|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3 De prehistorie van de Kaap volgens dominee Borcherds
Onderweg naar Indië wordt de Oost-Indische ambtenaar Teenstra in 1825 door reumatiek gedwongen om in Kaapstad aan land te gaan. 1
Na zijn ontscheping dragen twee slaven hem van de landingssteiger naar
een bagage-wagen die hem naar zijn logement brengt. Daar zweeft hij
geruime tijd tussen leven en dood, waarbij zelfs krachtige medicijnen -
vomatieven, laxatieven, bloedzuigers, verzoete kwik en 's avonds opium -
zijn toestand niet kunnen verbeteren. Alleen een kuur in de warme baden
van Caledon heeft hem kunnen redden. Hierdoor is hij na zijn terugkeer
naar Kaapstad in staat om indrukken van het Kaapstadse leven van 1825 op
te doen.
Kaapstad maakte op hem over het algemeen een zeer
gunstige indruk. Men at er goed, kleedde zich keurig en er was ook
vermaak. Wie vrouwenvlees wilde zien, moest naar de schouwburg. Dankzij
het warme klimaat lieten de vrouwelijke bezoekers veel bloot. Een
attractie van wereldformaat was de vrijmetselaarsloge ‘De Goede Hoop’.
Het gebouw met het alziend oog op de gevel was groots en in de
achtertuin van hun loge hadden de heren vrijmetselaars een sociëteit met
biljartzalen laten optrekken, die door scheepskapiteins werd geprezen
als de beste in zijn soort ter wereld. Over het algemeen maakte Kaapstad
op Teenstra nog een sterk Nederlandse indruk:
Niettegenstaande de Kaap-kolonie of volkplanting nu reeds 19
jaren onder het Engelsche Gouvernement behoort, hebben de Hollanders
hier toch boven de Engelschen in alles den voorrang; ook noemen zij
Holland het Vaderland, en de slaven zeggen niet zelden, als zij
Hollanders zien: ‘daar gaan Vaderlanders heen’. (p. 85)
In deze nog steeds sterk ‘Hollandse’ Kaapkolonie was naast een Engels
circuit het begin van een Kaaps-Hollands cultureel circuit te vinden.
Ook hieraan nam Teenstra deel. Men mag immers aannemen dat hij niet
alleen naar de schouwburg ging om decolleté's te bewonderen. Behalve
schouwburgbezoeker was Teenstra lezer van het Kaapse Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift ( nzat).
De lectuur van een ‘treffend verslag’ van grotten bij Kaap Agulhas,
geschreven door de Stellenbossche predikant Meent Borcherds, bracht hem
ertoe daarheen een uitstapje te maken tijdens zijn reis door de
oostelijke delen van de Kaapkolonie. 2
|
1M.D. Teenstra, De
vruchten mijner werkzaamheden, gedurende mijne reize, over de Kaap de
Goede Hoop, naar Java, en terug over St. Helena, naar de Nederlanden.
Eerste deel. (F.C.L. Bosman, ed.) Kaapstad 1943 (Groningen 1830).
2Teenstra, p. 156; ‘De merkwaardige grot’, in: nzat 1 (1824), p. 180-4, 260-265, 348-353.
|
Veranderingen in het Kaapse culturele leven rond 1800
Tijdens het verblijf van Teenstra had de Kaap op cultureel gebied
meer te bieden dan in de laatste jaren van het Compagniesbewind. In de
zeventien-
|
|
|
|
|
de
en de achttiende eeuw werd er wel geschreven in Zuid-Afrika, maar
weinig daarvan was volgens contemporaine opvattingen literair. Men
schreef teksten, zoals reisjournalen, brieven en dagregisters, die
meestal niet voor publicatie bestemd waren. Poëzie werd hoofdzakelijk en
hoogstzelden geschreven door passanten die hun werk in Nederland
publiceerden. 3
Als er al poëzie voor lokaal gebruik werd geschreven, dan bleef de
circulatie ervan beperkt tot de familiekring door het ontbreken van een
drukpers. 4
Een regionaal cultureel leven dat de familiekring te
buiten ging, ontstond pas aan het begin van de negentiende eeuw. Dit
hangt samen met twee belangrijke ontwikkelingen. Allereerst werden na
1800 instituties opgericht die deelname van een groter publiek aan het
culturele leven mogelijk maakten. In 1801 werd de ‘Afrikaansche
Schouwburg’ geopend en 5 maart 1803 werd daar door het toneelgezelschap
‘Tot leering en vermaak’ De Papegaay van Kotzebue gespeeld, het eerste (vertaalde) Nederlandse toneelstuk in de Kaapse schouwburg. 5
Enkele decennia later, in 1829, is er ook sprake van Nederlandse
toneelopvoeringen in Stellenbosch, vijftig kilometer buiten Kaapstad. 6
In 1802 werd in Kaapstad een departement van de Maatschappij tot Nut
van 't Algemeen gesticht, waarvan vooral de verdiensten op het gebied
van onderwijs enige aandacht hebben gekregen in de historiografie. 7
Mensen met een donkere huid werden aan het begin van
de negentiende eeuw nog niet van dit culturele leven uitgesloten. Het
Kaapse departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen was
bijvoorbeeld gesticht door J.A. Vermaak, bijgenaamd ‘Zwart Vermaak’, een
rijke koopman, die voor een kwart van niet-Europese afkomst was. 8 Een andere prominente Kapenaar van gemengd bloed was de predikant M.C. Vos. In zijn autobiografie, het Merkwaardig
verhaal aangaande het leven en lotgevallen van Michiel Christiaan Vos
[...] door hem zelven in den Jare 1819 briefsgewijze aan eenen vriend
medegedeeld, verbergt Vos niet dat hij is geboren uit ouders die van ‘Europeesche en Aziatische voorouders afkomstig waren’. 9
Voor het literaire leven was een tweede ontwikkeling
nog belangrijker dan het ontstaan van culturele instituties: de komst
van een drukpers aan het einde van de achttiende eeuw. 10
Voor het eerst werd het hierdoor mogelijk teksten lokaal te
vervaardigen en te verspreiden. Aanvankelijk waren dit uitsluitend
gebruiksteksten, zoals aankondigingen en almanakken. In 1801 werd het
eerste literaire werk van iemand uit Zuid-Afrika voor de Zuid-Afrikaanse
markt uitgegeven: een niet bewaard gebleven gedicht van de
Stellenbossche dominee Meent Borcherds voor een landbouwkundig
genootschap. Het tweede literaire product van de Kaapse pers, het
leerdicht De Maan van Meent Borcherds, uit 1802-3, is wel bewaard. 11
|
3Zie hiervoor hoofdstuk 2.
4Een verzameling van religieuze gedichten in handschrift is Die verseboek van die Bosmans met gedichten van 1773 tot 1814 (Argief van die Drakensteinse Heemkring). Hierover: A.L. Vermaak, Die geskiedenis van Kuilsrivier, 1652-1905. Ongepubl. magister-verhandeling, Universiteit Stellenbosch, 1993, p. 223-229; 254-270.
5F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika. Deel I: 1652-1855. Kaapstad/ Pretoria 1929, p. 160, 56.
6F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika, p. 253.
7W.S. van der Westhuizen, ‘Onderwys onder die algemene skoolkommissie: die periode 1804-39’, in: Argief-jaarboek 16,2 (1953), p. 12-14.
8Toen
Vermaak door het Bataafse bewind in 1803 werd voorgedragen als
raadslid, kwamen er echter protesten. Men vond het onaanvaardbaar
geregeerd te worden door iemand wiens moeder een slavin geweest was.
Huidskleur werd niet als reden genoemd (H. Giliomee, Die Kaap tydens die eerste Britse bewind, Kaapstad 1976, p. 22).
9Kaapstad
1911, p. 1. Behalve Vermaak en Vos waren aan het begin van de
negentiende eeuw nog meer prominente Kapenaren gedeeltelijk van
niet-Europese afkomst (W.M. Freund, ‘Race in the social structure of
South Africa, 1652-1836’, in: Race and class 18,1 (1976), p. 53-67).
10Het precieze tijdstip waarop een drukpers geïnstalleerd is, is niet bekend (zie: inleiding).
11De Maan, een leerdigt, ‘1ste’ en ‘2de stuk’, Caap Stad 1802; ‘3de’ en ‘4de stuk’, Caap Stad 1803 (Herdruk in: Early Cape printing / Vroeë Kaapse drukwerk 1796-1802, Kaapstad 1971).
|
|
|
|
|
|
Het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift
Het belangrijkste Nederlandstalige product van de Kaapse pers was echter Het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift ( nzat), dat ook door Teenstra werd gelezen. 12 Het tijdschrift verscheen tweemaandelijks van 1824 tot 1843. In samenwerking met het nzat waren in 1824 ook twee afleveringen van een Engels tijdschrift verschenen, het South African Journal.
Voor beide tijdschriften verscheen een gezamenlijke prospectus met de
doelstellingen van de uitgave: ‘This Work [...] will be more peculiarly
devoted to the moral and intellectual improvement of South Africa, and
to the providing of useful information and enlightened entertainment to
its provincial inhabitants, whether English or Dutch.’ 13 In het ‘Programma’ dat staat afgedrukt in de eerste aflevering van het nzat heet het:
Redacteurs koesteren de aangename hoop, dat dit eerste
Tydschrift in Zuid-Afrika, niet nutteloos bevonden moge worden in het
verspreiden van gezonde kennis en zuivere denkbeelden, en dat hetzelve
strekken moge ter bevordering van zedelyke verbetering en maatschappelyk
geluk.14
Het nieuwe tijdschrift was ontworpen naar voorbeeld van bestaande
Europese tijdschriften. Er moesten echter vooral onderwerpen in aan bod
komen die met de ‘kolonie’ te maken hadden, ‘als haren Handel, hare
Staatkunde, voortplanting van den Godsdienst’, haar geschiedenis,
gecombineerd met ‘mengelschriften over letterkundige, wetenschappelyke,
en vooral Godsdienstige onderwerpen’. 15 Als gevolg van moeilijkheden met de censuur werd de Engelse editie echter al na minder dan een halfjaar gestaakt, in mei 1824. 16 Van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift bleef zodoende alleen de ‘Nederduytsch[e]’ reeks voortbestaan.
Via het nzat is het mogelijk een indruk te krijgen van de omvang en aard van het Nederlandse literaire leven in de Kaapkolonie. 17 Blijkens de ‘Naamlyst der inteekenaren’ en de ‘Nadere Naamlyst der intekenaaren’ uit de tweede jaargang van 1825, had het nzat
toen 228 abonnees, van wie sommige meer dan één abonnement hadden,
onder wie Dr. Philip, de Schotse leider van de London Missionary Society
in Zuid-Afrika. Hij had ingetekend op vier exemplaren, misschien met
het oog op leden van zijn zendingsgenootschap in het verre binnenland.
De lijst van abonnees laat zien dat er ook in Engelse kringen
belangstelling was voor het nzat. Behalve Philip waren er nog meer Engelse abonnees, waaronder de ‘African Club’. In 1826 daalde het aantal abonnees tot 205. 18
Dit hoeft niet te betekenen dat ook het aantal lezers is gedaald, want
onder de abonnees bevonden zich nu twee bibliotheken en een
leesgezelschap. 19 Overigens kwam het nzat
later regelmatig in de problemen wanneer het aantal abonnees een punt
bereikte waarop voortgezette publicatie onrendabel werd. Na de nodige
oproepen kon de uitgave echter steeds voortgezet worden tot 1843. 20
|
12Volgens een scribent in het nzat (1828, p. 464) was het nzat het ‘eerste Zuid-Afrikaansch produkt van letterkunde’.
13In: G.M. Theal (ed.), Records of the Cape Colony, from May 1823 to January 1824, Deel 16, Londen 1902, p. 322-323. Een Nederlandse prospectus heb ik niet kunnen vinden.
14‘Programma van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift’ ( nzat 1824, nr. 1, ongep.).
15‘Programma van het Zuid-Afrikaansch Tydschrift’ ( nzat 1824, nr. 1, ongep.).
16Aan de lotgevallen van het South African Journal wordt uitgebreid aandacht gegeven door A.M.L. Robinson, None daring to make us afraid. A study of English periodical literature in the Cape Colony from its beginnings in 1824 to 1834, Kaapstad 1962. Robinson geeft geen speciale aandacht aan het nzat.
17Het onderstaande zijn enkele opmerkingen, gebaseerd op de vroegste jaargangen van het nzat. Hoewel het nzat zeker meer aandacht verdient, valt dit buiten het bestek van deze studie.
18‘Naamlyst der inteekenaren voor het derde deel van het Nederduitsch Zuid Afrikaansch Tydschrift gedurenden het jaar 1826’ ( nzat 3, 1826).
19Uit
de alfabetische ‘Naamlijst der Inteekenaren’: ‘Bibliotheek, de Z[uid]
A[frikaansche]’; ‘Boekery, Nederduitsche’; ‘Leesgezelschap, Het
Javaasch’. Deze instituties waren volgens de ‘Naamlyst’ allemaal in
Kaapstad gevestigd.
20Bijvoorbeeld in: ‘Toegift van dien schryver’, in: nzat 5 (1828), p. 463-468; ‘Naschrift’, in: nzat 12 (1835), p. 465-472.
|
|
|
|
Een vast onderdeel van het nzat was
‘De Zuid-Afrikaansche Kronyk’ met nieuwsberichten. Verder was de inhoud
gevarieerd maar bestond veelal uit een van de volgende onderdelen:
poëzie, lokale geschiedschrijving en godsdienstige of moralistische
traktaten.
Doel van het tijdschrift was ‘nut met aangenaamheid te paren’ ( nzat
1824, p. 7), ‘zedelyke verbetering en maatschappelyk geluk’ te
bevorderen (1825, p. vi) en ‘om ook by de Zuid-Afrikanen de fakkel van
ware verlichting aan te steken’ ( nzat 1825, p. vii). Zelfs in de ‘afgelegendste distrikten dezer wyduitgestrekte volkplanting’ was het nzat
in staat, naar men meende, ‘de fakkel der verlichting te ontsteken, om
overal de gezegende uitwerkselen der drukpers, die ryke bron van waar
volksgeluk, onder de ingezetenen rond te spreiden en voor hun den
eersten barrier te openen op den weg, welke regtstreeks naar onzen
maatschappelyken welvaart henen leidt’ ( nzat 1828, p. 464). De doelstellingen van het nzat,
zoals ze hier aangehaald zijn, zijn geworteld in het nieuwe
beschavingsideaal dat in Nederland in de tweede helft van de achttiende
eeuw zijn intree deed. Volgens de Verlichtings-idealen moesten kennis,
godsdienst en deugd bijdragen tot het maatschappelijke geluk van - in
het Zuid-Afrikaanse geval - de gehele kolonisten-gemeenschap, zelfs van
degenen, die aan de grenzen van de kolonie woonden. 21
Hoe ver het geografische bereik van het tijdschrift in de praktijk was,
laat de ‘Naamlyst der Inteekenaren’ van 1826 zien, die is ingedeeld
naar de woonplaats van de abonnees:
| In de Kaapstad |
154 |
| Te Stellenbosch |
22 |
| Aan de Paarl en Drakenstein |
9 |
| Te Swellendam en Caledon |
7 |
| Te Graaff-Reinet en Beaufort |
4 |
| Te Worcester en Tulbagh |
5 |
| Te Uitenhage |
1 |
| Te Somerset en Cradock |
3 |
Het grootste aantal abonnees woonde in Kaapstad en de directe
omgeving (Stellenbosch, Paarl, Drakenstein). Opvallend is verder dat de
abonnees uit de buitengewesten (Graaff-Reinet, Beaufort, Uitenhage,
Somerset en Cradock) hoofdzakelijk Britse predikanten in dienst van de
Nederduits Gereformeerde Kerk waren. 22
Volgens eigen opvattingen was het nzat
de belangrijkste bron van kennis over Zuid-Afrikaanse geschiedenis,
godsdienst, belangrijke landgenoten en de eigen letterkunde ( nzat 1828, p. 467). De redactie van het nzat
liet zich vooral voorstaan op de aandacht die werd gegeven aan Kaapse
geschiedenis. Via de geschiedenis kreeg een ontluikend Zuid-Afrikaans
nationaal gevoel vorm in het tijdschrift. 23
Van een exclusief nationaal gevoel van de Hollands-sprekende bevolking,
met uitsluiting van de anderen - een vroege vorm van Afrikaner
nationalisme - is echter nog geen sprake.
|
21W.W. Mijnhardt geeft een korte uiteenzetting over het nieuwe beschavingsideaal in Tot Heil van 't Menschdom. Culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815,
Amsterdam 1988, p. 265-272. Het oude beschavingsideaal, dat in
Nederland in de zestiende eeuw was geïntroduceerd, zocht voor de
wetenschappen en de persoonlijkheidsvorming inspiratie in de klassieken.
Het bereik van dit beschavingsideaal was beperkt tot de elite
(Mijnhardt, p. 267). Verder over dit nieuwe beschavingsideaal: Bernardus
Kruithof, Zonde en deugd in domineesland. Nederlandse protestanten en problemen van opvoeding van de zeventiende tot de twintigste eeuw, diss. Amsterdam 1990, p. 60-95.
22Predikanten
worden in de ‘Naamlyst’ van 1826 aangeduid als ‘De Wel Eerw.’ Het gaat
om de volgende predikanten van Britse herkomst in dienst van de
Nederduits Gereformeerde Kerk: C. Fraser ( sabw ii, p. 243-4), A. Murray ( sabw i, p. 598-600), G. Thom ( sabw ii, p. 762-4), A. Smith (A. Dreyer, Boustowwe vir die geskiedenis van die Nederduits-gereformeerde kerke in Suid-Afrika. Deel III 1804-1836, Kaapstad 1936, p. 182), G. Morgan ( Suid-Afrikaanse
Biografiese Woordeboek. Naamlys van persone oorlede voor 31 Desember
1950 wat voorgestel word vir opname in die hoofreeks, Kaapstad 1968, p. 211), J. Taylor ( sabw iii, p. 800-801).
23In
Nederland was het vaderlands gevoel aan het einde van de achttiende
eeuw ‘verdiept’ tot een ‘ware vaderlandcultus’ (N.C.F. van Sas,
‘Vaderlandsliefde, nationalisme en vaderlands gevoel in Nederland,
1770-1813’, in: Tijdschrift voor geschiedenis 102 (1989), p.
471-495, m.n. p. 473). Een gemeenschappelijk vaderlandgevoel is vóór die
tijd wel al gepropageerd in de literatuur, hoewel er ‘niet één
gemeenschappelijk vaderlandsconcept’ bestond en er reden is om je af te
vragen ‘hoe “diep” vaderlandse gevoelens in werkelijkheid gereikt
hebben’ (Marijke Meijer Drees, ‘Patriottisme in de Nederlandse
literatuur (ca. 1650-ca. 1750)’, in: De nieuwe taalgids 88
(1995), p. 247-260). Overigens ligt het buiten mijn doelstellingen om de
wording van het Nederlandse vaderlandgevoel hier te traceren. Het
volstaat om te kunnen vaststellen dat een dergelijk gevoel aan het einde
van de achttiende eeuw de omvang had van een cultus. Gezien de al
eerder gesignaleerde verbindingen met de Nederlandse Verlichting op het
punt van het genootschapswezen en de Verlichtings-idealen, bestaat er
misschien ook een verband met de Nederlandse Verlichting op het punt van
het ontstaan van een Zuid-Afrikaans vaderlandgevoel.
|
|
|
|
Centrale figuur in de verbeelding van het vaderlandse gevoel was ‘vader riebeek [cf. “pater Aeneas”], den Grondlegger van ons lieve Vaderland’ ( nzat 1829, p. 379). Zijn ‘Dagverhaal’ werd vanaf de eerste jaargang in 1824 in afleveringen door het nzat gepubliceerd om zo ‘met er tyd alle de bouwstoffen tot eene volledige geschiedenis dezer Volkplanting’ bijeen te brengen ( nzat 1825, p. xi). Conform het beschavingsideaal van het nzat laat Van Riebeeck zich in zijn ‘Dagverhaal’ kennen als ‘een braaf, godsdienstig en menschlievend man’. 24
Naast belangstelling voor vaderlandse geschiedenis was er in het
tijdschrift zelfs enige literatuurhistorische aandacht. In de eerste
jaargang van het nzat werd er namelijk een fragment uit de ‘Eerkroon voor de Caab de Goede Hoop’ van Jan de Marre afgedrukt, maar zonder inleiding ( nzat 1824, p. 42-3).
|
24‘Het portret van Riebeek’, in: nzat 6 (1829), 379-380.
|
Dominee Borcherds
Een prominent scribent in het nzat was de al genoemde dominee Borcherds (Jengum in Oost-Friesland 1762 - Stellenbosch 1832), wiens natuurbeschrijving in het nzat
van 1824 Teenstra had geïnspireerd tot een uitstapje. Behalve
natuurschetsen publiceerde Borcherds, meestal onder het pseudoniem
E.D.P., poëzie en geschiedverhalen in het nzat. 25
Hoewel geen grootmeester, was Meent Borcherds de eerste publicerende
schrijver van literair werk in Zuid-Afrika. Hij was de eerste wiens
werk, dankzij de drukpers en het nzat,
verspreid is in Zuid-Afrika; de eerste ook wiens werk in een uitsluitend
Zuid-Afrikaans literair circuit gefunctioneerd heeft. De publicatie van
het verloren gedicht voor het agrarisch genootschap in 1801 en het
leerdicht De Maan, in twee afleveringen gepubliceerd in 1802 en
1803, zijn voor de Zuid-Afrikaanse literatuur een primeur geweest. Veel
aftrek heeft het gedicht De Maan overigens niet gehad. De zoon
van Meent Borcherds, Petrus, vermeldt in zijn autobiografie dat zijn
vader zich erover beklaagde dat de verkoop van De Maan zo slecht ging, dat zelfs de papier-kosten er niet uit vergoed konden worden. 26
Kenmerkend voor het meeste van Borcherds' werk is de
didactische aard ervan. De dichtkunst is een middel om moraal en
godsdienst uit te dragen, meestal in een hecht onderling verband,
waarbij godsdienst een vorm van deugdbetrachting is en vice versa. Zo
wordt de ‘religie’ in het ‘leerdigt’ De Maan ‘de grondslag [...]
der maatschappy’ genoemd en ‘de nutte deugd / Der matigheid [...] eenen
godsdienstpligt’ (p. 5). Deze combinatie van godsdienst en deugd was
kenmerkend voor de Nederlandse Verlichting, evenzeer als de taak die de
literatuur had om dit soort idealen uit te dragen. 27
In De Maan stelt Borcherds algemene
vraagstukken over de taak van de mens aan de orde naar aanleiding van
het sterven van een deugdzame grijsaard. In zijn leerdicht ‘De
levensreis’, dat in afleveringen in het nzat verscheen, onderwijst hij ‘[h]oe best de levensreis kan worden doorgebragt’. 28 Van een betrokkenheid bij de Zuid-Afrikaanse situatie is in deze
|
25Over
Borcherds' pseudoniem: ‘[D]eze en vele stukken, gedrukt onder de
letters E.D.P. zyn kenmerken van zyn [Borcherds'] verstand en hart, en
den yver welken hy bezat om het algemeen van nut te zyn’ (uit: ‘Een kort
levensberigt van den wel-eerw. heer M. Borcherds, in zyn leven
predikant te Stellenbosch, aldaar over leden den 28 february 1832’, in: nzat 9 (1832), 137-153, m.n. p. 143).
26Petrus Borchardus Borcherds, An autobiographical memoir, Kaapstad 1963 (1861), p. 9-10.
27Bernardus Kruithof, Zonde en deugd in domineesland, p. 60; P.J. Buijnsters, ‘“De kleine republiek”: het gezin in de Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw’, in: Documentatieblad 18e eeuw 24 (1992), p. 87-103, m.n. p. 89.
28nzat 1826, p. 337. ‘De Levensreis werd in vier afleveringen in het nzat gepubliceerd: 3 (1826), p. 337-341, 418-423; 4 (1827), p. 22-26, 112-118.
|
|
|
|
poëzie geen sprake: ze had, zo lijkt het, net zo goed in Nederland geschreven kunnen zijn.
Anders is het met Borcherds' geschiedwerk. Op één
uitzondering na gaat dit over lokale, koloniale geschiedenis. Deze
uitzondering betreft het ‘Gedicht over de volkplanting van de Kaap de
Goede Hoop’, het gedicht dat in de volgende bladzijden centraal zal
staan.
Van Borcherds' hand verschenen in het nzat
geschiedenissen in afleveringen van de Kaapkolonie en Stellenbosch: de
‘Beschryving van Stellenbosch’ en de ‘Geschiedenis van de Kaap de Goede
Hoop’. Geliefd waren Borcherds' kroniekachtige geschiedverhalen niet.
Blijkens het redactiearchief van het nzat werd er tijdens redactievergaderingen regelmatig geklaagd over de saaie vormgeving van Borcherds' geschiedwerk. 29
Dit leidde er uiteindelijk toe dat de redactie op 22 april 1829 aan
hoofdredacteur Faure opdroeg om Borcherds voorzichtig aan zijn verstand
te brengen, dat de publicatie van zijn volstrekt onleesbare kroniek in
afleveringen over de geschiedenis van Stellenbosch gestaakt moest
worden.
Niettemin was Borcherds in het Nederlandse culturele
leven aan de Kaap een centrale figuur. Hij was een vaste medewerker van
het nzat, vanaf het ontstaan van dit
tijdschrift van en voor de kolonisten tot na zijn dood in 1832, met de
postume publicatie van het ‘Gedicht over de volkplanting’. Daarnaast was
Borcherds een niet onverdienstelijk componist en befaamd causeur, en
natuurlijk dominee van Stellenbosch en omstreken. 30
Als predikant was hij weliswaar voorstander van een redelijke
godsdienst, maar in de praktijk ook een kerkrechtelijke legalist die
steeds weer hindernissen opwierp voor zendingswerk onder slaven, omdat
bediening van de sacramenten door zendelingen afbreuk deed aan zijn
kerkelijk gezag als predikant. Zendingswerk in Stellenbosch geschiedde
steeds onder tegenwerking van Borcherds. 31
Zijn burgerlijke en ambtelijke activiteiten heeft
Borcherds voor zichzelf aan het einde van zijn leven in statistische
vorm overzichtelijk gemaakt. Ze zijn als volgt opgenomen in het na zijn
sterven in het nzat gepubliceerde ‘levensberigt’ (nzat 1832, p. 148):
Op den 8 Juny 1830, met zyne gade, twee dochters en twee
kleinkinderen, 's avonds aan zynen gullen haard zittende, berekenden de
beide gryzen [Borcherds en zijn echtgenote] hun nog bestaande kroost, en
deze bestonden uit:
| Kinderen |
10 |
| Kleinkinderen |
26 |
| Klein kleinkinderen |
5 |
| Aangehuwden |
6 |
| |
47 |
| Met hun beiden, |
2 |
| |
Een getal van 49 personen |
|
29Op 13 oktober 1826,16 februari 1827, 8 juni 1827, 22 juni 1827, 21 december 1827 worden er in de notulen van het nzat klachten aangetekend over het werk van Borcherds (Notulen Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift, ka, Misc. 96).
30Over zijn werk als componist: Meent Borcherds, Ses menuette uit 'n manuskripboek van Ds. Meent Borcherds versorg deur Jan Bouws, Kaapstad z.j. Over Borcherds als middelpunt van het sociale leven: P.B. Borcherds, An autobiographical memoir, p. 9.
31A.H. Huussen Jr. en S.B.I. Veltkamp-Visser(ed.), Dagboek en brieven van Mewes Jans Bakker (1764-1824). Een Friese zendeling aan de zuidpunt van Afrika, Amsterdam 1991, p. 37-44. S.B.I. Veltkamp, Meent Borcherds. Predikant in overgangstijd (Jengum 1762 - Stellenbosch 1832), ongepubl. diss., unisa
1977, p. 154-220. Het proefschrift van mevrouw Veltkamp biedt
voornamelijk informatie over Borcherds als predikant. Verder nog over
Borcherds: W.B. van der Vyver, ‘Die geskiedenis van die Stellenbosse
gemeente (1800-1830)’, in: Argiefjaarboek 21,1 (1958), p. 215-341, m.n. 317-326.
|
|
|
|
Afb. 8 De kerk van Meent Borcherds in Stellenbosch (tekening van Charles d'Oyly uit 1832; ka, D'Oyly Verzameling).
Hy had, na eene calculative berekening, gedaan 2670 predikatien; -
gehouden 2200 cathechesatien; - gedoopt 4559, - aangenomen 2125, - en
getrouwd 1758 personen, - of 879 paren, ( nzat 1832, p. 148)
Verder volgt nog een statistiek van de door de dominee tijdens zijn
leven gedane uitgaven en verkregen inkomsten, die ik maar achterwege zal
laten.
|
|
Het ‘Gedicht over de volkplanting van de Kaap de Goede Hoop’
In het literaire en historische werk van Meent Borcherds wordt een
uitzonderlijke positie ingenomen door het ‘Gedicht over de volkplanting
van de Kaap de Goede Hoop’, een gedicht van 528 regels met een
historisch onderwerp. Het gedicht werd kort na de dood van Borcherds op
28 februari 1832 in twee afleveringen gepubliceerd in het nzat.
Het is belangwekkend in het werk van Borcherds omdat hier, anders dan
in de rest van zijn literaire werk, lokale stof onderwerp is van poëzie.
Ook binnen het kader van het nzat is
het gedicht, wat het onderwerp betreft, uitzonderlijk. Het gedicht
beschrijft de toestand van de Hottentotten (Khoi) voor de komst van de
Europese kolonisten, terwijl historische publicaties in het nzat, ook die van Borcherds, steeds handelen over de koloniale geschiedenis van de Kaap, de geschiedenis van de ‘volkplanting’.
Het gedicht opent met een motto uit de Aeneïs van Vergilius, dat voor de Hottentotten weinig goeds voorspelt: ‘Quod genus hoc hominum?
|
|
|
|
|
Quaeve hunc tam barbara morem permittit patria’ (Wat is dit voor soort
mensen? Welk zo barbaars vaderland staat deze gewoonte toe?). 32
De Hottentotten worden dan in het gedicht gepresenteerd als een volk
dat ‘wild en woest van aard’ is en ‘geweld en listen paart’ (p. 298).
Verder zijn ze:
Onzindlyk in hun aard; zelfs dingen, die verrotten
En doorgaans walglyk zyn, voor ieder menschelyk oog,
Schat dit onzuiver volk, tot elks verbazing, hoog.
Verwilderd zwerft het, met zyn vee, steeds heen en weder,
Dan op der heuvlen top, dan in de dalen neder,
De walgelijke eetgewoonten - het eten van darmen van dieren en het
eten van stinkend voedsel - waren voor de Nederlandse vestiging aan de
Kaap in 1652 al een vast onderdeel van de negatieve stereotypering van
de Hottentotten uit de kuststreken. 33
In wat volgt geeft Borcherds op basis van Peter Kolbe's Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop een voorstelling van de activiteiten van de Hottentotten voor de vestiging van de Nederlanders in 1652. 34
De zojuist geciteerde passage opent de voorstelling en schept daarmee
een negatieve achtergrond voor de gegevens die in het vervolg zonder
veel commentaar worden aangeboden. Achtereenvolgens komen jacht,
visvangst, oorlogvoering en, als uitvloeisel van de oorlogvoering, het
tweegevecht aan de orde.
Bij de laatste onderdelen wordt het optreden van de
Hottentotten vergeleken met het weer op zee (oorlog, p. 352) of het vuur
(tweegevecht, p. 354). Hun activiteiten worden hiermee in een
cultuurloze en historieloze ruimte gesitueerd. Zoals de woeste golven
door de ‘Natuurwet’ weer rustig worden, zo gebeurt hetzelfde met de
oorlogvoerende Hottentotten als hun driften tot bedaren komen (p. 352). 35
Op het punt van het tweegevecht oogsten de
Hottentotten ook een complimentje. Als de oorlog eindigt met een duel
tussen de aanvoerders waarin een van de twee sterft, wordt de
overwinnaar verjaagd door zijn stam. Anders dan in Europa keuren de
Hottentotten het duelleren dus niet goed: ‘'t Natuurlicht, leert dat
volk, den man des bloeds te haten’ (p. 355). Voor een moment verandert
de walgelijke Hottentot daarmee in een voorbeeldige ‘edele wilde’.
Over het algemeen overheersen echter de reeds genoemde
negatieve eigenschappen, waarbij nog de ongetemde wellust komt. Als de
Hottentotten feest vieren ter ere van de maan, ‘met uitgelaten vreugd’,
kunnen ze gemakkelijk ‘in de strikken van de woeste min verward’ raken.
‘Een dierelyk genot’ is dan het onvermijdelijke gevolg (p. 299).
Nu laten zich naar aanleiding van het ‘Gedicht over de
volkplanting’ een aantal vragen stellen. Allereerst: waarom geeft
Borcherds zo'n negatief
|
32Aeneïs, boek 1, r. 543-544.
33Vgl. de Klare besgryving van Cabo de bona Esperanca, Amsterdam 1652 (fotomechanische herdruk van idem, Kaapstad 1952).
34Peter Kolbe, Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop, 2 delen, Amsterdam 1727. (Vertaling van: Capvt Bonae Spei Hodiernum: Das ist des Africanischen Vorgebirges der Guten Hofnung
[...], Nürnberg 1719.) Engelse en Franse vertalingen van Kolbe's boek
verschenen in 1731 en 1742. Borcherds zegt in een voetnoot dat Kolbe (in
Nederlandse vertaling) zijn belangrijkste bron was (p. 298). Kolbe
verbleef van 1705 tot 1713 aan de Kaap, waar hij met aanbevelingen van
onder andere Nicolaas Witsen was aangekomen. Aanvankelijk verrichtte hij
allerlei natuurkundige studies. Van 1711 tot 1713 was hij secretaris
van de voc in Stellenbosch en Drakenstein (O.F. Raum, ‘Kolb(e)(n), Peter’, in: sabw iii, p. 487-488).
35Dit is een van de topen in de voorstelling van de ‘primitieven’ tot in de twintigste eeuw (J. Nederveen Pieterse, Wit over zwart. Beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur, Amsterdam/Den Haag [1990], p. 34-35).
|
|
|
|
beeld van de Hottentotten; welke doelen dient hij daarmee? De vraag is
van belang omdat zendelingen in Zuid-Afrika in deze tijd een pleidooi
gaan voeren voor de verbetering van het lot van de Hottentotten. Het
sprak niet langer vanzelf hen als weerzinwekkende wilden voor te
stellen. Ten tweede: Borcherds publiceerde al een aantal jaren in het nzat
over historische onderwerpen. Nooit bracht hij echter de geschiedenis
van de oorspronkelijke bewoners van voor 1652 ter sprake. Al zijn werk
had betrekking op de koloniale geschiedenis van Zuid-Afrika van na 1652.
Waarom schrijft hij in 1830 ineens over de prehistorie van de Kaap?
Zoals zal blijken, staan deze vragen met elkaar in verband. Op de tweede
vraag zal ik het eerst ingaan.
|
|
John Philip
Ik denk dat Borcherds' gedicht in een nauw verband staat met een boek dat in Zuid-Afrika veel stof heeft doen opwaaien: Researches in South Africa
van de Schotse zendeling John Philip uit 1828. Dit omvangrijke pamflet
is een aanklacht tegen de wijze waarop de Hottentotten door de
kolonisten mishandeld werden. Hoewel de Hottentotten nominaal vrij
waren, bevonden ze zich feitelijk in een toestand van slavernij. Oorzaak
hiervan was volgens Philip een tekortschietende wetgeving die de
Europese kolonisten in de gelegenheid stelde om de Hottentotten uit te
buiten. In naam waren de van oorsprong nomadische Hottentotten vrij,
maar door wetgeving tegen landloperij werden ze gedwongen zich onder
slechte voorwaarden als landarbeiders te verhuren aan Europese boeren.
De Hottentotten waren volgens Philip in feite slaven: ‘The landdrosts,
and the clerks, and the farmers, have all the same view respecting the
Hottentots and other Aborigines; they consider them as the absolute
property of the colonists.’ 36
Philips aanklacht tegen het koloniale systeem wordt ingeleid met een historisch overzicht in het eerste hoofdstuk van de Researches,
waarin Philip wil aantonen dat de Hottentotten de slechte
eigenschappen, die hun in de negentiende eeuw werden aangewreven,
overgenomen hadden van de kolonisten. In hun oorspronkelijke toestand
waren de Hottentotten er beter aan toe, toont Philip aan met behulp van
citaten uit het werk van achttiende-eeuwse reizigers die de Hottentotten
welgezind waren:
Thus it appears, from the concurrent testimony of the best
authors, and from facts to be gleaned even at the present day, that the
Aborigines of Southern Africa were, when first visited by Europeans, in a
state of independence, possessing in abundance the means of
subsistence, not destitute of comforts, and living together in great
harmony; that their dispositions were mild and inoffensive, their morals
comparatively pure, and their conduct towards strangers, as well as
towards each other, conciliating and exemplary. (p. 14)
Het doel van deze voorstelling, die naast achttiende-eeuwse
reisverslagen ook steunt op de idealisering van het eenvoudige leven,
het primitivisme
|
36John Philip, Researches in South Africa, 2 delen, Londen 1828, deel 1, p. xv.
|
|
|
|
- de Hottentotten zijn immers in hun gastvrijheid ‘exemplary’ - is een
schril contrast te scheppen met de ellendige toestand van de
contemporaine Hottentotten als een horig lompenproletariaat. 37
Vroeger leefden de Hottentotten gelukkig, terwijl ze nu haveloos
rondzwerven door de schuld van de kolonisten die hun de middelen van
bestaan hebben afgenomen. Om het onrecht te keren, was er wetgeving
nodig die de Hottentotten moest beschermen tegen uitbuiting. 38
Vanuit de Kaapse kolonisten-gemeenschap werd er buitengewoon geïrriteerd gereageerd op de Researches. 39
Philip kreeg een proces wegens smaad jegens de Engelse landdrost van
Somerset-Oost, Mackay, die er door Philip van beschuldigd was dat hij
zijn positie misbruikt had om een Hottentot in zijn dienst voor het
stelen van drank tot gevangenisstraf te veroordelen en hem na vrijlating
tezamen met zijn gezin te verhuren. Volgens Philip had Mackay twee
andere Hottentot-gezinnen gedwongen tegen minimale beloning bij hem in
dienst te treden. 40 Philip verloor dit proces en moest een aanzienlijke schadevergoeding betalen. 41
Nog voordat het proces beëindigd was, had een anonieme correspondent van het nzat al een recensie van de Researches
opgestuurd waarvan de publicatie echter werd uitgesteld in afwachting
van de uitslag van de zaak Mackay (‘Aan Correspondenten’, nzat
1830). In de september/oktober aflevering van 1830 verscheen het eerste
deel van wat een veeldelige ‘Boekbeschouwing’ had moeten worden van
alle 39 hoofdstukken van Philips Researches, maar waarvan alleen de recensies van de ‘Preface’ en ‘Chapter i’ verschenen. 42
De recensie maakt als weerlegging van Philips werk een scherpzinnige
indruk. De scherpzinnigheid van de recensent is bijvoorbeeld zichtbaar
in de manier waarop hij de middelen analyseert waarmee Philip zijn
voorstelling van zaken geloofwaardig probeert te maken. De recensent
stelt daarbij vast dat ‘elke opgaaf [van Philip] eene dubbele
waarschynlykheid en geloofwaardigheid verkrygt’, allereerst vanwege
Philips status als vertegenwoordiger van de kerk en vervolgens omdat hij
ten onrechte de indruk zou wekken dat al zijn beweringen steunen op
betrouwbare bronnen.
Wat betreft ‘Chapter i’,
de verhandeling over de geschiedenis van de Hottentotten, is het
verwijt van de recensent vooral dat Philip een wanvoorstelling geeft van
de Hottentotten teneinde ‘des lezers medelyden tot den uitersten graad
te wekken’. 43
Volgens de recensent waren het niet zulke lieverdjes (p. 373-383). Ze
waren met name diefachtig, iets wat hij aantoont met citaten uit het
dagregister van Jan van Riebeeck (p. 377-383). 44
Bovendien belastert Philip de kolonisten (‘Afrikanen’) door te beweren
dat de Hottentotten onder hun invloed slechter geworden zijn (p. 222),
terwijl ze dat toch uit zichzelf al waren (p. 223). Vervolgens door te
zeggen dat de kolonisten hun Hottentot-personeel slecht zouden betalen
en door te beweren dat er voor de komst van de zendingsorganisatie
waartoe Philip behoorde, de London Missionary Society, niets gedaan werd
in Zuid-Afrika om de Hottentotten tot het christendom te bekeren (p.
227).
|
37Zie voor de verheerlijking van de edele wilde in de Engelse literatuur: H.N. Fairchild, The noble savage. A study in romantic naturalism, New York 1928.
38De
door Philip gewenste wetgeving, in de vorm van ‘Ordinance 50’ is er
inderdaad mede onder invloed van Philip gekomen in 1828. De wet die de
Hottentotten voor de wet gelijk stelde aan de blanke kolonisten
veranderde echter niets aan de slechte economische positie van de
Hottentotten (W.M. Macmillan, The Cape colour question, Kaapstad
1968, p. 220; R. Elphick en H. Giliomee, ‘The origins and entrenchment
of European dominance at the Cape, 1652-c. 1840’, in: The Shaping of South African Society, 1652-1840, Kaapstad 1992, p. 521-566, m.n. p. 556).
39Voor algemene opmerkingen over de reactie op Philip: André du Toit en Hermann Giliomee, Afrikaner political thought. Analysis and documents. Volume one: 1780-1850, Kaapstad/Johannesburg 1983, p. 210-213; Robert Ross, Beyond the pale; Essays on the history of colonial South Africa, Hanover/Londen 1993, p. 192-212.
40John Philip, Researches I, p. 353-355.
41W.M. Macmillan, The Cape colour question, p. 225.
42nzat 1830, p. 218-228,373-383.
43nzat 1830, p. 373-383, m.n. p. 374.
44Het Dagregister was in afleveringen verschenen in het nzat.
|
|
|
|
Wie was nu deze anonieme recensent? Helaas geeft het redactie-archief van het nzat hierover geen uitsluitsel, omdat er een leemte in het archief is voor het tijdvak tussen 19 september 1829 en 4 juni 1833. 45 Maar ik denk dat we wel over goede circumstantial evidence beschikken om aan te nemen dat de recensie uit de pen van Borcherds afkomstig is. We beschikken over de volgende aanwijzingen:
| 1 | Borcherds was een vaste medewerker van het nzat en de recensie is afkomstig van een ‘correspondent’. |
| 2 | Borcherds was de specialist van het nzat op het gebied van Kaapse geschiedenis. |
| 3 | Na 1830
verschenen de aangekondigde recensies niet meer en evenmin verscheen er
ander werk van Borcherds, met uitzondering van het postuum gepubliceerde
‘Gedicht over de volkplanting’. In 1830 was hij volgens een
‘levensberigt’ ziek geworden en begin 1832 stierf hij.46 |
| 4 | Borcherds had,
zoals al bleek uit de korte bespreking van het ‘Gedicht over de
volkplanting’, heel andere opvattingen over de Hottentotten in hun
oorspronkelijke staat dan Philip. |
Het verband tussen het ‘Gedicht over de volkplanting’ en de eerste hoofdstukken van de Researches
is dan ook heel nauw. Toen Borcherds in 1830 een voorstelling wilde
geven van het voorkoloniale verleden van de Kaap, kwam hij hoe dan ook,
zeker ook voor de contemporaine lezers, in een concurrerende positie ten
opzichte van Philip te staan. Borcherds moest aantonen dat zijn
representatie superieur was aan die van Philip. 47
Borcherds deed dit allereerst door te verwijzen naar de bron die zelfs
nu nog gezaghebbend is voor informatie over het leven van de
Hottentotten, de al genoemde Naauwkeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop van Peter Kolbe. 48
|
45Notulen Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift, ka, Misc. 96.
46‘De
ongesteldheid des Grysaards [Borcherds] begon zich reeds in het begin
van 1830 merkbaar te vertoonen, door zwaarmoedigheid, en eene vrees dat
hy plotseling zoude worden verplaatst’ (‘Een kort levensberigt van den
Wel.-Eerw. Heer M. Borcherds, in zyn leven predikant te Stellenbosch,
aldaar overleden den 28 February 1832’, in: nzat 9 (1832), p. 137-153, m.n. p. 138).
47Zie voor het probleem van de concurrentie tussen historische representaties: Ann Rigney, The rhetoric of historical representation. Three narratives of the French revolution, Cambridge 1990, p. 48.
48Kolbe wordt door Philip vreemd genoeg als een reclame-maker voor kolonisatie afgedaan ( Researches
I, p. 40). Kolbe wordt door historici nog steeds gezien als een van de
belangrijkste bronnen over het leven van de Khoi, vertelde mij de Leidse
historicus Robert Ross.
|
Kolbe
Op het eerste gezicht is het gebruik van Kolbe door Borcherds vreemd.
Kolbe is immers een schrijver die over het algemeen sympathiek staat
tegenover de Hottentotten. In de ‘Voorrede van den Schryver’ verkondigt
Kolbe dat het voornaamste doel van zijn omvangrijke boek is om ‘menigte
van valsche, vercierde, verkeerde dingen, by vele Schryvers meest van
horen zeggen [...] van de Hottentotten en dit land te boek geslagen’ te
bestrijden. Met een beroep op eigen waarneming wil Kolbe zijn lezers
ervan overtuigen dat ze niet de anderen maar hem moeten geloven en dat
hij gezien heeft dat de Hottentotten niet zo dom en vies zijn als altijd
van ze beweerd wordt. In de vergelijkende etnografie die Kolbe
beoefent, is er zelfs
|
|
|
|
|
een voortdurend streven om overeenkomsten tussen de Hottentotten en de oud-testamentische Joden aan te tonen. De lezer van de Naauwkeurige en uitvoerige beschryving
wordt hierop geattendeerd in het ‘Nodig Bericht’, dat in de Nederlandse
vertaling na de ‘Voorrede’ is toegevoegd: ‘Niets is zoo nieuw,
zeldzaam, en onverwacht, als de gelykvormigheid en wonderlyke
overeenkomst, die men hier vind tusschen verscheide plegtigheden van de
zoo genoemde Hottentotten, natuurlyke bewoners van de Kaap, en die der
Joden.’ In concreto gaat het hierbij vooral om allerlei overeenkomsten
in rituelen, vooral bij het offeren, dat de Hottentotten ‘Anders maakum zoo’ (cursief in de tekst) noemen. 49
Kolbe houdt er de theorie op na dat de Hottentotten een van de stammen
van Israël zijn. Ze zijn verdwaald geraakt in Afrika na hun ballingschap
in Egypte of anders na de ‘Romeinsche overvalling’ en hoewel hun
gewoonten een beetje zijn veranderd, is het Joodse grondpatroon nog
herkenbaar. 50
Het retorisch effect van het gebruik door Borcherds
van een bron die sympathiek staat tegenover de Hottentotten, moet wel
zijn dat wat Borcherds aan negatiefs te melden heeft, waar moet zijn.
Zelfs Kolbe zegt dat immers, zo suggereren de voetnoten. 51
Er zijn echter nogal wat discrepanties tussen wat
Kolbe zegt en wat Borcherds te melden heeft, discrepanties die niet
alleen te herleiden zijn tot de problemen van pre-koloniale
geschiedschrijving.
|
49Naauwkeurige beschryving I, p. 501. Zie ook: I, 517, 519, 521; II, 17, 58, 136, 149.
50Kolbe,
in de Engelse literatuur steevast aangeduid als Kolb, heeft een goede
pers in het politiek-correcte werk van Marie Louise Pratt, Imperial eyes. Travel writing and transculturation,
Londen 1992, p. 41-49. Overigens vergelijkt Kolbe de Hottentotten ook
regelmatig met de Troglodyten (‘grotbewoners’), een van de minder
sensationele Plinische rassen. Hun luiheid en gewoonte om half-rauwe
darmen te eten zouden de Hottentotten met dit volk gemeen hebben (Kolbe,
II, 60-1, 64; verder: I, 511; II, 17-8, 59, 126-7). Over de Troglodyten
zie: John Block Friedman, The monstrous races in medieval art and thought, Cambridge/Londen 1981, p. 19, 21.
51Dertien
voetnoten van het ‘Gedicht’ verwijzen naar Kolbe. Vooral de voetnoot op
p. 298 is van belang: ‘Alle deze en soortgelyke schetsen zyn uit Kolbe
meest ontleend’. Dit schept de indruk dat Kolbe de basis is van de
representatie in het ‘Gedicht’, zelfs wanneer dit feitelijk niet het
geval is.
|
De historiografische problematiek
De historiografische problemen van Borcherds' project waren niet
gering. Borcherds stond voor het probleem dat hij een geschiedverhaal
wilde vertellen over een tijdvak waarvoor geen schriftelijke bronnen
bestaan. Voor het ontstaan van de moderne archeologie viel er dan maar
weinig te beginnen voor een geschiedschrijver:
Maar wie - wie geeft hier licht? daar 's lands geschiedenissen
Zich voordoen als een nacht, van dikke duisternissen,
Stikdonker, zwart en diep - een nare donkerheid!
Waar niets een enkle straal van licht, voor ons verspreidt.
Geen overleevring zelfs, hoe zwak z'ook voor mogt lichten,
Kan hier den minsten dienst, aan 't zoekend oog verrigten,
Het staart zich blind, als 't op dien nacht, teruggeziet!
Maar, 't zoo gewenste licht? Helaas! men vindt het niet.
De enige mondelinge overlevering waarover Borcherds kon beschikken,
handelt over de herkomst van de Hottentotten. Er doet onder hen het
verhaal de ronde dat ze geland zijn met een ‘huis van overtogt’ (p. 297,
cursief in de tekst), een schip, licht Borcherds toe in een voetnoot. 52 Borcherds acht dit verhaal over de herkomst van de Hottentotten echter onwaarschijn-
|
52Borcherds verwijst hier naar een voetnoot bij een inleidend artikel in het nzat over het ‘Dagverhaal’ van Van Riebeeck ( nzat 1824,109).
|
|
|
|
lijk:
‘Niets zekers heeft men ooit, van dit geval vernomen’ (p. 297). Zelfs
al zijn er dan andere, door Borcherds niet nader gespecificeerde ‘losse
volksgeruchten’ (p. 300, zie citaat hieronder), de mondelinge
overlevering kon volgens de historiografische theorie sinds de
zeventiende eeuw moeilijk serieus genomen worden. 53 Ook volgens Borcherds zijn het ‘op zijn best [...] losse volksgeruchten’.
Voor deze historiografische problematiek vindt Borcherds een literaire oplossing. 54
De scheppende dichtkunst en de verbeelding moeten hem helpen om de
kloof tussen het koloniale tijdvak en de prehistorie van de Kaap te
overbruggen. De verbeelding is in deze taak een ‘geleigeest’ die voor de
‘Dichkunst’ het ‘landschap’ van het verleden onthult en orde brengt in
de duistere chaos.
Doch laat ons, eer wy van dit oude tydperk scheiden.
o Dichkunst, uwe hand nog eens terugge leiden:
o Eedle wetenschap! al meldt geen schrift of boek,
Al 't geen er, destyds is gebeurd, aan dezen hoek,
Schep dan door eigen kracht, den verdren loop der dingen.
Zie uw geleigeest zweeft u voor, en, onder 't zingen,
Ontdekt zich, als van zelf, elk voorwerp aan uw oog.
De nevel klaart reeds op, die eerst 't gezigt omtoog,
En, 't gansche Landschap, waar die woeste volken wonen,
Begint zich meer en meer, al klaarder te vertoonen.
Wat Kolbe, Valentyn, of eenig Schryver meldt,
Mag lezenswaardig zyn; doch, wat men ook vertelt
Van dezen ouden tyd, en, hoe 't in die gehuchten
Eens toeging; op zyn best, zyn 't losse volksgeruchten.
Schift, schik dan op 't gelei van uw verbeeldingskracht,
Dien duistren Chaos, tot g' uw Dichtwerk hebt volbragt.
Een beroep op de verbeelding had aan het begin van de negentiende
eeuw het nodige gezag. Volgens de standaardopvattingen hierover had de
verbeelding twee kanten: een productieve en een reproductieve kant. De
reproductieve kant van de verbeelding stelt iemand in staat een eerder
waargenomen werkelijkheid voor de geest te halen. 55
Tot die waargenomen werkelijkheid behoren ook teksten die iemand
gelezen heeft, zoals de verhandeling van Kolbe in Borcherds' geval.
Anderzijds kan de verbeelding ook productief zijn, dit wil zeggen dat op
basis van waarnemingen of gelezen teksten door samenvoeging en
afscheiding nieuwe beelden kunnen ontstaan van dingen die men nooit
eerder gezien of gelezen heeft. 56
Borcherds gebruikt zowel de reproductieve als de productieve
verbeelding om zijn representatie van het leven van de Hottentotten tot
stand te brengen, waarbij de productieve verbeelding zelfs helemaal
zonder hulp (‘door eigen kracht’, p. 300) beelden kan vormen. De rol van
de verbeelding komt
|
53E.H.
Waterbolk, ‘Zeventiende-eeuwers in de Republiek over de grondslagen van
het geschiedverhaal. Mondelinge of schriftelijke overlevering?’, in:
J.A.L. Lancée (red.), Mythe & Werkelijkheid, Utrecht 1979, p. 9-24.
54Als dat nodig geweest zou zijn, had Borcherds dit met Aristoteles' Poetica
in de hand kunnen verantwoorden. Het verschil tussen geschiedschrijving
en dichtkunst hangt volgens Aristoteles niet af van de vorm, maar van
de vraag of de tekst handelt over wat gebeurd is (geschiedschrijving) of
wat had kunnen gebeuren. Bij dit onderscheid is het niet van belang of
er in verzen of proza geschreven wordt. Ook als Herodotus' werk wordt
omgezet in verzen, blijft het nog behoren tot de geschiedschrijving
(Aristoteles, Poetica, 51a30-51b13).
55G.J. Johannes, Geduchte verbeeldingskracht! Een onderzoek naar het literaire denken over de verbeelding - van Van Alphen tot Verwey, diss. Amsterdam 1992.
56Johannes, Geduchte verbeeldingskracht!, p. 60, 47-48.
|
|
|
|
nog eens aan de orde in de onderstaande passage aan het slot van het ‘Gedicht’, waarin Borcherds terugblikt op het vertelproces:
Zie daar dan, Lezer! hoe de levenswijze was
Van dat oorspronkelyk en zeldzaam menschenras,
Hetwelk Van Riebeek vond aan d' Afrikaansche stranden,
Toen hy bezitting nam van deze woeste landen;
En wat myn Zang-godin, deels door haar eigen kracht,
Deels ook door vreemde hulp, en 't licht, haar toegebragt
Van vroeger schryvers zich heeft kunnen onderwinden,
Om, voor 't verlangde beeld, de trekken uit te vinden,
Van die bevolking, die deez' Uithoek eens bezat;
Eer eenig Christenvolk, zich hier gevestigd had.
Met de hulp van zijn (scheppende) dichtkunst (‘myn Zang-godin’),
gesteund door de productieve verbeelding (‘deels door haar eigen
kracht’) en de reproductieve verbeelding (‘Deels ook door vreemde hulp
en 't licht haar toegebragt / Van vroeger schryvers’) heeft Borcherds of
althans zijn ‘Zang-godin’ de prehistorie van de Kaap te voorschijn
gebracht. Als dichtende geschiedschrijver had hij Philip overtroffen.
Het beroep op de dichterlijke verbeelding gaf
Borcherds ook de gelegenheid om vrij met zijn bronnen om te springen.
Dat is bijvoorbeeld te zien als we de tekst van het ‘Gedicht over de
volkplanting’ vergelijken met Kolbe's uiteenzetting, de belangrijkste
bron van Borcherds.
Borcherds heeft het werk van Kolbe in hoge mate
getransformeerd. Hij doet dat allereerst door de tekst van Kolbe te
amplificeren. Dat is bijvoorbeeld het geval in de passage waar de
verering van de maan wordt beschreven. Als de Hottentotten terugkeren
van de jacht, laat Borcherds ze feest vieren ter ere van de maan, met
muziek en dans. Waarom ze dat doen, wordt door Borcherds niet verteld.
Kolbe interpreteert dit feest bij volle maan als teken van
godsdienstigheid van de Hottentotten. Hij gebruikt het als een argument
om het verwijt dat de Hottentotten geen godsdienst zouden hebben, te
weerleggen. 57
Het dansen bij volle maan, dat bij Kolbe een bewijs van deugdzaamheid
is, wordt bij Borcherds echter een inleiding tot sexuele losbandigheid:
Der jongelingen schaar, der maagden blyde reyen,
Beginnen wyd en zyd, welhaast zich te verspreyen.
Nerinaas lonken, en Sosoäas smelt het hart,
Dat, in de strikken van een woeste min verward,
Een dierelyk genot verzwelgt met volle teugen.
Dit noemt dat wilde volk by 't maanlicht zich verheugen!
|
57Zie
Kolbe's hoofdstuk xxiv: ‘Van den Godsdienst der Hottentotten; en hoe zy
dezelve verrigten, of den Schepper aller dingen eere bewyzen’ (Kolbe i,
p. 488-504, m.n. 494). Het verwijt dat primitieve volkeren atheïstisch
zijn, is in de moderne tijd vrij algemeen (H. Clastres, ‘Religion
without gods: the sixteenth century chroniclers and the South American
savages’, in: History and anthropology 3 (1987), p. 61-82).
|
|
|
|
De passage over het ‘Maanfeest’ laat trouwens nog meer zien over de
werking van Borcherds' verbeelding. De Nederlandse vertaling van Kolbe's
oorspronkelijk in het Duits geschreven boek gaat vergezeld van
prachtige illustraties van Hottentotten die eruit zien als Griekse
atleten en die handelingen verrichten die soms perspectivische
verkorting nodig maken. Het zijn oefeningen uit de tekenacademie. Ook de
‘Maanfeest’-passage gaat vergezeld van zo'n afbeelding (afb. 9). Als
bij Borcherds gezegd wordt dat de maan ‘Van berg- of heuveltop’
neerschijnt, dan is dit geen verwijzing naar de tekst, maar naar de
afbeelding. We hebben hier te maken met ekphrasis, de omzetting van een
afbeelding in een beschrijving ervan. 58
Dit is een algemeen verschijnsel in het ‘Gedicht over de volkplanting’.
Borcherds heeft een sterke voorkeur voor die delen uit Kolbe die van
illustraties vergezeld gaan en waarbij de informatie uit de afbeeldingen
de tekst aanvult. In twee gevallen wordt in de voetnoten door Borcherds
zelfs expliciet naar ‘fraaye afbeeldingen’ in Kolbe's Naauwkeurige en uitvoerige beschryving verwezen. 59
Een ander verschijnsel is ten slotte dat Borcherds de
delen die hij uit Kolbe's werk gebruikt, anders structureert. Kolbe's
relaas is systematisch ingedeeld, op een wijze die verwantschap doet
vermoeden met de ars apodemica, de wetenschap van het reizen, die adviseerde om reisbeschrijvingen op te zetten volgens bepaalde categorieën. 60
Grofweg zijn Kolbe's hoofdcategorieën: landschap, flora, fauna, mensen.
De mensen zijn weer onderverdeeld in Hottentotten en Europese
kolonisten. Bij het deel over de Hottentotten worden in afzonderlijke
hoofdstukken verschillende karakteristieken behandeld in een aan het
tijdelijke, ontheven beschrijving daarvan. Alleen als Kolbe zijn lezers
van de waarheid van zijn standpunt wil overtuigen, voert hij concrete en
tijdgebonden ervaringen aan. 61
De lezer moet dan beseffen dat wat Kolbe zegt, berust op waarneming.
Dit is een oud middel om de geloofwaardigheid van beweringen over
vreemde volken te versterken. 62
Borcherds neemt enkele categorieën van Kolbe - jacht,
visvangst, oorlogvoering - in zijn tekst over, maar maakt ze in veel
gevallen verhalend door het gebruik van personages die soms eigennamen
hebben en die betrokken zijn in een handelingsverloop. Borcherds spreekt
bijvoorbeeld niet over oorlogvoering zonder meer, maar over hoe twee
stammen met elkaar in conflict raken wegens een geschil. Deze stammen
staan onder leiding van Hacqua en Gamman, namen die ontleend zijn aan
een hoofdstuk van Kolbe waarin Hottentot-naamgeving aan de orde komt. 63
Dit verhalend maken van de stof dient de levendigheid van de tekst
(enargeia), wat ook de overtuigingskracht van de tekst vergroot. 64
De sleutelrol van de verbeelding in het ‘Gedicht over
de volkplanting’, als een middel dat het mogelijk maakt om het onkenbare
mee te delen, verklaart ook waarom het gedicht niet als geschiedwerk,
maar als dichtwerk wordt gepresenteerd. De vrije wijze waarop Borcherds
zijn bron hanteerde zou niet toelaatbaar geweest zijn bij een regulier
geschiedwerk aan het begin van de negentiende eeuw. Ook in de
voorwetenschappelijke
|
58Ekphrasis
moet onderscheiden worden van pictoralisme (schilderen met woorden) en
iconiciteit (bijvoorbeeld: ‘Zeppelin’ van Paul van Ostayen, een woord in
een gelijknamig gedicht in de vorm van een luchtschip): ‘What
distinguishes those two things from ekphrasis is that each one aims
primarily to represent natural objects and artifacts rather than works
of representational art’, zoals wel het geval is bij ekphrasis (James
A.W. Heffernan, ‘Ekphrasis and representation’, in: New literary history 22 (1991), p. 297-316, m.n. p. 299; in dezelfde geest: Grant F. Scott, ‘The rhetoric of dilation: ekphrasis and ideology’, in: Word & Image 7 (1991), p. 301-310).
59Voetnoten op p. 351 en 354.
61Bijvoorbeeld: Kolbe, ii, p. 171.
62François Hartog, Le miroir d'Hérodote, Paris 1980, p. 259-262.
63‘Van
der Hottentotten Plechtigheden en gebruiken, welke zy by de
Kraamvrouwen in acht nemen; en in 't byzonder, hoe zy te werk gaan en
wat zy doen, wanneer een vrouw Tweelingen ter waereld brengt’ (Kolbe ii, p. 1-11).
64Over ‘enargeia’: H. Lausberg, Handbuch der literarischen Rhetorik, München 1960, p. 400.
|
|
|
|
Afb. 9 Hottentotten die ter ere van de maan dansen (uit: Peter Kolbe, Naauwkeurige en uitvoerige beschryving).
|
|
|
|
|
fase van de geschiedschrijving was dit niet mogelijk, dit wil zeggen
voordat de filologisch-kritische methode van Ranke verspreid zon raken. 65 De achttiende-eeuwer Jan Wagenaar bijvoorbeeld, wiens werk aan Borcherds bekend was ( nzat 1828, p. 266), wil in de ‘Voorrede’ van het eerste deel van zijn Vaderlandsche Geschiedenis uitdrukkelijk doen uitkomen dat hij steeds de beste bronnen zal volgen. 66
Wie echter moet schrijven over de vroegste geschiedenis van Nederland,
krijgt problemen. De historicus beschikt dan niet over documenten van de
ingezetenen, omdat deze analfabeet waren (p. x-xi). Daarom moet je een
beroep doen op goed geïnformeerde ‘uitlanders’ zoals Plinius en Tacitus
(p. xiii). Waar het om gaat, is dat Wagenaar beweert niet meer te zeggen
dan zijn bronnen toelaten. Vandaar dat hij bij de Batavieren begint,
want over hen zijn er getuigenissen te vinden in Romeinse geschriften.
Over de voorgeschiedenis zegt hij niet meer dan dat er weinig bekend is
over de herkomst van de Germanen waartoe de Batavieren behoorden (p.
1-3).
|
65S. Groenveld, Hooft als historieschrijver, Weesp 1981, p. 48-49.
66‘Voorrede’ in: [Jan Wagenaar], Vaderlandsche Historie, Eerste deel.
Amsterdam etc. 1782, p. ix. Jan Wagenaar was de meest populaire
Nederlandse geschiedschrijver aan het einde van de achttiende eeuw (vgl.
A.Th. van Deursen, ‘Wijsgerige geschiedschrijving in Nederland’, in:
Lancée, Mythe & Werkelijkheid, p. 103-120, m.n. p. 113).
|
De verwerping van het primitivisme en de voordelen van een koloniaal bewind
Laten we terugkeren tot de hoofdzaak. We zagen al dat het mogelijk is
om een intertekstueel verband aannemelijk te maken tussen het ‘Gedicht’
en de Researches van Philip. Philip had willen aantonen dat de
Hottentotten oorspronkelijk goed waren, maar dat ze bedorven zijn door
de kolonisten. Borcherds laat met een beroep op de verbeelding en het
gezag van Kolbe het tegenovergestelde zien. De Hottentotten waren een
stel smerige, wellustige, wilde nomaden waaraan niet veel te bederven
viel. Het is dan ook niet de schuld van de kolonisten als de
Hottentotten in Borcherds' dagen er slecht aan toe waren. Integendeel,
de kolonisten boden aan de Hottentotten juist de gelegenheid om de
zegeningen van het christendom te smaken. Hun orgiën bij volle maan zijn
nu voorgoed vervangen door vormen van christelijke eredienst:
En denk, gedankt zy God! die nachten zyn niet meer.
Datzelfde volk, looft nu, met Psalm- en Lofgezangen,
Wanneer 't de zilvren Maan ziet aan den Hemel hangen,
Den Maker van 't Heelal, en bidt dien Schepper aan,
Die 't flikrend starrenheer, doet op- en nedergaan.
Daarmee is niet alles gezegd. Het gedicht heeft een wijdere strekking
dan alleen de weerlegging van het geschiedbeeld van Philip. Borcherds
argumenteert ook op een abstract theologisch-filosofisch niveau. Het
‘ware beeld’ van de Hottentotten in hun oorspronkelijke staat, gebruikt
hij in een apostrofisch terzijde als een voorbeeld dat de onhoudbaarheid
van het primitivisme moet demonstreren. De ‘Onchristen wysgeer’ heeft
ongelijk
|
|
|
|
|
als hij denkt dat de natuurstaat de ideale toestand is voor de mens.
Borcherds verdedigt op die manier het anti-primitivistische standpunt,
dat de natuurmens in ellende leeft: 67
[...] Ach wat is het menschdom zonder deugd,
En Godsdienst, Ord en Wet!!! Helaas een soort van dieren,
Die ongeregeld aan hun drift den teugel vieren!
Onchristen wysgeer! zie, zie daar het ware beeld,
Van een natuurstaat, in uw heilloos brein geteeld,
Dat Paradys, waarheen, gy wenscht, door het verspreiden,
Van uwe dwaalleer, ons, in 't eind terug te leiden.
De bekendste van deze wijsgeren die het primitivisme propageerden was, ook aan de Kaap, Rousseau. 68
Behalve Rousseau was er in de achttiende eeuw overigens een hele horde
‘onchristen’ wijsgeren die er zo over dachten. De wilde is voor hen
voorbeeldig in zijn vrijheid, het ontbreken van religiositeit en de
afwezigheid van de begeerte naar bezit. 69
Ook elders heeft Borcherds in zijn geschriften blijk
gegeven van een anti-primitivistische opstelling. In het
redactie-archief van het nzat bevindt
zich een ongepubliceerd, door Borcherds vertaald gedicht van ‘Johan
Nicolas Götz’ (Johann Nicolaus Götz), ‘De gouden eeuw’. Het gedicht
neemt als uitgangspunt een verzameling motieven uit de pastorale en de
voorstelling van de Gouden Eeuw: de mensen leefden eenvoudig van wat de
natuur hun gaf, er was geen oorlog, men hield zich slechts bezig met de
kunsten en zo voort. Vervolgens wordt in het gedicht beweerd dat deze
voorstelling een product was van dichterlijke verbeelding, waarbij de
verbeelding hier overigens een aanwijzing is voor de ongeloofwaardigheid
van de voorstelling. Tegenover de - in dit geval - leugenachtige
dichterlijke verbeelding wordt de waarheid van de bijbel gesteld die een
ander verhaal vertelt.
Geen Gouden eeuw was er dan in der dichtren verbeelding,
Elk hunner zag niets dan stof slegts tot klagen
Over de Kortheid dier eeuw, en bejammert zyn noodlot,
Dat ook hij zelve, te laat is gebooren geworden!
Wat ons betreft Christenen! Wy leezen iets beters
In de boeken der waarheid: daar zien wy de reedenen
Waarom van deez aarde die goudene eeuwen verdweenen!
En andre ontstaan zyn van yzer! de Zonden der menschen,
Hebben die purpere dagen steeds van deezen aardkloot verdreeven!
Van, dat zy het bloed, had, des eersten Herders [Abel] gedronken,
Heerschten oorlog en Honger en doodlyke plaagen
Zo is dit alles slegts een fraij Milesisch vertelsel, 70
En van ouds, wierd het Menschdom gestrafd, en was strafbaar!
|
67Anti-primitivisme,
de afwijzing van het leven in natuurstaat als ideaal, is bijna zo oud
als de verheerlijking van het primitieve leven. Vgl. Arthur O. Lovejoy
en George Boas, Primitivism and related ideas in antiquity, New York 1965.
68nzat 1834, 281. Rousseau had aan de ‘edele wilde’ aandacht gegeven in zijn Discours sur l'origine de l'inégalité parmi les hommes, Parijs 1954 (1755).
69H. Clastres, ‘L'idéologie de la conquête: sauvages et civilisés au xviiie siècle’, in: F. Châtelet (éd.), Les idéologies, deel 3, Verviers 1981, p. 191-210. Ook: Urs Bitterli, ‘Der “Edle Wilde”’, in: Thomas Heye (Hrsg.), Wir und die Wilden. Einblicke in eine kannibalische Beziehung, Reinbek 1984, p. 270-289.
70Een Milesisch verhaal (‘sermo Milesius’) was eigenlijk een obsceen verhaal (Charlton T. Lewis en Charles Short, A Latin dictionary,
Oxford 1973, p. 1143). Hier lijkt het echter meer zoiets te betekenen
als een verhaal waarin men graag zou willen geloven, maar dat onwaar is.
|
|
|
|
De reden voor de verwerpelijkheid van alle primitieven en daarmee
eveneens van de Hottentotten, is voor Borcherds het ontbreken van
‘Godsdienst, Ord en Wet’, zoals hij twee maal in het ‘Gedicht’ opmerkt. 71
Als deze gehoorzaamheid niet bestaat, worden de mensen ‘Helaas een
soort van dieren, / Die ongeregeld aan hun drift de teugel vieren!’ (p.
299). In Borcherds' moraal-theologie is deze noodzaak van gehoorzaamheid
aan (christelijke) wetten een centrale leerstelling. We treffen haar
ook aan in twee andere teksten: de ‘Reedevoering over het Christendom’
en het al genoemde ‘leerdigt’ De Maan.
Het christendom is voor Borcherds in de ‘Reedevoering’
het middel dat het afglijden van de mensheid naar een dierlijke staat
verhoedt, omdat het christendom zedelijke regels voorschrijft en een
vergelding voor goed en kwaad handelen in het vooruitzicht stelt. 72 Op dezelfde wijze schrijft hij hierover in zijn ‘leerdigt’ De Maan. Als de tot zedelijkheid aansporende religie wegvalt, vervalt de mens tot ‘[e]lk mooglik pligtverzuim, en ongebonden zeên’. 73 In concreto kan dit dronkenschap, ‘geheime minnarye’, nijd en gierigheid betreffen (p. 6-7).
De Hottentotten in natuurstaat en de primitieven
hebben een gemeenschappelijke noemer en dat brengt de twee kwesties, de
abstracte kwestie van de mens die in een natuurstaat leeft en de
specifieke, politiek geladen zaak van de Hottentot, bij elkaar. De
Hottentot en de wilde zijn te veroordelen omdat ze geen gehoorzaamheid
aan godsdienst en wet kennen. Deze beredenering van hun verwerpelijkheid
is in het ‘Gedicht’ de basis voor een rudimentaire koloniale ideologie. 74 Tegen de achtergrond van de kritiek op de kolonistengemeenschap in de Researches heeft deze ideologie een element van rechtvaardiging in zich, iets wat in koloniale ideologieën een voorname rol speelt. 75
Het verband tussen de komst van de kolonisten en de
verbreiding van het christendom in Zuid-Afrika was door Borcherds eerder
gelegd in een tot God gericht voorwoord waarmee het eerste nummer van
het nzat in 1824 begon:
Weinig jaren meer dan eene en eene halve eeuw geleden, was
deze Volkplanting, deze zuidelykste punt der oude wereld, nog een
stikdonker land, - een land der duisternis en der schaduwe des doods.
Een wild en heidensch volk bewoont het, weinig in zyne denkbeelden en
neigingen verheven boven het wreed en woest gedierte, hetwelk het
omringde. Maar, Gy spraakt, ook daar zy licht! en het was alzoo. Een
handvol menschen, belyders van den Christelyken Godsdienst, landde,
zette zich neder aan dezen uithoek, bouwde eenen Tempel ter uwer eer en
voerde een heilig woord hier in. (‘Overdenkingen van E.D.P.; A Jove
principium’, nzat, 1824, p. 5-6)
In het citaat is het betoog van het ‘Gedicht’ in de kern al aanwezig.
In het ‘Gedicht’ lijkt Borcherds zijn visie op het koloniale bestel
alleen met gebruikmaking van Kolbe te hebben uitgewerkt. Nieuw, ten
opzichte van de inleidende woorden in het nzat van 1824, is dat Borcherds' visie op het
|
72Voor een samenvatting van de ‘Reedevoering over het Christendom’ zie: S.B.I. Veltkamp, Meent Borcherds, predikant in overgangstijd, p. 100. De tekst was onvindbaar in de Kaapse Argiefbewaarplek (oorspr. in: Privaat Argief M. Borcherds).
74Een
rudimentaire ideologie, omdat we niet te maken hebben met wat Clifford
Geertz een systeem van ‘interacting symbols’, ‘patterns of interworking
meaning’, een ‘symbolic framework’ noemt (Clifford Geertz, ‘Ideology as a
cultural system’, in: The interpretation of cultures, Londen
1973, p. 193-233). Geertz probeert een ideologie-theorie te ontwikkelen
die cultuurtheoretisch gericht is en meer een analytisch model is dan
een politiek argument, zoals bij andere ideologie-theorieën maar al te
vaak het geval is.
75Voor
het soort rechtvaardigingsargument dat Borcherds hanteert zie: Raymond
Kennedy, ‘The colonial crisis and the future’, in: Ralph Linton (ed.), The science of man in the world crisis, New York 1950, p. 306-346; David Spurr, The rhetoric of empire. Colonial discourse in journalism, travel writing, and imperial administration, Durham/London 1993; Edward Said, Culture and imperialism, p. 69.
|
|
|
|
koloniale bestel na Philips kritiek van 1828 vooral als rechtvaardiging
gaat klinken. De representatie van de Hottentotten in hun natuurstaat
door Borcherds ‘bewijst’ het ongelijk van Philip en wijst op de heilzame
invloed van de kolonistengemeenschap op de Hottentotten. Borcherds'
stellingna-me in zijn ‘Gedicht over de volkplanting’ heeft ten opzichte
van zijn voorwoord bij de eerste aflevering van het nzat
in 1824 aan politieke relevantie gewonnen. Misschien kan men ook nu
pas, in 1832, na het optreden van Philip, een ideologische functie aan
Borcherds' redenering toekennen. Door de nieuwe omstandigheden waarbij
de kolonisten-gemeenschap ideologisch onder druk kwam te staan, is het
vermogen van deze redenering om de aanvallen van Philip te neutraliseren
geactiveerd. De politieke relevantie in een als problematisch ervaren
werkelijkheid maakt een representatie volgens Clifford Geertz tot een
ideologie. 76
De Hottentotten leefden zoals alle primitieve volkeren
in wetteloosheid. Dat is de oorzaak van hun ellende, niet uitbuiting
door de kolonisten, zoals Philip beweerde. De komst van de Europeanen
gaf hun juist uitzicht op verbetering van hun lot, omdat de Europeanen
het christendom met zijn wetten meebrachten. Door de komst van de
kolonisten is aan de onhoudbare toestanden waarin ze leefden een einde
gekomen. De Hottentotten vieren in 1830 geen orgiën meer bij volle maan,
maar zingen dan psalmen. Aan het slot wordt nog eens opgemerkt dat het
liederlijke leven van de Hottentotten bestond ‘Eer enig Christenvolk,
zich hier gevestigd had’ (355). Bij implicatie is het de verdienste van
de Europeanen dat zij het waren die de Hottentotten de gelegenheid
hebben geboden om zich van hun binding aan hun driften te bevrijden. Een
dergelijke argumentatie heeft als onderdeel van een meer omvattende
koloniale ideologie tot ver in de twintigste eeuw dienst gedaan, in
Zuid-Afrika minstens tot in de jaren vijftig. 77
Zo werd er ter gelegenheid van de Van Riebeeck-herdenking in 1952 door
de Pro Ecclesia Drukkery van de Nederduits Gereformeerde Kerk een
pamflet van zeven bladzijden uitgebracht, Die koms van Jan van Riebeeck. Was dit ramp of redding?78
Het pamflet biedt een beschouwing over de betekenis van het begin van
Europese kolonisatie voor de zwarte en kleurling-lidmaten van de
Nederduits Gereformeerde Sendingkerke, aan wie het pamflet
gericht was. Hun werd voorgehouden om de komst van Jan van Riebeeck als
een redding te zien, onder andere omdat de kolonisten beschaving en
christendom hadden meegebracht: ‘[...] met die witman [het] ook die blye
boodskap van die Evangelie na hierdie eertydse land van heidendom,
afgodery en geestelike duisternis gekom’ (p. 6). Borcherds had het
kunnen zeggen.
|
76Clifford
Geertz zegt hierover het volgende: ‘Ideology is a response to strain.
[...] It is a loss of orientation that most directly gives rise to
ideological activity, an inability, for lack of usable models, to
comprehend the universe of civic rights and responsibilities in which
one finds oneself located. [...] Whatever else ideologies may be [...]
they are, most distinctively, maps of problematic social reality and
matrices for the creation of collective conscience’ (Clifford Geertz,
‘Ideology as a cultural system’, p. 219-220). Door het optreden van de
zendelingen was dat ook het geval aan de Kaap.
77Het
behoorde volgens Raymond Kennedy in de twintigste eeuw tot de vijf
gangbare argumenten om kolonialisme te verdedigen (Raymond Kennedy, ‘The
colonial crisis and the future’. Ook: David Spurr, The rhetoric of empire en J.M. du Preez, Africana Afrikaner. Master symbols in South African school text books, Alberton z.j.).
|
|
Keine Kommentare:
Kommentar veröffentlichen