31.01.2017

Onbegrensd Nederland & Suriname I: postzegeldeelafbeeldingen

Onbegrensd Nederland & Suriname I: postzegeldeelafbeeldingen

24
Met hulp, steun en medewerking van de ontwerpster Ariënne Boelens van deze emissie kan ik informatieve en inzichtgevende aanvullingen (geruime tijd vóór de uitgiftedatum) geven op de bijdrage ‘Onbegrensd Nederland & Suriname’ van 7 juli 2010.
Het bestaan van een goudrijk gebied in Suriname lokte veel Europeanen. Het eldorado werd niet gevonden, velen vertrokken in tegenstelling tot de Zeeuwen. Zij zagen mogelijkheden in het verbouwen van tabak, cacao en orleaan (een rode vrucht, waarvan de kleurstof voor veel doelen (o.a. make-up) kon worden gebruikt); handel in vogelveren (ter versiering van dameshoeden en mantelkragen), handel in anoty-verfhoudende zaden als kleurstof voor de zijde. Handel in worst, kaas en het extreem dure slangenhout voor wandelstokken, biljartkeus en inlegwerk.

1) Agricultuur

Bijgaand postzegelvelletjes is ontdaan van de vier ballast-postzegels, zodat er inhoudelijk tussen de twee postzegels en de velrand een meer uitgebalanceerde, aanvaardbare én harmonische eenheid ontstaat.
Het bakken van brood, pannenkoeken en koekjes en het zuur inleggen van vruchten (augurkjes en uitjes) en groenten waren gebruiken, die de Surinamers hoogstwaarschijnlijk van de Nederlanders hebben overgenomen. Overigens is ‘zuurgoed’ niet alleen vanuit Nederland ontstaan, maar er is ook sprake van Indonesische invloed. Denk hierbij bijvoorbeeld aan atjar.
De Surinaamse producten gaan als beelddoorlopers naadloos van beide postzegels over in de velrand. Op de plank (letter-/slangenhout) op de linker postzegel én velrand liggen twee veertjes, kralen en orleaanzaden. Op de rechter postzegel bevinden zich tabaksbladeren, orleaanvrucht, een tweetal zure uitjes (zich voortzettend op de velranden), een groene en paarsblauwe vogelveer.
Op de ondervelrand liggen (gedeeltelijk op de plank) uitgespreid (links) kralen, orleaanzaden, twee augurken en een vogelveer. Rechts liggen uitjes en een gele cacaovrucht (in een ‘geopende’ lengte- en dwarsdoorsnede).

2) Streekdracht

Bijgaand postzegelvelletje is ontdaan van de vier ballast-postzegels, zodat er inhoudelijk tussen de twee postzegels en de velrand een meer uitgebalanceerde, aanvaardbare én harmonische eenheid ontstaat.

Kotomisi en angisa uit Suriname

De kotomisi (gelaagde jurk) is tijdens de slavernij ontstaan. Vrouwelijke rondingen van de Creoolse jongedames verdwijnen in deze verhullende kleding geheel. Plantage-eigenaren met begerige blikken kwamen door deze onaantrekkelijk makende ‘camouflagekleding’ (kuisheidversterkende kleding) minder gauw in de verleiding deze vrouwen te benaderen. ‘Koto’ betekent rok en ‘misi’ betekent juffrouw.
De kotomisi bestaat uit een wijd uitstaande rok met een groot aantal onderrokken, zo hard gesteven dat ze (op de grond neergezet) blijven staan. De rok reikt van de grond tot de oksel en wordt omgeslagen en opgehouden met een band om het middel. De kotomisi wordt nog steeds gedragen. Er bestaan verschillende koto’s voor verschillende gelegenheden als verjaardagskoto, werkkoto, rouwkoto, trouwkoto en danskoto.
Bij de schematische gevouwen angisa’s zijn (eigentijdse) ‘boodschappen’ afgedrukt als “laat ze maar praten”, “wacht op mij op de hoek” en “ik heb geen beltegoed (zij- en achteraanzicht). Overigens is de ‘r’ van het woord ‘achteraanzicht’ niet aanwezig!


De bijbehorende angisa (hoofddoek; uitspraak anjisa) kan op verschillende manieren gevouwen worden en daarmee kan ook een boodschap (betekenis) overgebracht worden. Het hoofddeksel kan verschillende gemoedstoestanden van de draagster vertolken, die verband houden met haar liefdesleven, haar sociale leven (burenruzie, vriendschappen) of gebeurtenissen in de familie (geboorte, dood, huwelijk).
De angisa wordt gebonden met een plankhard gesteven lap stof van één vierkante meter. Naaispelden helpen mee de plooien op zijn plaats te houden. Een Surinaamse dame van enige welstand kan soms kiezen uit honderd verschillende hoofddoeken.
De vouwkunst (bindwijze) wordt mondeling overgedragen. De angisa wordt op dit moment door talrijke Afro-Surinaamse vrouwen ook zonder koto gedragen, hoewel ze zich samen hebben ontwikkeld. Oorspronkelijk droeg de volksklasse der Creolen alleen een angisa.

Spakenburgse klederdracht

Voornamelijk oudere vrouwen steken zich nog wel eens in de traditionele klederdracht. Rok met onderrokken en schort. In 2010 nog circa 270 dames. Karakteristiek is de zogenaamde kraplap. De ruim zittende en kuisheidversterkende klederdracht uit Spakenburg doet vrouwelijke rondingen geheel verdwijnen.
Een brede gesteven doek over de schouders, vaak met kleurige bloemmotief, tijdens een rouwperiode zijn deze zwart, paars of donkerblauw van kleur. Met de speciale Spakenburgse dagen (laatste twee woensdagen van juli en eerste twee woensdagen in augustus) wordt extra aandacht aan de Spakenburgse klederdracht besteed.
Ook de klederdracht van Bunschoten kent háár kraplap, getuige deze 8 cent kinderpostzegel 1960 (nvph 749). Oudere vrouwen uit Spakenburg dragen (van jongs af aan) nog letterlijk hun cultuur uit. “Het voelt alsof ik in pyama op straat loop” zegt een Spakenburgse dame, die (om haar tienerkinderen tegemoet te komen) “in burger” met hen op vakantie gaat. De vrouwen hechten aan hun tradities. Dat staat een eigentijds leven niet in de weg: op het aanrecht staat een Senseo, ze bankieren via internet en hebben een mobieltje op zak.
Er heerst dus een mengeling van vasthoudendheid en verandering, van verzet en vooruitgang.

Drentse dame met oorijzer

De boerenbevolking heeft in ons land grotendeels afstand gedaan van de traditionele klederdracht. De ruimzittende kledingstukken waren rijkelijk voorzien van plooien, rimpels en opstiksels.
Onder een zilveren oorijzer met gouden rozetten bevindt zich een ondermuts, die al het haar bedekt en bij elkaar houdt. Het zilveren oorijzer van deze Drentse dame (waarop een kanten muts) was niet alleen een kroon op haar toilet, maar drukte ook haar welstand uit Vanuit een communicatief standpunt bekeken werkt een zilveren, maar vooral een gouden oorijzer (zoals van de dame rechts) werkt statusverhogend vanwege de uitstraling/rijkdom.

Foto’s van de onder-postzegelrand

Een visvrouw in een kotomisi omstreeks 1885, zittend voor een geschilderd Surinaams tafereel.
Op de twee zwart-wit foto’s in ovale cirkels staat dezelfde dame uit Princehage. Op de linker foto draagt ze een muts met kroon, waarmee wordt aangegeven dat ze “uit de rouw” gaat. Op de rechter foto draagt ze een eenvoudige muts, waarmee ze ‘in de rouw” gaat.
Op deze oude foto staan twee generaties in de historische klederdracht van Axel in Zeeuws Vlaanderen.

3) Architectuur

Bijgaand postzegelvelletjes is ontdaan van de vier ballast-postzegels, zodat er inhoudelijk tussen de twee postzegels en de velrand een meer uitgebalanceerde, aanvaardbare én harmonische eenheid ontstaat.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen