26.03.2017

Seksuele mati-cultuur nader belicht tijdens lezing

28/01/2017 13:05 - Audry Wajwakana 

Cultureel antropoloog Gloria Wekker houdt zaterdagavond een lezing over haar onderzoek met als titel: ‘Ik ben een gouden munt. Ik ga door vele handen maar verlies mijn waarde niet’. Foto: dWT Archief 

ACHTERGROND - In veel Afrikaanse landen komen homoseksuele relaties al eeuwenlang voor. In de zestiende eeuw werden die relaties in Afrika door Europese missionarissen en kolonisten ontdekt en door hen - vanwege het christelijke geloof - bestempeld als afwijkend seksueel gedrag. De toen tot slaaf gemaakte Afrikanen hebben ideeën en praktijken over de betekenis van een seksueel wezen meegenomen naar de ‘nieuwe’ wereld. 
Juist in Suriname is dat vergeleken met andere diasporagebieden zoals het Caribisch Gebied en de Amerika's waar het heel helder naar voren is gekomen. Dat bleek uit een onderzoek dat cultureel antropoloog Gloria Wekker in 1990 en 1991 verrichtte onder creoolse vrouwen in Suriname. Die seksuele cultuur staat bekend onder de naam mati. In het kotomuseum 'A Gudu Oso' houdt Wekker zaterdagavond om zeven uur een lezing over dit onderzoek met als titel: 'Ik ben een gouden munt. Ik ga door vele handen maar verlies mijn waarde niet'. 
De Surinaamse mati-cultuur laat zien dat vrouwen romantische en seksuele relaties met vrouwen kunnen onderhouden, zonder het stempel 'lesbisch' te krijgen. 

Theorie 
De cultuur antropologe heeft een theorie geopperd over hoe de seksualiteit van zwarte vrouwen in elkaar zit. "En ik bekijk het vanuit een diasporaperspectief, namelijk vanuit de invalshoek van de Afrikanen die uit West-Afrika naar de Amerika's en het Caribisch Gebied zijn gebracht." Het onderzoek deed zij toen onder vrouwen tussen 23 en 84 jaar. De Surinaamse mati-cultuur laat zien dat vrouwen romantische en seksuele relaties met vrouwen kunnen onderhouden, zonder het stempel 'lesbisch' te krijgen. 
"Na 26 jaar heb ik de indruk dat het mati nog steeds wel bestaat, maar dat er wel veranderingen zijn opgetreden." De kennis over mati is volgens Wekker bij de jonge generatie iets minder."We hebben te maken met globalisering en op het internet vind je veel informatie over wat het betekent om op iemand van hetzelfde geslacht te vallen. Dan gaan ze andere moderne termen aannemen als lesbisch, queer of tomboy, maar belangrijke elementen van mati blijven wel bestaan." 

Overleven 
Met dit onderzoek promoveerde Wekker in 1992 aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, waarvan het proefschrift in 1994 werd heruitgegeven in het Nederlands, onder de titel 'Ik ben een gouden munt. Subjectiviteit en seksualiteit van Creoolse volksklasse vrouwen in Paramaribo'. In 2007 won Wekker met haar volgende publicatie hierover 'The Politics of Passion' de Ruth Benedict Prize van de American Anthropological Association. Ze is bijzonder trots dat ze met dit onderzoek Suriname op de wereldkaart heeft geplaatst. 

angisa bobeti

Bij verjaardagen dienen angisa's als decoratie tegen de muur, in manden (opgemaakt als bloemen, angisa ruiker of Bobeti).

kotomisi und mati-work

De kotomisi als pijnlijk cultureel erfgoed

Katoenen Surinaams-Creoolse hoofddoek op Franse vouwwijze (Bobeti)



De doek is gevouwen volgens de Franse vouwwijze, zoals ze het doen op Sint Maarten. Toen mevrouw van Tilburg, echtgenote van de Gouverneur van Suriname 60 jaar werd, gaf ze een Surinaams verjaardagsfeest, waarop verschillende dames een muts in franse vouwwijze droegen. Angisa's zijn gesteven katoenen bedrukte doeken.Via deze hoofddeksels gaven vrouwen in Suriname 'geheime' (echter bekend aan alle 'insiders') boodschappen aan elkaar door via verschillende manieren van vouwen. Deze doek heet "lobi na basi": liefde heeft geen baas. Angisa's als deze zijn haast altijd machinaal bedrukt. Zogenoemde 'lapjesmannen' vragen bij oudere vrouwen fragmenten van oude hoofddoeken op. Naar die fragmenten worden in Suriname of Japan ontwerpen gemaakt in verschillende kleurstellingen, waaruit de Surinaamse handelaar zijn bestelling kan doen. De angisa behoort tot het traditionele kostuum, de kotomisi van de Creoolse vrouw. Dit kostuum bestaat uit jaki, koto en angisa. De angisa wordt op verschillende wijzen gevouwen, waarbij de vouwwijze een bepaalde betekenis heeft, die bekend is aan 'insiders'. Met de hoofddoeken konden vrouwen hun gemoedstoestand aangeven. Er waren bijvoorbeeld doeken gevouwen als: pauw-tere (pauwestaart), boto-ede (boothoofd), lontoe ede (rond hoofd), deze was/is voor deftige gelegenheden en rouw. Doksi tere (eendestaart), low ede tai, vouwwijze voor rouw. Prois ede, vouwwijze voor bruiloften (prois = vermoedelijk prooi); een enkele keer ook moi moi, op 1 juli, Emancipatiedag. Is de angisa eenmaal gevouwen, dan wordt hij met speldjes vastgezet en zo bewaard als een soort muts. De doeken zijn ook altijd gesteven (met gomma, cassavestijfsel, of kaarsvet, tegenwoordig ook moderne stijfselsoorten). Ook al gaan Creoolse vrouwen veelal Europees gekleed, aan de traditionele hoofbedekking wordt vaak nog vastgehouden. Zo zijn er vrouwen in Europese jurk met hoofddoek, hetgeen palito wordt genoemd. Bij rouw werden de ogen bijna bedekt: diep in de ogen bij vader of moeder; hoger op het hoofd voor andere verwanten. Om de angisa goed te kunnen dragen wordt het haar op een speciale manier opgemaakt. Heeft een oudere vrouw te weinig haar, dan vouwt ze vaak eerst een doek om het hoofd. Hoe minder haar er onder een doek uitkwam, hoe netter de vrouw er uit zag. Heel bijzonder is de feestdracht met een hoofdbedekking van drie tot vier doeken, waardoor zes tot acht punten ontstaan. Bij verjaardagen dienen angisa's als decoratie tegen de muur, in manden (opgemaakt als bloemen, angisa ruiker of Bobeti). Als eerbewijs werden ze ook wel uitgespreid op de grond als loper. Als er een nieuwe doek op de markt komt, wordt voor de naamgeving advies gezocht waarna de doek wordt geopend, d.w.z. gedoopt. Er zijn o.a. de volgende naamgevingen te onderscheiden: a. doeken die teruggaan op een belangrijk feit in het wereldgebeuren b. oranje doeken c. doeken die hun naam danken aan een gebeurtenis in de stad d. spreuken of gezegden e. antwoorddoeken, signaaldoeken Volgens R.D. Simons droegen slavinnen uit Afrika alleen een pangi van blauwe stof die in Haarlem vervaardigd werd. Het bovenlijf was bloot. Derhalve ontwierpen de Hernhutters (volgens het verhaal) een kostuum voor de negervrouwen. Zo ontstond de koto (1959:9-12). Sommige vrouwen verzamelen deze hoofddoeken.

The culture of resistance















http://nakssuriname.com/

http://nakssuriname.com/

gold, money and the kasmoni circle






vrouwenrechten in suriname

angisa/gender










24.03.2017

Nola Hatterman





© 2009 dbnl / Rosemarie Buikema en Maaike Meijer
Print Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980(2003)–Rosemarie Buikema,

17 april 1953. Nola Hatterman vertrekt naar Suriname en ontwikkelt zich tot leermeesteres van een generatie Surinaams-Nederlandse beeldende kunstenaars.
15 Een artistiek bemiddelaar tussen Nederland en Suriname


Nola Hatterman was in 1953 54 jaar oud en een bekend en politiek geëngageerd Nederlands schilderes. Haar huis, Falckstraat 9 in Amsterdam, was het bruisende centrum van de Surinaamse cultureel-nationalistische beweging Wie Eegie Sanie (Ons Eigen Ding). De geboren en getogen Nederlandse Hatterman voelde zich sterk verbonden met zwarte mensen en hun cultuur. Zij was een actief lid van de in 1919 opgerichte Vereniging Ons Suriname, nam Surinamers veelvuldig als model voor haar schilderijen en kreeg begin jaren vijftig een steeds groter verlangen zich in Suriname te vestigen. Zij voelde zich in Europa artistiek ontworteld. ‘Ik moest naar Suriname’ zei ze later in een interview, ‘ik kon in mijn gevoel niet verder als ik niet naar Suriname zou gaan.’



Aanvankelijk leek het erop of zij door de Sticusa - een Stichting die de ontwikkeling van de Surinaamse en Antilliaanse cultuur wilde bevorderen - als tekenlerares naar Suriname zou worden uitgezonden, maar Sticusa trok zich terug vanwege Hattermans vermeende communisme. Hatterman ging echter toch. Haar dertigjarig verblijf in Suriname werd een groot succes. Zij werd er inderdaad de ‘ambassadrice’ van progressief Nederland in de gekleurde wereld. Zij stichtte er een professionele school voor Beeldende Kunsten die enkele generaties Surinaamse beeldend kunstenaars opleidde. Haar school fungeerde als een unieke ‘contactzone’ tussen Nederlandse en Surinaamse kunst. Veel van Hattermans leerlingen emigreerden in de jaren zestig tot tachtig naar Nederland, om zich in Europa verder te scholen en er zich als kunstenaar te vestigen. Hatterman was hun trait d'union, de luchtbrug die Surinaamse kunstenaars naar Nederland en Europa bracht.

Hatterman was gekant tegen het antropologisch of volkenkundig perspectief waarbinnen ‘zwarte’ kunst in haar tijd vaak werd geplaatst. Zij zag kunst als middel tot zelfherkenning, tot expressie van zwarte trots en antikoloniale bewustwording. Met die opvattingen en met haar eigen kunstwerken heeft Hatterman de Surinaams-Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw diepgaand beïnvloed. Zij stimuleerde de ‘négritude’ in de beeldende kunst en heeft als geen ander het culturele isolement van Suriname opengebroken én de Nederlandse cultuur getransnationaliseerd. Na haar dood in 1984 is het contact tussen de Surinaamse en Nederlandse kunstwereld voortgezet door haar leerlingen. De Galerie Nola Hatterman (in Nederland) en het Nola Hatterman Instituut (in Suriname) zetten heden ten dage de door haar ingezette professionaliteit en internationalisering voort.

Wie was deze kleurrijke Nederlandse kunstenares? Hoe kwam zij tot haar radicale ideeën? Hoe kwam haar fascinatie met de gekleurde wereld tot stand en wat bracht haar er in 1953 toe naar Suriname te emigreren en er voorgoed te blijven werken?


‘En je kiest als je schildert uiteraard de modellen die je mooi vindt’

Nola (Hendrika Petronella) Hatterman werd op 12 augustus 1899 in Amsterdam geboren. Van kinds af aan kwam zij in aanraking met Indische mensen, doordat haar vader als boekhouder werkte bij een Indische firma. Als jong meisje zat ze op de lagere school met haar vingers op het topje van haar neus te drukken zodat die plat zou worden. Met haar andere vingers krulde zij haar lippen. Zo bleef ze elke morgen ‘een uur of wat’ zitten in de hoop dat zij haar gezicht zo zou kunnen modelleren dat zij op de Indische kinderen uit haar klas zou gaan lijken, die zij mooi vond en aan wie zij zich vaak zat te ‘vergapen’. Op het gymnasium kwam zij in aanraking met hét zuivere schoonheidsideaal, het Griekse, dat zij als prototype echter ‘beslist niet mooi’ vond. Toen ze vervolgens kennismaakte met de Egyptische cultuur met name met de Nefertete dynastie, ontdekte ze in de Egyptische afbeeldingen de ‘negroïde trekken’ die ze prachtig vond (Niemel en Van Broekhoven 1982).

Aanvankelijk leek Hatterman te kiezen voor een carrière als actrice. Zij speelde enkele jaren bij het Rotterdams Toneel en de Koninklijke Vereniging. Ook acteerde ze in een aantal films, waaronder Majoor Frans, naar de roman van Truitje Bosboom-Toussaint, die op 25 augustus 1916 in première ging. Met Johan Kaart en Lily Bouwmeester speelde zij in Helleveeg (1920) en in Oranje Hein (1925) van Alex Benno. Maar in 1925 koos zij definitief voor het tekenen en schilderen (Ottes 1999). Ze kreeg enkele jaren privé-les van Charles Haak, die verbonden was aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie. Via hem kwam Hatterman in contact met Surinamers die er als schildersmodel wat geld bij probeerden te verdienen. Een van die modellen was prins Kaya, eigenlijk Frans Vroom geheten, met wie ze hecht bevriend raakte. In 1927 verhuisde hij van Paramaribo

[p. 259]

naar Amsterdam en woonde een tijd op de benedenverdieping bij Hatterman in de Falckstraat. Prins Kaya behoorde tot het groepje Surinaamse mannen dat Rudie Kagie beschrijft in zijn boek De eerste neger(1989), zie ook hoofdstuk 5. Ze kwamen als verstekeling met de oceaanstomer Cottica of Peter Stuyvesant en vonden na een aanloopperiode vaak werk in de muziek of iets anders ‘artistieks’.
Zelf was de prins aanvankelijk constructiewerker in de plaatijzerfabriek van Verschuren. Mede als gevolg van zijn vriendschap met Nola Hatterman [...] voelde hij zich al snel in het kunstenaarsmilieu meer op zijn gemak dan in de metaal. Hij was vuurvreter, equilibrist, portier, schildersmodel, figurant bij de film, figurant bij de Sleeswijkrevue, figurant bij het grote toneel. (Kagie 1989)

Een ander schildersmodel voor Hatterman was Jimmy van der Lak, wiens artiestennaam Jimmy Lucky luidde. In 1925 arriveerde hij, 21 jaar oud, per oceaanstomer in Rotterdam. Hij ontpopte zich als bokser die ‘ontzettend vlug op de benen’ was en uitkwam in het weltergewicht maar ‘zo nodig ook doorging voor het middengewicht.’ Na een ongelukkige partij, waarbij hij ‘een geweldig pak slaag’ kreeg, beëindigde hij zijn bokscarrière en ging als kelner werken in The Kit Cat Club:
Ik was een trekpleister van jewelste, de enige zwarte kelner in Nederland. Als ik op straat m'n gezicht liet zien, hielden de mensen me aan. Bussen stopten. De baas wou niet dat ik vrij nam omdat de gasten dan voor niks kwamen. Ik was een attractie. (Kagie 1989)

23.03.2017

Jae Jarrell’s radical fashions


ca 1968





Jae Jarrell’s radical fashions use the body as a vessel for protest, resistance, and identity. Her love of fashion was influenced by the legacy of her grandfather, who was a tailor, and her uncle, who ran a haberdashery shop, selling fabric and sewing supplies. She went on to study art and clothing design at Bowling Green State University in Ohio, the School of the Art Institute of Chicago, and Howard University in Washington, D.C. In 1968, Jae, her husband Wadsworth Jarrell, and fellow artists Jeff Donaldson, Barbara Jones-Hogu, and Gerald Williams founded the collective AFRICOBRA (which stands for African Commune of Bad Relevant Artists). The group formed in response to a lack of positive representation of African and African American people in media and the arts. Their goal was to produce works that conveyed the pride, power, history, and energy of their communities. They worked to develop a uniquely Black aesthetic, with bright “Cool-ade” colors and a lively sense of rhythm. As a fashion designer, Jae embodied those ideals through clothing. Incorporating diverse elements such as brick walls, graffiti, colorful bandoliers, jazz, Scrabble, and African shields, Jae’s work is a celebration of life and individuality, with a strident “Look good, feel powerful” message.
Jae Jarrell (1935, Cleveland, OH) lives and works in Cleveland Ohio. Her work is held in numerous private collections, and in the permanent collection of the Brooklyn Museum of Art, where her garments were included in the exhibition Witness: Art and Civil Rights in the Sixties (2014). In 2015, Jarrell’s work will be featured in the exhibition The Freedom Principle: Experiments in Art and Music, 1965 to Now at the Museum of Contemporary Art Chicago.

20.03.2017

Venus – The anti-hero Hero


Venus - performance registration from Framer Framed on Vimeo.

Venus – The anti-hero Hero was an interactive programme that explores the historically violent imageries surrounding Venus. Who is Venus? Nikki Minaj? Kim Kardashian? This event is part of the series of public and discursive events that are curated alongside to the exhibition 'Embodied Spaces' (2015) by curator Christine Eyene at Framer Framed in Amsterdam. With contributions by Amal Alhaag, Rehema Chachage, Quinsy Gario, Carolin Kamya, Shertise Selano, Hodan Warsame and Milone Reigman.
This event concluded the three exploratory reading sessions that were loosely based on three chapters from Suzan-Lori Park’s play Venus and connected to the themes of imagination, language and the body. Park’s play is based on the journey of Saartjie Baartman, a Khoi-San woman taken from South Africa in 1810 and exhibited in London and Paris. The reading of the exoticized body of Saartjie Baartman has influenced the iconography of the black female body in western visual cultures. Venus connects to current conversations on race, gender, sexuality, and voyeurism in the media. From Hottentot Venus to bootylicious – the female body, specifically, the black female body belongs to the spectators. How can we re-interpret and reclaim Venus despite the exploitation?
Venus – The anti-hero Hero was developed in collaboration with theater director Amal Alhaag, Milone Reigman. Shertise Solano and Ronald de Graaff created a series of beautiful masks especially for the Venus performance directed by Milone Reigman. In addition to the exhibition the masks will be on show in the public spaces of the Tolhuistuin. Rehema Chachage is based in Tanzania, we had a chance to aks her for a contribution thanks to the Thami Mnyele Foundation.

Bijna Familie




In het gesprek wordt onder andere ingegaan op het vermengen van feiten/geschiedenis en fictie, een thema dat terugkomt in zowel Ena’s als Karin’s werk, evenals in de lopende tentoonstelling Re(as)sisting Narratives, over het gedeelde koloniale verleden tussen Nederland en Zuid-Afrika. Beide schrijvers zullen dieper ingaan op één werk in de tentoonstelling. Zo zal Ena reageren op het werk van Mary Sibande, dat thematisch aansluit bij haar boek. Sibande’s werk Conversations with Madam CJ Walker (2009) is geinspireerd op meerdere generaties vrouwen in haar familie, die huishoudsters waren en die zij als helden beschouwd.