur, terwijl Simons over de eerste doeken in 'Oe hoofddoek van de Surinaamse vrouw' zegt: "Hoewel men geen bepaalde stof had besteid toen de eerste doeken naar Suriname kwamen, was de belangstelling aanmerkelijk groter dan gedacht was. Vele mensen moesten daarom teleur worden gesteid. Aangezien zij het geduld niet konden opbrengen te wachten op de volgende zending hebben velen oude 'sits' kapot gesneden om daar hoofddoeken van te maken." (Simons z.j.:3) Sitsen stoffen werden reeds in 1748 genoemd als kleding van slaven. "In 1748 klaagde reeds de Gouverneur Mauricius over de ijdelheid der slavinnen, die gevoed werd door de 'kostbare pracht van de beste chitsen, ( ... )'." (van Lelyveld 1919:259) Zie afbeelding 22.

ANGISA: ENTSTEHUNG

HET ONTSTAAN VAN DE ANGISA

Hoewel von Sack al in 1810 spreekt over het versieren van het hoofd met een tulband of mousselinen hoofddoek, komt de term angisa pas in 1840 voor in de beschrijving van kleding. Dat de term angisa eerder bekend is, blijkt uit het woordenboek van Schumann: "hangisa (angisa) Schnupftuch, Handtuch" (1778:69) (Vert. zakdoek, handdoek). Onder de Saramakkaners is het woord hangisa eveneens bekend: "( ... ) as weil as kerchiefs (Iensu, hang isa) ( .. .)" (Price 1984:129); op Cura<;ao is een bekende hoofddoek 'Iensoe di Madras'. In de geplande, evenwel gesaboteerde, vredesovereenkomst met de Saramakkaners in 1749 waren onder andere opgenomen 'one hundred handkerchiefs'. (Price 1984:130)

Lammens gaat rond 1816 in op de gewoonte om neusdoeken van spreuken te voorzien die zinnebeeidige betekenissen vervullen. Oe meeste van deze spreuken, soms 10, 12 of maar 2, hebben betrekking op de liefde en GOd, zoals bijvoorbeeld 'Iobi switi', 'Iobi no prati', 'de liefde is blind' en God zij onze getuige'. Of deze neusdoeken de grootte hebben gehad van een hoofddoek is niet bekend, wel werden ze bij begrafenissen om hel hoofd gewonden. In het Surinaams Museum bevinden zich enkele hoofddoeken waarop dit type spreuken in kruissteek geborduurd zijn (bijvoorbeeld op T 186, een wit linnen hoofddoek waarop diverse spreuken langs de rand, en figuurtjes in het middenveld geborduurd zijn). Teenstra legt in zijn beschrijving van de hoofddoek een verband met wat hij bijgeloof noemt. "Een doek, gelijk van welke kleur, met eene lange achteruitstekende punt is ongemeurdheid, willende daarmede zeggen: je ku nt mij de m. . likken; de doek, aan de linkerzijde geknoopt wil door eenen soldaat gevrijd worden; en zoo heb ben zij eene menigte andere doekseinen, waarvan mij eensdeels het fijne niet bekend is, en die ik anderdeels uit achting voor het schoone geslacht niet open baren zal, alt hans niet de maanseinen; - aber dan ist das nicht Caucher nich!" (Teenstra 1835:154)

ANGISA: BEDEUTUNG (BEISPIELE)

 Yuna woron, waki te yu tron kaperka (Stichting Surinaams Museum, T 608)
Jij rups, wacht tot je vlinder geworden bent
"Op deze doek staan rupsen langs de rand en vlinders op het veld en zou daarom ok tot categorie V.2.1. [Doeken waarvan naam en patron aan elkaar gerelateerd zijn] gerekend kunnen orden.

 Todo no habi wiwiri ma toku y tya loso (Stichting Surinaams Museum, T 273)
De kikker heeft geen haar mar de nacht haar zoetheid 
categorie V.2.2.: Volkswijsheid als naam

Mi na afu sensi, no wan sma kan broko mi (Stichting Surinaams Museum, T 379-31)
Ik ben een halve cent, niemand kan mij kleiner maken. Deze doek word gedragen door een vrouw die neerkeek op de prostitutie. De piki-duku die uit kringen der prostituées als reactie hierop kwam heette: Mi na gowtu moni, mi de na tra sma anu tu, ma mi e hori mi warti: ik ben godgeld, ik ga door alle handen maar behoud mijn waarde :

categorie V.2.4.: Gelegenheidsdoeken

KOTOMISI 3

KREITIMISI
De kreitimisi is eveneens aan de orde geweest in het hoofdstuk 'Van kotomisi naar palitomisi en kreitimisi'. De kreitimisi gaat geheel Europees gekleed, ze is net als de palitomisi bekend uit het begin van deze eeuw. Ze droeg in die tijd een witte bloes met lange mouwen en liefst een witte rok, een panamahoed en parasol completeerden het geheel. Was ze al op leeftijd dan werd onder de hoed een hoofddoek gedragen. Oit was echter al het geval rond 1830. (Zie afbeeldingen 4 en 21)

KOSYU
De kosyu is een type dat in de historie niet direct terug te vinden iso Deze dracht bestaat geheel uit hoofddoeken. Oe rok bestaat uit diverse hoofddoeken, gerangschikt rond .de taille, het jakje bestaat uit twee hoofddoeken, de angisa completeerthet geheel. "Deze is een vorm van feestelijke kleding met een dracht bestaande uit verschillende hoofddoeken. Zo stelt de Kosjoe haar welgesteldheid ten toon." (Callender-Zwakke· 1977:34).

MIS'-DE-NEEF
Mis'-de-Neef ging meestal gekleed als een deftige palitomisi. Het jakje van haar palito was getailleerd en had achter een afstaand schootje. Daarbij droeg ze dan een kleine opolanki angisa die evenals dit type palito naar haar genoemd iso

MODERNE KOTO
De moderne koto bestaat uit een korte (tot de helft van het been) rok met een afstaand schootje en heel klein yaki. Er wordt een bloes on der gedragen. De angisa is meestal klein gevouwen.

PALITOMISI
De ontwikkeling van de kleding van de palitomisi is reeds aan de orde geweest in het hoofdstuk 'Van kotomisi naar palitomisi en kreitimisi'. Het uiterlijk van de palitomisi is dus gebaseerd op de westerse mode in het begin van de 20e eeuw. In die tijd droeg de palitomisi een lange rok, een jakje tot op de heup en een angisa, liefst in hetzelfde patroon. Later veranderde de palitomisi haar dracht enigszins; de kleding bleef echter een rok (tot iets onder de knie), een bloes tot op de heup, maar altijd met eeh bijpassende hoofddoek. (Zie afbeelding 21)

KOTOMISI 2


Ameksani
KOTOMISI

Vandaag de dag noemen wij iedere vrouw die in koto verschijnt een kotomisi. Vroeger werd je pas kotomisi genoemd als je de klederdracht in de meest verzorgde vorm droeg. Zij was het die in de min of meer goeden doen,zich puik wist te kleden, aan haar kleding en opschik veel zorg bestede en zelfs schoenen droeg. Werd echter bij overgens gelijke kleding de voorkeur gegeven om op blote voeten te lopen,dan sprak men van een koto-soema.

Het aankleden van een kotomisi is een kunst die niet te onderschatten is. Vroeger had men onder de koto en jaki heel wat ondergoed te weten een lefi (onderlijfje) een flanelle hemt met in figuurtjes uitgeknipte mouwen, een katoenen hemd vaak op de hand geborduurd, een broek van vierlinnen, daar overheen 1 tot 2 pangi's en daar nog overheen 1 tot 2 onderrokken. De onderrok wordt vlak onder de borsten vastgebonden met een tot driehoek gevouwen hoofddoek of een band. Over dit alles komt de koto.

Een nette koto rijkt tot op de grond. Een werk koto tot de helft van het kuitbeen. Om de goed lengte te bepalen wordt de rokband tussen de tanden genomen. De rok is zeer wijd, kan 2 tot 3 banen van de stofbreedte zijn. De koto en het jaki moeten zeer veel stijfsel hebben, dit voorkomt het smoezelig worden terwijl de plooien dan ook goed vallen. De koto moet aan de bovenkant gerimpeld worden en op maat met een rokband vastworden gezet, aan de voorkant blijft een opening. De rok heeft geen zoom maar een tegenzoom(stootkant) van ongeveer 30 cm.

KOTOMISI 1

aus: "Laissons-Les Parler..." Histoire des Costumes Creoles Du Surinam, Bureau Du Patrimoine ethnilogique, 1990

koto - rock mit einer Länge von ca 2m
yaki - kurze jacke, die sich nach unten stark weitet en enigszins rond, de jaki-linti zijn aan de achterzijde bevestigd
angisa - kopftuch, das auf vielerlei weisen gebunden werden kann
empi - unterhemd, mit der Funktionalität einer Bluse, welche oftmals mit reichen Bordüren verziert ist
ondrokoto - unterrock, soms versierd met open naaiwerk en/of oprijgsels
famiri (koi) - längliches Kissen zur Verbreiterung der Taille
ondrobuku - Unterhose bis zu den Knien; met linten gestrikt
pangi - Lendentuch, das manchesmal unter dem unterrock getragen wird
tap 'kot' angisa - dreieckiges Tuch oder doppelt gefaltetes Kopftuch; wird über dem koto getragen. die spitze hängt hinten nach unten.
tapuskin pangi - omslagdoek, die meestal voor 'prodp' over één schouder wordt gelegd
kotobere - 'rkbuik, onstat vanuit het teveel aan roklengte
aus: Laddy van Puuten/Janny Zantinge: Let them talk; Mededelingen van het Surinaams Museum, Oktober 1988

PLANTAGEN, SURINAME UND BERBICE

Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname; Graveur: Leth, Hendrikde, Cartograaf: Lavaux, Alexanderde. 1758

Omdat de bestaande kaarten van de kolonie niet meer toereikend waren zaten de directeuren van de Sociëteit van Suriname al lang verlegen om een goede nieuwe kaart. Plantage-eigenaren stoorden zich namelijk weinig aan de voorschriften ten aanzien van het meten van hun gronden en het registreren ervan. In 1734 liet Alexander de Lavaux - vaandrig in dienst van de Sociëteit en gezworen landmeter van Suriname - de directeuren weten dat hij al twee jaar bezig was met een nieuwe kaart, die bovendien al bijna gereed was. Op hun verzoek werd de kaart in 1737 in Amsterdam gegraveerd. De kaart, waarvan het noorden onder ligt, omvat in het bijzonder het cultuurgebied langs de Suriname- en Commewijne rivieren. Er zijn 436 plantages op aangegeven, die opgenoemd worden in de legenda, vergezeld van opgaven over oppervlakten en eigenaars. Voor het eerst staan alle cultuurgebieden in de omgeving op één kaart ingetekend. In de binnenlanden zien we o.m. 'wegloopers dorpen' die in brand staan en andere getuigenissen van acties tegen de Marrons waarbij De Lavaux betrokken is geweest.
http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/SURI01:KAARTENZL-105-20-03


Landkaart van de Volkplantingen Suriname en Berbice; Uitgever: Ottens, Reinier. 1758-1767

De basis van het huidige Suriname werd gelegd door de Engelse kolonisatie aan de Suriname rivier, begonnen in 1651. Toen de bloeiende jonge kolonie in 1667 door Abraham Crijnssen in naam van de provincie Zeeland werd veroverd, strekte het gebied zich uit tot aan 'den Westkant der Rivier Coppename'. Verder naar het westen bevond zich nog een andere Zeeuwse kolonie, Berbice of 'Berbiesjes', gesticht door Abraham van Peere (1627). Tussen beide volksplantingen strekte zich het stroomgebied van de Corantijn uit, als een leeg niemandsland. Daarover werd een schikking getroffen tussen Van Peere en Gouverneur Van Sommelsdijk. In ieder geval werd de westgrens van Suriname op de kaarten uit de 18e eeuw aangegeven als een rechte lijn, lopende van de Duivelskreek (een nu niet meer bestaand riviertje) langs de meest oostelijke bocht van de Canje rivier, een zijtak van de Berbice rivier. De kaartuitgevers Reinier en Josua Ottens uit Amsterdam waren met deze mooie overzichtskaart de eersten die de kolonie Berbice in beeld brachten.

P.J. BENOIT, VOYAGE A SURINAM, 1839

e missie, een huishoudster van een blanke met haar kind, met een slavin die haar parasol draagt en een slavin die de kerkboekjes en het sleutelmandje draagt. Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 25.

 Een jonge slavin met een boeket, een missie of huishoudster in vol ornaat en een oude missie
 De slavin in het midden draagt een rok met verschillende omslagdoeken. Het was de gewoonte om het bovenlichaam onbedekt te laten. De missie, huishoudster van een blanke, heeft een hogere status, hoewel zij zelf ook slavin is. Uitdagend toont ze haar rijkere kleding. De oude missie rechts heeft haar beste tijd gehad en gaat eenvoudiger gekleed. Benoit is een van eerste tekenaars die het onderscheid tussen de posities van de slaven onderling zichtbaar maakt.Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 26.

P.J. BENOIT: KIRCHGÄNGER

De deftige blanke man en zijn vrouw gaan naar de kerk, gekleed volgens de Europese mode. De man draagt een zwart lakens pak, wat heel warm is in de tropen, en de vrouw een japon. De stoet die hen begeleidt bestaat uit de dienstbode met de parasol voor haar mevrouw, achter het paar twee slavinnen van wie een het voetenbankje van mevrouw draagt en een vierde slavin met twee kerkboekjes op de geheven hand, een in het wit geklede jongen, de voetebooi die een paraplu en een sleutelmandje draagt en ten slotte een klein meisje met paraplu.
Bron: P.J. Benoît, Voyage à Surinam (1839), pl. 24.

EUROPÄISCHE DAMENMODE: 2. ROKOKO



Die Damenmode des Rokoko war geprägt vom Reifrock, der um 1715 aufkam und wegen seiner Ähnlichkeit zu Hühnerkörben im Volksmund auch Panier genannt wurde. Er war das Kleidungsstück, welches sich wohl während des gesamten Rokoko am häufigsten veränderte, von kegel- über trapezförmig, hin zu eckig und zur ovalen Kuppelform. Darüber wurde ein Rock (Jupe) und ein einteiliges, vorne offenes Kleid getragen. Die Ärmel waren ellbogenlang und endeten meist in flügelartigen Aufschlägen. Als Robe war die Contouche oder „französische Robe“ beliebt, deren Falten elegant am Rücken herabfielen. In England wurde währenddessen das Manteau beibehalten und weiterentwickelt (die „englische Robe“ oder auch „Mantua“), mit fest angenähten Rückenfalten. Während die Prachtentfaltung bis in der ersten Jahrhunderthälfte hauptsächlich in Stoffmustern und breiten Paniers bestanden hatte, wurde sie ab ca. 1750 vor allem durch Volants und Rüschen geleistet; die Stoffe hingegen wurden schlichter. Die Ärmelaufschläge wurden durch dreistufige Volants ersetzt, die Kleider enger tailliert.
Bei den Stoffen bevorzugten die wohlhabenden Frauen Seidenstoffe wie Satin, Taft, Faille oder Damast. Zu Beginn des 18. Jahrhunderts waren vor allem großflächige florale, blumige Musterungen und Drucke in Mode, die im Laufe der Jahrzehnte immer kleiner und dezenter wurden. Das Haar wurde aufgesteckt getragen, zuweilen gepudert und eine Haube daraufgesetzt. Zu festlichen Anlässen wurde die Haube weggelassen und das Haar je nach finanziellen Möglichkeiten mit Blüten, Bändern oder Juwelen verschönert.

Um 1840 beginnt der Vormärz (also die Zeit vor der Märzrevolution von 1848), der modisch nahezu bruchlos in die Romantik übergeht. Die Kleider die Damen wandern wieder ein Stück die Schulter hinauf, aber nur wenig. Beite V-Ausschnitte, von mehreren Reihen Falten umrahmt, sind typisch für die 40er Jahre, aber auch hochgeschlossene Kleider wurden wieder getragen. Die Röcke werden in der Taille fülliger und müssen durch mehrere Lagen Unterröcke mit Roßhaareinlagen gestützt werden. Dazu wurden dreieckige Schultertücher oder Kaschmirschals umgelegt. Der Umfang der Röcke wuchs mit der Zeit so stark an, daß es bald wieder nötig wurde, Reifen einzuziehen. Elastischer Federstahl, eine neue Erfindung, machte das teure Fischbein überflüssig und den neuen Reifrock, den man nun Krinoline nannte, auch für die Mittelschicht erschwinglich. Gleichzeitig wurde es möglich, den Rock mit Volants und allerlei Garnitur zu verzieren, ohne ihn nach unten zu ziehen.
So begann die Epoche des zieratverliebten Zweiten Rokoko. Dazu gehörte auch die Entwicklung V-förmigen Zierats auf dem Oberteil, ganz wie im Rokoko.