Eenig ter wereld in haar soort is de kotomisi in haar bizarre
kleedij, (misschien) potsierlijk voor wie niet ingewijd is in de ge-
heimen van haar toilet. Wie echter den zin kent van haar tooisels,
overvloedig tot het overdadige toe, zal daarin niet alleen een
graadmeter vinden voor haar welstand — of hetgeen zij daarvoor
wil doen doorgaan — doch veelal ook haar gemoedstoestand kun-
nen onderkennen, benevens een stuk geschiedenis, hetzij van den
dag, hetzij eenigszins verouderde, bewaard gebleven in haar cos-
tuum.
Daarbij komt dan nog haar smaak en graad van ontwikkeling,
zich uitend in de patronen, die zij zich koos.
De kotomisi is — binnen niet al te langen tijd: was, want het
zuivere ras sterft uit — niet louter een piramidaal gevaarte van
stijf gestreken kleurig katoen, naar willekeur opgebouwd.
Vóór alles behoort er harmonie te zijn in hare kleedij, die sa-
mengevat wordt onder den naam „stel", hetgeen samenstemming
veronderstelt.
Tot het stel behooren de wijduitstaande kótó (rok), het pikante
korte jákki (jak), de kokette anjísa (hoofddoek), de zwierige tapoe
skien pánji (groote schouderdoek), en de geraffineerd nuffige
tapoe kótó anjísa een kleurig doekje, dat achter op den rug vanon-
der de kotobéré een punt uitgluurt.






















